Het is geen kabbelend bootje
En soms
Een woelige baar
Geen mammoettanker
Die zijn tijd neemt
Het is wildrazend
Die locomotief
Zo’n ouderwetse
Die met knarsende remmen
En oorverdovend schuren
Van metaal op metaal
Steeds harder
De helling af raast
Log en zwaar
Door niets meer te stoppen
Een mammoettanker
Was het dat maar.

Terwijl die trein voortraast
Dringen we allen naar voren
Elkaar vertrappend
We duwen elkaar
Onder die loodzware wielen
Niet overleven
Maar vrijheid
“Vrijheid wil ik!”
Roepen we naar elkaar.

Hier in het westen
Kennen we rampen vooral
Van fictie
Van de film
Of die echte
Uit de kranten
Maar niet nu
Tijdens het avondeten
Niet nu
Mijn goede bui
Want er is ellende
Dat weet ik
Maar het moet niet te zwaar worden
Allemaal
Als ik het niet wil horen
Kan het gewoon uit
Het journaal.

Zeg niets
Doe niets
Veroorzaak geen paniek
Laat ons zwelgen
In de onschuld
Doorbreek het sprookje niet
Gealarmeerd zijn is veel erger
Dus laten we zwijgen
Dan doen we alsof
Als we onze ogen sluiten
Dan is het er niet.

Al kakelend
Richting afgrond
Geen verdriet
Geen ontzag
Al brullend
Woest spartelend
Al staat daar een monster
Te spuwen
Mijn vrijheid
Krijg je niet.

Iedere seconde
Die we verbrullen
Dendert de rampspoed
Gestaag voort
Breekt al knarsend
Door zijn remmen
Knakkende ego’s
Op het spoor.

De alarmbellen
Kunnen ons niet stoppen
Het is een grote
Kakofonie
Open,
die scholen
Open,
gewoon alles
En áls er iets dicht moet
Dan toch zeker niet
Niet waar ík van hou
Nee, dát niet
En wie er voor dood moet
Nou en?
Het deert me gewoon niet.

De alarmbellen
Hun geluid verstomt
Door de oorverdovende klap
Allesoverheersend
Verpletterend
Het leed
De tranen
De tragiek
Zo hulpeloos
En rauw.

De schreeuw
Zo geschokt
Zo gespannen
Is zo stil
De echo
Van die stilte
Resoneert
Zo hard
Dat niemand meer wil.

De zorg
Code zwart
Gewoon termen
Het doet ons niet veel
Concepten
Abstract
Om met afstand
Naar te kijken
Ik?
Ik heb geen zorg nodig
Dus het gaat niet om mij
Het deert me echt niet.

Totdat het onszelf raakt
Dan stopt het gestampvoet
Het schreeuwen
Het klagen
Omdat we dan weten
Wat het is
Als die locomotief
Keihard
De klif afdondert
En slachtoffers maakt
Dat het geen film is
Of abstract
Dat de impact
Van de klap
Van die rampspoed
Die neerdaalt
Ook de bodem
Onder onze eigen voeten
Wegslaat.

Er valt niets meer te kiezen
Niets meer open
Niet meer
Geen school
Geen sport
Geen winkels
Geen brasserij
De ziel is nu teer
Er zal maar iets gebeuren
Een ongeluk
Een gaslek
Een gewelddadig protest
En zelfs thuis
Voelt het raar
Ineens schuilt
In ieder klein hoekje
Een levensgroot gevaar.

Het brullen
En roepen
We rekenen na
Ook wij zijn
Verantwoordelijk
Dus rekenschap vragen
Aan de politiek
Vergeet het nou maar.

En zo zitten we samen
In de totale destructie
Iets waar we zelf
Om hebben gevraagd
En daar
In het Catshuis
Kronkelen slangen
Lispelend
Over vrijheid
En eigen
Verantwoordelijkheid
Boven een potje
Kaviaar.




Ginny Mooy
Ginny Mooy

Ik ben antropoloog en schrijfster van de romans De Wil om te Doden, Moordjongens en Ana. Als antropoloog heb me gespecialiseerd in de problematiek rond kindsoldaten (peace/conflict, social movements, propaganda, extreme geweldpleging, herintegratie postconflict). In Sierra Leone was ik betrokken bij de bestrijding van ebola. Momenteel doe ik onderzoek naar de invloed van gedrag op de coronapandemie.

Deel op: