Hoop

Vorige week zat ik aan tafel bij het praatprogramma Op1. Ik zou er komen praten over het belang van preventie, de verkeerde keuzes die we maken en de invloed van onze mentaliteit en ons gedrag op de pandemie. Dat virus doet uit zichzelf helemaal niets, dat zouden we inmiddels moeten begrijpen. Het gaat ook niet uit zichzelf weer weg. Wij zorgen ervoor dat het van mens tot mens overgedragen wordt en hoe meer we dat toestaan, hoe groter de kans op varianten die ons dagelijks leven overhoop halen.

Pandemiemoe

Iedere golf weer denken we: dit is de laatste. En iedere golf weer raken we – precies als dat virus vaart krijgt – pandemiemoe en moet alles open. Logisch, ergens, want als de verspreiding in versnelling komt, worden er meer maatregelen genomen en ligt het leven weer stil. Dat daar verzet tegen komt is ja, logisch. Want hoewel de gezondheidsschade van SARS-CoV-2 enorm is, krijgen de meeste mensen nou eenmaal niet te maken met ernstige ziekte. Wel ervaren we allemaal de last van de maatregelen en dus staan ze telkens ter discussie. De media volgen die lijn. Dat is wat in de maatschappij leeft, dat is dan ook waar we het over hebben. We kijken naar de landen om ons heen. Waar gaat het goed? Waar hebben ze minder maatregelen? Zie je wel, dáár kan het gewoon, dus moet nu alles open.

Willekeur

Het is een beetje willekeurig waar we die voorbeelden vandaan halen. Gewoon, zoals het uitkomt. De ene keer is het Zweden, dan Denemarken, dan weer het Verenigd Koninkrijk. Als ze maar minder maatregelen hebben, dan is het ons voorbeeld. En die voorbeelden houden we oppervlakkig: dáár in Denemarken is geen lockdown, dus kan bij ons alles open. Dáár in het Verenigd Koninkrijk laten ze alles los en dat gaat goed, dus dat is ons voorbeeld. We kijken niet naar alle andere maatregelen en voorzorg die ze wel hebben, hoe mensen zich daar gedragen, of de bevolkingen van die landen óók vinden dat het zo goed gaat allemaal en welke prijs ze betalen voor het gevoerde beleid. Dáár is het open, dus wij moeten ook open, punt.

Het hele plaatje

Laten we er een voorbeeld uit pikken: In Denemarken werd versoepeld, maar tegelijkertijd namen ze andere voorzorgsmaatregelen. Voortvarend testen op scholen bijvoorbeeld. Ze hebben sowieso een andere – veel uitgebreidere – testcultuur dan wij en dat scheelt wel een hele hoop op het gedrag. Als mensen weten dat ze besmettelijk zijn, zijn ze toch eerder geneigd thuis te blijven. En het scheelt ook als er een testlocatie om de hoek is en je de uitslag snel krijgt, om de stap te zetten om je überhaupt te laten testen. Het zijn geen details. Het bepaalt in grote mate hoe mensen zich gedragen en dus hoeveel ruimte het virus krijgt om van mens op mens overgedragen te worden. Het bepaalt voor een heel groot deel het verloop van de verspreiding.

Op zoek naar een gidsland

Een ander voorbeeld: Het Verenigd Koninkrijk. Dat moet ons gidsland worden, want daar laten ze alle maatregelen los en het gaat goed! Oppervlakkig bezien dan. Want vinden ze in dat land zelf ook dat het goed gaat? Niet bepaald. In de zorg zijn grote problemen ontstaan en onder de bevolking is veel onvrede. The British Medical Association sprak zich fel uit tegen het beleid van Johnson. Vele honderden mensen reageerden op social media dat Johnson hiermee eigenlijk alleen maar zijn eigen politieke positie probeert te redden, nu hij onder vuur ligt vanwege zijn aanwezigheid bij feestjes tijdens lockdowns.

Chaos

Er is altijd meer dan we met onze oppervlakkige blik zien. Welke politieke keuzes worden er gemaakt en met welke motieven, hoe is het gedrag van de bevolking, hoe groot was en is de druk op de zorg in een bepaald land, welke voorzorgsmaatregelen treffen ze op plekken waar het virus zich makkelijk verspreidt, hoe goed hebben ze het virus in beeld, wat doen ze aan voorlichting en hoezeer wordt het mensen mogelijk gemaakt zich aan de basisvoorzorg te houden? Het is allemaal niet zo makkelijk te vertalen naar onze eigen situatie. Helemaal niet, eigenlijk. Als je wil weten hoe de vork echt in de steel zit, moet je hele dagen ontzettend veel coronanieuws volgen. Dat doet bijna niemand. We zijn massaal pandemiemoe. Ook onze media. En die diepen de situatie dan ook steeds minder uit. De waan van de dag neemt ons weer steeds meer over. Ook logisch. Maar het maakt de situatie wel steeds moeilijker om te dragen. Tel daar campagnevoerende artsen bij op die ons komen vertellen dat we covidpatiënten dood moeten laten gaan, burgemeesters die zich aansluiten bij protestacties en al die hele dringende belangen die er in de samenleving zijn en de chaos is compleet.


Belangen

Dat wilde ik vertellen bij Op1. Ik maakte een begin. Maar het gesprek ging alle kanten op. Alle begrijpelijke kanten. Want er zaten mensen met belangen. Met nood. Met hun eigen zorgen. En daar zou ik dan doorheen denderen met ontnuchterende boodschappen over hoe de pandemie niet voorbij is. Dat als we blijven verspreiden, we de pandemie in stand houden. Dat we ook niets wíllen om verspreiding te voorkomen. Niet eens de minst ingrijpende dingen, zoals het dragen van een mondkapje en testen. Dat we daar niet in investeren. Dat we er iedere keer weer vanuit gaan dat dit de laatste golf is en we ons nergens op voorbereiden. De overheid niet, wij zelf ook niet. Klopt allemaal nog steeds, volgens mijzelf. Maar in die setting, met de mensen die daar zaten om over hun eigen problemen te praten, voelde het zo volkomen misplaatst om dat te zeggen, dat ik mijn mond hield.

Het zat me dwars, na afloop. Was ik gewoon te bescheiden geweest? Had ik moeten interrumperen en meer aandacht voor míjn verhaal moeten vragen? Was ik gewoon niet zo’n sterke gast of zat er iets niet goed aan mijn eigen interpretaties? Achteraf bezien: nee, daar had het niets mee te maken. Ik wil het leed van anderen niet bagatelliseren of ontkennen. Punt is, ik begrijp het. Als je zelf weinig risico loopt op ernstige ziekte, wegen andere belangen gewoon zwaarder. En sommige mensen zitten in zwaar weer momenteel.

Iedereen heeft recht van spreken

Eigenlijk begrijp ik iedereen die de last van de pandemie niet meer kan dragen. En ook dat iedereen recht van spreken heeft. Dat de maatregelen knellen, begrijp ik. Ik begrijp dat mensen hele echte financiële belangen hebben en dat financiële problemen even reëel en heftig (kunnen) zijn als het risico op ernstig covid of long covid. Maar ook dat mensen behoefte hebben aan de ‘kleine dingen’. Gewoon, je vrij kunnen bewegen en doen waar je zin in hebt. Of samen zijn met andere mensen. Onze sociale behoeften maken ons mens. Om dat jarenlang ‘uit te zetten’, past niet bij onze natuur. Dat geldt voor iedereen. Ook voor mensen die meer risico lopen op ernstig covid. Ook zij hebben al die andere belangen en behoeften, naast een reëel gezondheidsrisico. Dat kunnen ze niet eens meer zeggen. Zij strijden om hun gezondheid te mogen beschermen, waar de artiest strijdt voor het overleven van zijn sector en de horecaondernemer voor het voortbestaan van zijn zaak en niet weggezogen te worden in enorme schulden.

Lobbyen

Dus daar zat ik, aan die tafel en ging dit door mijn hoofd. Ik had van alles willen zeggen, maar eigenlijk viel er niets te zeggen. Het ging over belangen. Het ene belang boven het andere plaatsen. Als ik mijn eigen uitingen in de media in de afgelopen twee jaar doorneem, kom ik daar zelf even ongenuanceerd uit naar voren als ieder ander. Met zoveel gasten aan tafel en maar beperkte tijd om dingen te kunnen bespreken, kan je ook bijna niet anders. Dus wordt je verhaal automatisch een pleidooi voor het een of ander en dat is wel de laatste positie waarin ik me wilde bevinden. Ik besloot dat ik daarmee moest breken. Het is wat de pandemie in stand houdt, dat weet ik. Het ene belang boven het andere stellen. Het uitruilen van vrijheden. En daarom zat ik met mijn mond vol tanden. Achteraf vind ik: ik deed het juiste. We hebben een overheid die het lobbyen aanmoedigt en dus is het lobbyen wat we doen. Wie ben ik, om andere mensen hun vijf minuten om te kúnnen lobbyen te ontnemen?

De pandemie is voorbij

In Nederland is nu vrijwel iedereen er wel van overtuigd dat de pandemie afgelopen is. Het hele wrange is, dat we dat in de afgelopen twee jaar al drie keer eerder dachten. Steeds loopt het uit op een teleurstelling en zeggen we achteraf: dit hadden we kunnen weten. We hadden ernaar moeten handelen. Maar niemand doet het. Het lijkt er voorlopig overigens niet op dat de pandemie na omikron afgelopen is, waarschuwt de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) nog altijd. Alle waarschuwingen glijden langs ons heen. Omikron is ‘zo mild’, dat nu bijna iedereen wel vindt dat het losgelaten kan worden op de samenleving. Mét het risico dat op die manier weer nieuwe varianten ontstaan. En hoe dat dan weer zal gaan? Dat weet niemand.

Hoop

Het is afwachten wanneer er weer een nieuwe variant komt en hoeveel schade dat virus zelf kan aanrichten aan de gezondheid. Het kan meevallen, het kan tegenvallen. We zouden ons allemaal moeten voorbereiden op wat nog zou kúnnen komen, de worst case scenarios. Nu een keer wel. We doen het beter voor niets, dan ons weer te laten overspoelen door een nieuwe golf. Maar we zitten vast in onze eigen belangen van nú, op dit moment. We overzien niet eens meer dat we bij een volgende golf ook nog belangen hebben. Het hier en nu knelt. De overheid biedt geen houvast. Het coronabeleid schiet alle kanten op. Niemand heeft de regie. Er is geen plan. En dus is onze enige hoop dat de pandemie zomaar vanzelf eindigt. Ook dat begrijp ik. Dus wie ben ik, om andere mensen die hoop te ontnemen? Daarom was ik stil. Uit respect, maar ook uit onvermogen. Ik heb namelijk ook geen oplossing.

Het is nog lang geen tijd voor 2G

De instroom in de ziekenhuizen lijkt over de piek heen. Het dreigende code zwart is ternauwernood afgewend. Ondanks alle tegensputteren van de IC’s werd gisteren verder opgeschaald naar 1.250 bedden. Om dat te realiseren moet de (acute) planbare zorg worden afgeschaald. Volgens IC-baas Peter van der Voort van het UMC Groningen, wordt er al geselecteerd aan de poort en ís het daarmee feitelijk al code zwart. Ook de huisartsen ramden op de noodknop: bij hen is het allang code zwart.

Er zit een verschil tussen het medische- en het politieke code zwart, blijkbaar. Een politiek handigheidje. Maar het kan de feiten niet wegpoetsen: De overheid is niet in staat te waarborgen dat iedereen in geval van ziekte de juiste geneeskundige bijstand en verzorging krijgt. En dat is wel een juridische plicht. Nood breekt wetten. De vraag is wel: is dit wel ‘nood’ te noemen, of de uitkomst van inadequaat beleid?



Recht op gezondheid

Wat gaat het kabinet doen om afschalen van zorg voortaan te voorkomen? Is het, met alle kennis en hulpmiddelen die we tot onze beschikking hebben, acceptabel om reguliere zorg weer af te moeten schalen? Naar verwachting gaat de pandemie nog jaren duren. Gaan we dat bij elke volgende golf doen? Welk effect heeft dat op de algehele volksgezondheid?

In het Internationale Verdrag inzake de economische, sociale en culturele rechten verbindt de overheid zich ertoe epidemische èn endemische ziekten te voorkomen en te bestrijden. Een strategie die virusverspreiding op hoog niveau toestaat, kan men onmogelijk ‘bestrijding’ noemen. Toch is dat wat het kabinet met 2G wil doen: het virus vrij laten verspreiden onder gevaccineerden en de verspreiding onder niet-gevaccineerden dempen door hen toegang te ontzeggen tot hoogrisicolocaties. Terwijl ze elkaar op andere plekken, of zelfs in het eigen huishouden, nog wel tegenkomen. Of een besmetting komt binnen via schoolgaande kinderen. 2G is dus geen dekkend systeem. Gevaccineerden verspreiden het virus immers ook.

Omikron

Voordat de overheid overgaat tot maatregelen die onze grondrechten aantasten, moet eerst alle inspanning verricht zijn om met andere, minder ingrijpende middelen de epidemie te bestrijden. Klik om te Tweeten

Met Omikron op de loer, is een systeem dat verspreiding toestaat een valse belofte op terugkeer naar het oude normaal. Ook tijdens deze golf zien we: de meest kwetsbare personen worden, ondanks vaccinatie, nog steeds hard getroffen. Er is een recordaantal besmettingen in verpleeghuizen en ook het aantal sterfgevallen loopt er weer op.

We lonken naar Israël, waar boosters de schade van Delta aanzienlijk leken te beperken. Wat we niet willen zien, is dat er in Israël naast boosteren een slim beleid onder zat: Inreisbeperkingen, 2 meter afstand, maskers voor iedereen ouder dan 7 jaar en voordat het schooljaar er begon werd alle ouders gevraagd hun kinderen te testen. Dat hield de scholen goeddeels coronavrij en dat scheelt. Israël zet dus niet alleen in op vaccineren, maar op een heel palet aan maatregelen, waarbij “testen, testen en nog meer testen” de ruggengraat vormt.

Het Nederlandse coronabeleid heeft niet een dergelijke ruggengraat. Het laat zich eerder kenmerken door ‘grote stappen snel thuis’. Nu is het in het verhitte vaccinatiedebat een lulligheid aan het worden om op onze grondrechten te wijzen. Maar voordat we overgaan tot een ingrijpende inperking van die grondrechten, is het toch belangrijk te realiseren dat niet alle minder ingrijpende middelen zijn uitgeprobeerd en zeker niet uitgeput.

Pilaren van de coronabestrijding

We lijken steeds de belangrijkste pilaren van de coronabestrijding over te willen slaan: Testen, traceren, isoleren, quarantaine. Nederland investeert er heel weinig in. Van laagdrempelig en fijnmazig testen is helemaal geen gebruik gemaakt. Dat bereik je bijvoorbeeld met veel testlocaties, maar die hebben we in Nederland niet. “Met minder testlocaties grote aantallen wegzetten … als waren we Unilever”, aldus de Jonge.

Het bron- en contactonderzoek spoort in nog geen kwart van de gevallen de bron op. Mensen krijgen slechts een dringend advies om in quarantaine te gaan. In het kader van ‘proportionaliteit’ is het wellicht effectiever om – in plaats van 2G – over te gaan tot een wettelijke verplichting tot isolatie en quarantaine van besmettelijke personen. Zoals bij een Groep A ziekte wettelijk gezien altijd al een mogelijkheid zou zijn geweest.

We hebben meer ‘gereedschappen’ achter de hand: zoals FFP2-maskers in de zorg, want ook in de zorgsetting raken mensen besmet. Mondneusmaskers in alle binnenruimten voor iedereen vanaf 6 jaar, zoals de Wereldgezondheidsorganisatie adviseert. Ook als je zit. Goede ventilatie op scholen, CO2meters en hepafilters. De schoolvakanties anders indelen.

We hebben nauwelijks maatregelen die écht iets doen met ons gedrag. Uit gedragsonderzoek blijkt dat 70% van de positief getesten thuisblijft na een positieve test. Nog maar 3% gaat op visite. De mensen die wel naar buiten gaan, doen dat voornamelijk om een luchtje te scheppen. Zonder quarantaineplicht zou dit al een bijna dekkend systeem kunnen zijn, als de vaccinatiebereidheid nou maar wat hoger zou zijn.

Bestrijden in plaats van verspreiden

Israël zet niet alleen in op het voorkomen van ernstige ziekte door vaccinatie, maar ook op het tegengaan van verspreiding. Denemarken lijkt ook meer in te willen zetten op een dergelijke strategie. Wij lijken voor een strategie te willen gaan die het ons toestaat het coronavirus te blijven verspreiden, zonder zo’n slim vangnet. 2G en alles open. Of: iedereen gevaccineerd en we kunnen weer. Dat zal onherroepelijk weer eindigen in lockdowns en code zwart. De vaccins geven immers geen steriele immuniteit.

Het is daarom nog lang geen tijd voor 2G. En ook niet voor een vaccinatieplicht. Laten we eerst een begin maken met het tegengaan van verspreiding. Door overal een mondneusmasker te dragen bijvoorbeeld. Dat is wel het minste wat we zouden kunnen doen om de zorg overeind te houden. En door in te zetten op ‘testen, testen en nog meer testen’. Door alle besmettelijke personen op te sporen en in quarantaine te zetten.

De steeds weer terugkerende ‘lockdownachtige’ maatregelen voelen vaak zwaar aan. Toch doen we veel minder dan het lijkt. Als je je bedenkt namelijk, dat Sierra Leone – een van de armste landen ter wereld – een quarantaine-app heeft om mensen levensmiddelen te brengen zodat ze in quarantaine blijven, kan je je afvragen hoe serieus wij de bestrijding van dit virus eigenlijk nemen.


De storm voor de stilte

Het is geen kabbelend bootje
En soms
Een woelige baar
Geen mammoettanker
Die zijn tijd neemt
Het is wildrazend
Die locomotief
Zo’n ouderwetse
Die met knarsende remmen
En oorverdovend schuren
Van metaal op metaal
Steeds harder
De helling af raast
Log en zwaar
Door niets meer te stoppen
Een mammoettanker
Was het dat maar.

Terwijl die trein voortraast
Dringen we allen naar voren
Elkaar vertrappend
We duwen elkaar
Onder die loodzware wielen
Niet overleven
Maar vrijheid
“Vrijheid wil ik!”
Roepen we naar elkaar.

Hier in het westen
Kennen we rampen vooral
Van fictie
Van de film
Of die echte
Uit de kranten
Maar niet nu
Tijdens het avondeten
Niet nu
Mijn goede bui
Want er is ellende
Dat weet ik
Maar het moet niet te zwaar worden
Allemaal
Als ik het niet wil horen
Kan het gewoon uit
Het journaal.

Zeg niets
Doe niets
Veroorzaak geen paniek
Laat ons zwelgen
In de onschuld
Doorbreek het sprookje niet
Gealarmeerd zijn is veel erger
Dus laten we zwijgen
Dan doen we alsof
Als we onze ogen sluiten
Dan is het er niet.

Al kakelend
Richting afgrond
Geen verdriet
Geen ontzag
Al brullend
Woest spartelend
Al staat daar een monster
Te spuwen
Mijn vrijheid
Krijg je niet.

Iedere seconde
Die we verbrullen
Dendert de rampspoed
Gestaag voort
Breekt al knarsend
Door zijn remmen
Knakkende ego’s
Op het spoor.

De alarmbellen
Kunnen ons niet stoppen
Het is een grote
Kakofonie
Open,
die scholen
Open,
gewoon alles
En áls er iets dicht moet
Dan toch zeker niet
Niet waar ík van hou
Nee, dát niet
En wie er voor dood moet
Nou en?
Het deert me gewoon niet.

De alarmbellen
Hun geluid verstomt
Door de oorverdovende klap
Allesoverheersend
Verpletterend
Het leed
De tranen
De tragiek
Zo hulpeloos
En rauw.

De schreeuw
Zo geschokt
Zo gespannen
Is zo stil
De echo
Van die stilte
Resoneert
Zo hard
Dat niemand meer wil.

De zorg
Code zwart
Gewoon termen
Het doet ons niet veel
Concepten
Abstract
Om met afstand
Naar te kijken
Ik?
Ik heb geen zorg nodig
Dus het gaat niet om mij
Het deert me echt niet.

Totdat het onszelf raakt
Dan stopt het gestampvoet
Het schreeuwen
Het klagen
Omdat we dan weten
Wat het is
Als die locomotief
Keihard
De klif afdondert
En slachtoffers maakt
Dat het geen film is
Of abstract
Dat de impact
Van de klap
Van die rampspoed
Die neerdaalt
Ook de bodem
Onder onze eigen voeten
Wegslaat.

Er valt niets meer te kiezen
Niets meer open
Niet meer
Geen school
Geen sport
Geen winkels
Geen brasserij
De ziel is nu teer
Er zal maar iets gebeuren
Een ongeluk
Een gaslek
Een gewelddadig protest
En zelfs thuis
Voelt het raar
Ineens schuilt
In ieder klein hoekje
Een levensgroot gevaar.

Het brullen
En roepen
We rekenen na
Ook wij zijn
Verantwoordelijk
Dus rekenschap vragen
Aan de politiek
Vergeet het nou maar.

En zo zitten we samen
In de totale destructie
Iets waar we zelf
Om hebben gevraagd
En daar
In het Catshuis
Kronkelen slangen
Lispelend
Over vrijheid
En eigen
Verantwoordelijkheid
Boven een potje
Kaviaar.




Wat me dwarszit

Geen analyse, geen opinie, geen onderzoek, geen advies. Het punt is namelijk; ik weet het niet. De steeds terugkerende gedachte: “tenzij het kabinet en haar adviseurs iets weten wat wij niet weten, koersen we af op een regelrechte ramp”. En als je zo in het donker zit, valt er weinig te ‘weten’. Ik geloof Gommers als hij zegt dat het onvermijdelijk Code Zwart wordt, ook al ontkent Hugo de Jonge in alle toonaarden. Omdat ik Gommers’ boek las. En begrijp dat het een groot machtsspel is daar in het OMT en het kabinet. Een ware slangenkuil, met grote ego’s en grote belangen. Wat ze aan het doen zijn daar? Geen idee. Ik begrijp er helemaal niets van. En ik heb er geen invloed op. Daarom zet ik mijn gedachten op een rijtje. Mijn gevoelens en emoties. Wat vind ik hier nou eigenlijk van als mens? Als burger van Nederland? Als betrokkene? Als iemand die gewoon ook zelf geraakt wordt door de coronacrisis?

Ik probeer altijd zoveel mogelijk afstand te bewaren tot mijn persoonlijke ‘mening’. Als ik de crisis analyseer, dan plak ik de grondwet van Nederland altijd in de rechterhoek van mijn beeldscherm. Het gaat niet om mijn mening, of mijn gevoelens. Het gaat er niet om óf en hoe ik zelf geraakt word. Ik kijk naar de samenleving als geheel, altijd. Naar wat ik door studie en onderzoek over menselijk gedrag heb geleerd. Wat ik tijdens de ebolacrisis in Sierra Leone heb geleerd. Tot nu toe heb ik bijna van minuut tot minuut het verloop van de coronacrisis kunnen volgen, voorspellen en duiden. Ik heb het allemaal eerder gezien. Alles. Van de politieke spelletjes, de belangen, de machtsspelletjes tussen de politiek en de medisch adviseurs, van de medische crises tot het complot-denken en de maatschappelijke onrust. Het is allemaal niet nieuw en niets verrassends. Tot deze fase. Wie het nog begrijpt mag het me uitleggen, want zelf tast ik volledig in het duister. Dit is dus een persoonlijke reflectie. Over waar ik mee worstel. Wat ik niet begrijp. Wat me dwarszit. En waar ik niet mee kan leven.

Misschien lucht het op. Misschien is het wel zo eerlijk om te laten zien dat ‘weten’ en ‘begrijpen’ vaak niet zonder worsteling gaat, ook al heb je er nog zoveel studie naar gedaan. En misschien herken je er iets in. Want dit is geen makkelijke tijd. Steeds meer vragen, steeds minder antwoorden. Het is verwarrend en het tornt aan, ja, eigenlijk aan je hele bestaan. Aan je normen en waarden, aan je gevoel, je verstand, zie jij het zo verkeerd allemaal? Wat gebeurt er eigenlijk om je heen? Is dit nog steeds hetzelfde Nederland? Is dit het land dat je liefhad, het volk dat je vertrouwde en de overheid die – hoewel altijd imperfect – toch in redelijke mate een bepaalde stabiliteit bood? Die stabiliteit is weg. Niet eens door de crisis. Niet eens door de onzekerheid rond die crisis. Maar door de enorme rookwolken en mist die opstijgt uit kabinet, RIVM en OMT. De leugens. Het verdraaien. De woordspelletjes. De laconieke houding. De volkomen ontkoppeling tussen hen die ons door de crisis moeten loodsen, en wij die aan het andere eindje bungelen, die niet eens meer weten hoe groot die crisis nou precies is. Het is volslagen waanzin. Is het bijna code zwart? Wel? Niet? Wel? Niet? Kunnen we met een gerust hart helemaal gaan leunen op die vaccins? Wel? Niet? Wat is het nou?

Werkelijk alles staat op z’n kop. Soms moet ik lachen als ik de uitspraken van andere mensen in mijn hoofd de revue laat passeren. Een kennis in Nederland, die niets kwaads wil horen over het beleid: “Nederland is nog altijd beter dan een land als Sierra Leone, hier is een mensenleven tenminste iets waard”. Een dierbare vriend uit Sierra Leone in de chat: “Gin, heb je hulp nodig? Wat is er toch aan de hand daar? Wonen daar wel ménsen? Jullie geven echt niets om elkaar!” Wrang eigenlijk. In Sierra Leone hebben ze een nare uitspraak om op elkaar te fitten en de problemen in de samenleving aan toe te schrijven: wi nכ lεk wi sεf. Als ik het vrij mag vertalen: ‘wij geven niet om elkaar’. “Mwah,” denk ik nu. Dat valt echt heel, heel, heel erg mee. Want zulk egoïsme, zulke onverschilligheid over elkaars lot, zoveel argeloosheid, zoveel lethargie, zoveel onbetrokkenheid als ik nu zie, hier in Nederland, ik heb het daar nog nooit gezien.

Ik heb het wel vaker gezegd: “Op het hoogtepunt van de ebola-epidemie in Sierra Leone verspreidden mensen ebola vooral omdat ze niet konden stoppen voor elkaar te zorgen. Hier verspreiden veel mensen corona omdat ze elkaar maar niet willen beschermen.” Al zeg ik het zelf: beter had niemand het kunnen omschrijven. Dit is gewoon wat het is. Wij willen elkaar niet beschermen, de overheid wil ons niet beschermen, de betrokken wetenschappers willen ons niet beschermen. Ieder gaat voor zijn eigen hachje. Als ík maar krijg wat ik wil. De testcapaciteit die ík wil, de onderzoekscentjes, de academische prestige, míjn carrière, míjn politieke idealen, míjn politieke winst, MACHT, feesten, naar een evenement, bier, bingo en bitterballen. ‘Dikke ikke’, zou Andrea Walraven-Thissen dat noemen. Nu, nu, nu, nu. Wij Nederlanders geven, zo zie ik dat, echt geen moer om elkaar. En dat is ontnuchterend.

Weet je, Sierra Leone is een land in wederopbouw. De vreselijke burgeroorlog eindigde in 2001 en sindsdien gaat de wederopbouw zeer moeizaam. Veel problemen van voor de burgeroorlog, zijn nog altijd niet opgelost. Maar het gaat, stapje voor stapje. De allergrootste kracht van die mensen, vind ik, is hun vermogen elkaar te vergeven. Te zien – na alle wreedheden die burgers tegen elkaar begingen – dat ze het toch samen moeten doen. En dat merk je. Het is geen sprookje; sommige mensen terroriseren hun medemensen echt als een malle. Maar daar tegenover staan er 10 – nou ja, 5, want van die 10 hebben er altijd wel een paar geen nobele motieven – 5 mensen die je oprapen, die je steunen en die dat gewoon vanzelfsprekend vinden. Als ik mijn tijd in Sierra Leone moet samenvatten, zou ik het zo zeggen: je bent er vogelvrij. De overheid biedt geen vangnet. Mensen overleven op elkaar. Door liegen, bedriegen en manipuleren, maar ook door er gewoon, vanzelfsprekend voor elkaar te zijn. Ik heb er, omdat er nauwelijks politie en rechtspraak is, het allerslechtste van de mens gezien. Maar ook het allerbeste. Want in een land waar niets vastligt, je jezelf vrij kunt kopen na moord en vaak het recht van de rijkste geldt, valt het met de criminaliteit echt heel erg mee.

En dan Nederland. Alles goed geregeld. Welvarend. Zoveel kennis. Zoveel technologie. Zoveel wetenschap. Geen echt zware crisis in het recente verleden. Vergeleken bij de ellende van de burgeroorlog in Sierra Leone, nemen wij af en toe een drempeltje. Of meer een rotonde, zelfs. Het ziet er allemaal gelikt uit. Grote, glimmende protsbak met perfecte carrosserie. Maar man. Wat blijkt er een ellende te zitten onder die motorkap. Een samenleving waar echt helemaal geen cohesie lijkt te zijn. De staat kan mensen totaal vermorzelen en verpletteren en we halen slechts verontwaardigd onze schouders op. De politici aan het roer kletsen en lachen zich overal onderuit. En nog vinden we ze ‘beschaafd’. Niemand wordt vervolgd. Niemand voelt enige consequentie. Ze mogen over ons blijven regeren. Ze doen niet eens meer moeite om geloofwaardige leugens te vertellen.

En de Tweede Kamer en de pers? Die hebben het er maar moeilijk mee om deze gewetenloze politici op een beschaafde manier, in gepaste bewoording, een beetje in de pas te krijgen. Daar erger ik me rot aan, trouwens. Dit vraagt niet om diplomatie. Dit vraagt om de botte bijl, verontwaardiging, boosheid die zijn weerga niet kent. Kom voor de burgers op die je vertegenwoordigt. Maar nee. Dan houden we de schreeuwende populisten over, die dan weer aan populariteit winnen, omdat zij de leugens wel plompverloren benoemen. We zitten vastgedraaid in die diplomatie en deftigheid. In een cultuur waarin iedereen maar als ‘redelijk’ over wil komen. Maar hier kan geen redelijkheid tegenop.

Ze liegen. Over alles. Ook over corona. Met alle redelijke argumenten, wetenschappelijke ‘bewijzen’, de kalmte en de diplomatieke aanpak, heb ik nu anderhalf jaar lang geprobeerd te laten zien waarover ze liegen. Maar zelfs die beschaafde toon en diplomatie, de wetenschappelijke verantwoording, was vaak al te moeilijk om te publiceren. Sommige journalisten en wetenschappers liepen met een boog om me heen. Kwam je met WHO advies. In Nederland omstreden. “Ssshhht! Desinformatie! Je bent aan het ontwrichten!”

Het is gewoon not done om de internationale consensus hier naar buiten te brengen. Ik geloof het zelf nog steeds niet. Echt niet. In Nederland. Waar het uitdragen van de richtlijnen van de WHO voelt als een verzetsdaad. Terwijl ik in al die tijd echt maar op één punt ben afgeweken van de WHO: het sluiten van de scholen. En eerlijk gezegd, dat vind ik ook helemaal niet nodig. Heel plan geschreven om die scholen gedurende de crisis altijd veilig open te kunnen houden. Maar ja, als je niets doet, dan jagen die scholen de verspreiding aan en kan je niet anders dan sluiten. Dat is echt al sinds het begin zo. Toen het RIVM met onderzoeken zou bewijzen dat kinderen nauwelijks verspreiden. Onzinonderzoeken. Want als je gezinnen gaat onderzoeken waar zorgmedewerkers de besmetting mee het gezin in nemen om vervolgens te concluderen dat kinderen de besmetting bijna nooit mee het gezin in nemen, dan publiceer je onzin. En dat is geen kleinigheidje. Dat is het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, dat met die onzin komt. Politiek voetbal met kinderen, noemde Mike Ryan van de WHO het. Maar maakt dat iets uit in Nederland? Ook al kost het vele mensenlevens? Kleinigheidje. Kan je gewoon onder het tapijt wegmoffelen. Als het zich niet meer láát wegmoffelen, dan verzin je dat jongeren op de fiets besmet raken, of dat kinderen vooral ongevaccineerden besmetten. Zo. Ook weer gehad. Scholen open, nul maatregelen. Daar is echt helemaal geen, nul, wetenschappelijk excuus voor. Ook geen reden. Of bewijs. Bijna alle landen ter wereld treffen maatregelen op scholen. We wijken totaal af van wat de rest van de wereld doet. Maar benoem het niet. Het is allemaal superwetenschappelijk. Hier bij ons wel. In de rest van de wereld gewoon niet. Joe! WHO richtlijnen voor voorzorg op scholen! “Sssshhht! Je ontwricht!”

En als zorgmedewerkers, gebukt onder schuldgevoel omdat ze – volgens de richtlijnen van het RIVM – onbeschermd met kwetsbaren moeten werken, daardoor mensen besmetten en dood zien gaan, zeg je gewoon dat het aan hun opleidingsniveau ligt. Lees die zin nog eens en nog eens. Dat is toch werkelijk ongelofelijk? Wat een minachting. Van Jaap van Dissel kwam deze opmerking. Van het RIVM. Rijksinstituut. Het is ongehoord. Onbegrijpelijk.

Al weken zeg ik: ik ga me minder met de coronacrisis bezighouden. Ik doe een stap terug. Ik weet ook, het heeft geen zin meer om me er nog mee bezig te houden. Want dit gaat allang niet meer om gedrag. Kunnen ze wel zeggen, daar bij het OMT, maar die basismaatregelen gaan het trucje niet meer doen. Vandaag niet, 3 weken geleden niet. Delta is superbesmettelijk. Een groot deel van ons gedrag is helemaal niet vrijwillig. Kinderen moeten naar school. Ook zoiets. Schoolplicht tijdens een pandemie. Hoe verzin je het? Maar goed. Ze moeten dus naar school, ook al liggen hun ouders zich thuis kapot te hoesten vancorona. Mensen moeten naar hun werk. Niemand neemt de mantelzorg over. Oma en opa moeten oppassen, want niet iedereen heeft geld voor opvang en ook niet altijd plek. Zolang die scholen open zijn, kan je in winkels afstand houden wat je wil, corona komt dan toch wel binnen. Het gaat niet om ons gedrag. Het gaat erom dat de overheid het ons mogelijk moet maken om besmetting te voorkomen. Zodat wij ons ernaar kunnen gedragen. Door maatregelen te treffen. Door te handhaven. Door nou eens een keer eerlijk te zijn. Over de scholen, dat gevaccineerden ook verspreiden, dat we er helemaal niet bijna zijn. En laat ze dan ook eens eerlijk zijn over de groepsimmuniteit die men onder kinderen wil bereiken en dat er daarom geen maatregelen getroffen worden op scholen. Dat ze het prima vinden om de reguliere zorg helemaal af te schalen, ook al levert dat zieken en doden op. Dat ze het wel prima vinden zo, zolang de economie maar blijft draaien. Zolang we patiënten in Duitsland kwijt kunnen, hoeven we geen steunpakketten meer uit te delen. Check.

Voor het kabinet is het: prikken en klaar. Klaar met de pandemie. Maar zo werkt het helemaal niet. Hoe vaak moet dat nog herhaald worden? De WHO heeft de blaren op de stembanden staan: de vaccins alleen gaan de pandemie niet oplossen. De hele bevolking prikken is minder effectief dan de vaccins eerlijk over de kwetsbaren van de wereld verdelen. Beter eerst de eerste prikken naar de landen die nog geen vaccins hebben kunnen kopen, dan de boosterprik voor de rijke landen. Het gaat allemaal aan ons voorbij. Een dwazenparadijs, noemt Dr. Tedros van de WHO ons. Wat wij doen, maakt de hele wereld nog kapotter dan die al was. Nog meer ongelijkheid, armoede, honger, sterfte, ontwrichting, conflict en nieuwe virusvarianten is wat we ons hiermee op de hals halen. Het is volkomen destructief. Immoreel ook. Maar wíj moeten leven. Nu, nu, nu. Bier, bingo, bitterballen.

En hoe gaat het met mij? Ik hoorde mezelf van de week pleiten voor de boosters. Want je kan niet anders. Omdat het kabinet ons in die richting dwingt. Terwijl er vele andere middelen en manieren zijn om het virus te bestrijden. Ik hoorde mezelf pleiten voor boosters, terwijl ik weet dat ik daarmee pleit voor vele doden in arme landen. Honger. Ellende. Ongelijkheid. Ik voel me gedwongen om nu zelf als haantje de voorste te graaien naar een vaccin. Voor mijn ouders, omdat ik hen graag wil blijven zien. Dus nu zit ik zelf ook met ‘dikke ikke’. Dat vind ik erg. Omdat daar, 5.000 kilometer hiervandaan, ook veel mensen leven waar ik mijn hart aan ben verloren. Het vaderland van mijn oudste dochter. Eén van de armste landen ter wereld. Waar ook hele prachtige mensen wonen. Dat na een burgeroorlog en ebola ook het hoofd moet bieden aan corona. Het land wat mijn tweede thuis is geworden. Een land waar een mensenleven net zoveel waard is als hier. Waar ik vaccins van af wil pakken, terwijl we ze hier eigenlijk niet eens zo heel erg nodig hebben.

Zoals ik me inzette om Sierra Leone te helpen tijdens de ebola epidemie, zo zet ik me ook in voor Nederland. Omdat ik precies hetzelfde zie nu in Nederland, als toen in Sierra Leone. De hele film van voren af aan. Ik zie in Nederland ook een andere samenleving. Eén waarin mensen wel degelijk kunnen samenwerken. Een samenleving die het wat doet als er veel leed is. Een samenleving met heel veel fijne mensen. Maar ook een samenleving die zich niet meer geconfronteerd wil zien met die beelden en verhalen. Het niet meer kan en wil horen. Want we kunnen er niets mee. Zend het niet uit. Publiceer het niet. Dan is het er niet. Maar het knaagt wel. Bij veel mensen. Het is allemaal niet zo hersenloos als het er op het eerste oog uitziet. Maar mensen doen maar wat, bij gebrek aan sturing. Wat moeten ze anders?

En ik? Inmiddels ben ik bijna zover te accepteren dat ik er ook helemaal niets aan kan doen. Mijn kennis, mijn inzicht, mijn ervaring, ik zet ze in een boek, voor op de plank. Voor een volgende crisis misschien. Ik ben bijna bereid me in slaap te laten sussen door de leugens. Het allemaal te laten gebeuren en het van me af te laten glijden. Bijna. Ik zie het allemaal wel, maar ik ben er bijna klaar voor om ook dat oogje toe te knijpen. Want al sinds de zomer zit ik te wachten totdat we schipbreuk gaan lijden. Wij worden het India van Europa, dacht ik al vele malen. Maar er valt niets aan te doen. Het voelde moeilijk het RedTeam los te laten. Toch ergens hoopte ik dat ik kon helpen het tij te keren. Maar het was zinloos. “Laat het maar gebeuren,” zei ik droog. Het is nog het enige, waar we iets van kunnen leren. Het is zo, dat weet ik. Die schock is het enige wat ons hier uit kan halen. Ik zag het al een keer eerder. En de gevolgen ook. Ik dacht dat ik gehard was. Maar toch. Over 10 dagen code zwart, volgens Gommers. Ik voel dat in mijn maag. Erger, dan ikzelf had verwacht. Intussen maak ik me op voor 10 dagen sussende praat van politici. OMT leden in talkshows die geheel zonder wetenschappelijk bewijs, wetenschappelijk met de vinger naar ons wijzen. En blijf ik wikken en wegen. Zal ik nu maar gewoon echt een keer mijn mond gaan houden?

Voordat we 2G omarmen, moeten we dit begrijpen over het coronabeleid

“De gewone Nederlander accepteert veel meer pech dan de elite denkt.”

Ira Helsloot in ‘Expertvisies op de gevolgen voor samenleving en beleid’ van WRR/KNAW, 2021

Zo instemmend als Nederland met het coronabeleid van het demissionaire kabinet lange tijd leek, zo is het allang niet meer. Het vertrouwen in de overheid is sinds de zomer in heel snel tempo gedaald. Steeds meer deskundigen en wetenschappers spreken zich uit tegen het beleid. “Zo werkt crisiscommunicatie niet!” “Zo werkt draagvlak-communicatie niet!” “Dit is geen crisismanagement!” “Er zit geen logica in het beleid!” “Het lijkt alsof het kabinet niet vooruit kan zien!”

Al die deskundigen en wetenschappers hebben gelijk. Dit is geen crisismanagement. Dat is dan ook helemaal niet waar het demissionaire kabinet mee bezig is. Wij kijken naar de crisis, zij kijken naar acceptabele risico’s. Geen crisismanagement, maar risicomanagement. En als je het vanuit dat perspectief bekijkt, zit het allemaal heel logisch, heel verklaarbaar en heel voorspelbaar in elkaar. Dit is wat wij gewoon eens moeten gaan begrijpen. En wat Rutte misschien heel plomp en letterlijk mag benadrukken. Het kabinet was er, te impliciet wellicht – maar toch, heel duidelijk in: veel mensen zullen ziek worden. En wij jubelden. Het is de strategie die het kabinet vanaf het eerste moment koos, wat niet veranderd is en wat niet gaat veranderen. Het is tijd om de strategie van het kabinet te begrijpen en te communiceren in een taal die zij begrijpen: risicobereidheid.

Eigen verantwoordelijkheid

Het kabinet, het RIVM en het OMT hebben de touwtjes stevig in handen. Statistiek, modellen, prognoses, het is heel zakelijk allemaal. Alles aan de veel te optimistische kant. Met een worst case scenario lijkt geen rekening gehouden te worden. Alles wordt overgelaten aan onze ‘eigen verantwoordelijkheid’. De momenten dat de overheid met ons over het coronabeleid communiceert, beperken zich tot de persconferenties. Die overigens gaandeweg steeds minder empathisch zijn geworden. Over het lot van de vele zieken en doden, spreekt premier Rutte zich helemaal niet meer uit. Het gaat vooral om de modellen, over maatregelen. Steeds maar weer. Welke uiterste risico’s we kunnen nemen en af en toe wijst een belerende vinger richting de burgers. Er zijn vaak nauwelijks maatregelen, maar wel adviezen, waar we bovendien maar weinig op gewezen worden. Er is nu wel vaak genoeg gezegd wat je kunt doen om verspreiding zoveel mogelijk te voorkomen, dat moet je dan maar doen.

Veel mensen voelen zich in de steek gelaten. De hele samenleving staat in brand. Iedereen is in rep en roer. Het lijkt alsof ieder moment het zwaard van Damocles op ons te pletter kan vallen. Zoveel onrust en paniek en wat doet het kabinet? Het hult zich in stilzwijgen. “Er is geen draagvlak,” horen we het kabinet en OMT leden vaak zeggen. Dat is vreemd, want uit peilingen blijkt – al sinds het begin van de coronacrisis – dat de meeste Nederlanders juist meer maatregelen willen en sneller ingrijpen van de overheid willen zien. Over welk draagvlak hebben we het dan eigenlijk? En als dat er niet zou zijn, dan zou de overheid toch beter kunnen communiceren? Voorlichten? Zelf urgentie uitstralen? Want draagvlak creëer je immers, als je ziet dat het de verkeerde kant opgaat.

Risico-regelreflex

Dit is waar wij de draagvlakcommunicatie van het kabinet verkeerd begrijpen. Voor ons is het draagvlak: risico’s beperken. Maar voor het kabinet is dat precies andersom: het tast af welke risico’s wij als samenleving bereid zijn te accepteren. We zéggen wel dat we willen dat de overheid risico’s beperkt, maar in werkelijkheid willen we dat helemaal niet zo graag en zijn we echt wel bereid om veel risico’s te nemen. Dit is de zogenaamde risico-regelreflex, een belangrijke pijler van de kabinetten Rutte. En die komt hier op neer: We zeggen het wel, we schreeuwen moord en brand, maar eigenlijk willen we dus helemaal geen overheid die alle risico’s voor ons afdekt. En het is ook veel te duur.

Je moet de taal van het kabinet spreken om te begrijpen wat er gebeurt. Bekijk het eens van een afstandje: Media zetten gedurende de hele crisis al in op het knellen van de maatregelen, niet op de gevolgen van het virus. De horeca protesteert! De evenementenbranche gaat kapot! Scholen willen openblijven! Mensen worden depressief! Het gaat slecht met de studenten! Iedere dag weer lezen we in de krant hoe moeilijk die maatregelen zijn. En overal waar de maatregelen knellen, geeft het kabinet antwoord. Iedere keer weer. Vele analyses lieten al zien: het kabinet geeft gehoor aan de grootste lobby’s. Je kan dat schandelijk vinden, maar het kabinet is helder over die strategie. “Acceptabele risico’s” die “niet gratis” zijn. Dat zegt Rutte herhaaldelijk en letterlijk in de persconferenties over het coronabeleid.

Leven met het virus

We kiezen voor een strategie die niet kijkt naar het aantal ziekte- en sterfgevallen: dat is, zoals Rutte dat benoemt, “restrisico”. ‘Leven met het virus’, dát is zowel strategie als doel. Het kabinet maakt er geen geheim van. Om te kunnen leven met het virus, moeten we bereid zijn enorm veel risico te accepteren. Het is een strategie die in de eerste plaats de samenleving zo min mogelijk belemmert, wat enkel mogelijk is als we risico’s maximaal accepteren. Pas als de druk op de IC’s zó hoog wordt dat geen zorg meer verleend kan worden, grijpen we in. Dat gebeurt als er teveel ‘kwetsbaren’ tegelijk besmet raken. Dan moeten we ze beschermen. Niet voor hun welzijn en gezondheid – zoals we dat plachten te interpreteren – maar omdat ze het de maatschappij anders beletten te functioneren.

Regeren is vooruitzien? Dat doen ze prima. Zij redeneren niet vanuit het verlies van mensenlevens en gezondheidsschade. Dat zijn restrisico’s. Zij redeneren vanuit het kosten-batenplaatje. Risico-acceptatie: Zo min mogelijk ingrijpen om kosten te besparen. Helemaal niet ingrijpen legt teveel belasting op de zorg. Hoe kan je de samenleving dan zo min mogelijk beperkingen opleggen, zolang de IC’s niet overstromen? Door de kwetsbaren te ‘beschermen’ zodra de IC capaciteit overschreden is. Om deze redenering makkelijk te begrijpen, moet je gewoon het rijtje doelstellingen van het kabinet omdraaien, zodat het in chronologische volgorde staat: de samenleving zo min mogelijk belemmeren, door de kwetsbaren te beschermen zodra we zien dat het de zorg het niet meer aankan.



Risicodraagvlak

Het onszelf laten regelen, kost minder geld. We investeren niets in preventie. Kosten-baten. Daarom hebben we nog altijd niet genoeg testcapaciteit, niet voldoende BCO capaciteit en gaan we dat ook niet oplossen. Bij veel besmettingen zou je een enorm leger aan BCO medewerkers nodig hebben om de bron van besmettingen te herleiden: maar wat heeft het voor zin? We zouden de hele bevolking, of tenminste de kwetsbaren, een FFP2 masker kunnen geven. Sneltests gratis beschikbaar maken, we willen toch graag dat mensen zich testen? Investeren in ventilatie? Co2-meters? Hepa filters? Nee, nee, nee. Als we risico’s accepteren, is dat gewoon veel te duur. Wij laten corona razen tot een punt waarop de overheid echt niet anders kan dan ingrijpen. Dan krijgen we zoiets als een slappe ‘intelligente’ lockdown. Wij noemen het wel dom, maar we accepteren het wel gewoon. En het lullige is: ze hebben gelijk. Iedere ruimte die zij bieden, nemen wij. Mensen zijn inderdaad bereid die risico’s te accepteren. Rutte gaat ons geen dingen verbieden. Hij is geen schoolmeester die ons vertelt wat we moeten doen. Het blijft bij adviezen. Of dríngende adviezen. We zijn toch allemaal volwassen? We hebben een eigen verantwoordelijkheid. En inderdaad, we laten goed zien welke verantwoordelijkheid we voor elkaar willen dragen. We willen het zelf zo. Als het mag, gaan we er gewoon op uit.

We zijn dus inderdaad bereid de risico’s te accepteren. Komt er veel druk en lobby vanuit de horeca? Ook al zijn er veel besmettingen? Staat het iedere dag in de kranten? Dan is dát het risico wat we willen nemen. Leidt het tot een acuut probleem in de zorg? Nee? Dan hoort dit bij ‘de samenleving zo min mogelijk belemmeren’. Gaan we vervolgens inderdaad massaal op horecabezoek? Nou. Dan klopt het toch? Waar hoor je nu nog de verhalen over het vreselijke leed dat het virus zelf veroorzaakt? De doden, de rouw, mensen die langdurig ziek zijn, mensen die na een IC opname langdurig moeten herstellen, zowel mentaal als fysiek. Mensen die helemaal in de knel zitten omdat familieleden zijn weggevallen en bijvoorbeeld nu hun huis uit moeten? De wezen die het in deze crisis zelf moeten uitzoeken? De drama’s die zich in sommige verpleeghuizen nog altijd voordoen? We horen ze niet. Het is er niet. Alleen de knellende maatregelen zijn er. Wanneer kunnen we dáár van af? Dát is het draagvlak waar het kabinet op reageert. Het risicodraagvlak.

Maximale risico-acceptatie

Ik herhaal het nog maar eens in andere woorden: Er is, zo is gebleken, enorm veel draagvlak voor risico’s. Er is heel weinig aandacht voor de schade aan onze gezondheid en rouw. Het kabinet draait de kraan gewoon steeds een heel klein beetje dicht, nèt genoeg om de IC’s niet volledig te overspoelen. Moeten we onze zieken naar Duitsland brengen? Ook goed. Thuis laten sterven? Prima. Komt er protest tegen beperkende maatregelen? Graag zo snel mogelijk weer open. Kijk maar naar de scholen. Die lobby was zeer effectief: iedereen is er nu wel van overtuigd dat de scholen open moeten blijven, ook al jagen ze de epidemie aan en verliezen we daardoor vele levensjaren. We accepteren dat risico, zodat de scholen onbelemmerd open kunnen blijven. Maar waarom dan helemaal geen maatregelen in scholen? Gewoon. Omdat we dat accepteren. Hoe minder maatregelen voor kinderen, hoe minder we er stil bij staan dat zij misschien ook risico lopen. Maken we ons zorgen over de gezondheid van onze kinderen? Dan houden we ze massaal thuis, of we eisen een mondneusmasker in de school, of iets dergelijks. Maar dat doen we niet, en dus komt het er niet.

Het is niet zo moeilijk deze strategie te doorgronden. Zolang het niet strikt noodzakelijk is, grijpt het kabinet niet in. Dat staat namelijk in de weg van maximale risico-acceptatie. Als je kinderen met mondneusmasker naar school laat gaan bijvoorbeeld, is dat een duidelijke herinnering, iedere dag weer, dat zij risico lopen. Dat willen we niet. Het mondneusmasker herinnert ons iedere keer weer aan de risico’s, ieder moment dat je het draagt. En dat is het tegenovergestelde effect van wat het kabinet wil bereiken. Hoe meer je bezig bent met de risico’s, hoe groter de kans dat je ze niet meer accepteert.

Ieder voor zich

Waarom risico-acceptatie niet werkt, zien we niet alleen terug in de gezondheidsschade voor de samenleving, maar ook in de ontwrichting van de maatschappij. Het is een grote strijd tussen mensen die veel of alle risico’s willen accepteren (voor zichzelf en voor anderen) en mensen die risico’s willen mijden (voor zichzelf en voor anderen). Een beleid dat steeds inzet op de maximale risico’s die mensen willen nemen, geeft ook het signaal af dat het goed is deze risico’s te nemen. Want wij Nederlanders interpreteren dit anders. Het kabinet zal heus wel weten wat het doet. Als er geen voorzorgsmaatregelen getroffen worden op school, zal dat inderdaad weinig risico’s opleveren. De overheid heeft, in onze ogen, het beste met ons voor. Veel mensen denken dan ook niet eens na over de risico’s, ze volgen gewoon. En de mensen die zich wel realiseren dat er een risico is, wegen voor zichzelf af of ze dat risico wel moeten nemen. Daar zit wel de valkuil van het beleid: In werkelijkheid heb je helemaal geen keuze. Als je leerplichtig bent, moet je naar school. Als je je huur of hypotheek moet betalen, moet je naar je werk. Het accepteren van dat risico, doen we vaak in een fractie van een seconde. De wet volgen of in je levensonderhoud voorzien gaat boven een onduidelijk gezondheidsrisico.

Je kunt niet op de ene plek hetzelfde risico wèl en op de andere plek hetzelfde risico níet nemen. Je zou dan de hele dag bewust bezig moeten zijn om risico’s af te wegen. En die risico’s gelden vaak niet eens voor jezelf, maar voor ‘de samenleving’, waarvan je maar moeilijk kan bepalen wat je rol daarin is en wat de consequenties zijn van de risico’s die jij neemt. Geen enkel individu overziet de kettingreactie aan consequenties van zijn of haar gedrag. Je ziet dat anderen ook risico’s nemen. Ben jij dan nu de enige die het lot van de hele samenleving moet gaan overwegen en risico’s af moet dekken? Dat heeft weinig zin. Het is ieder voor zich. En dat is logisch.

Zijn de risico’s wel acceptabel?

Ook nu de situatie rond corona zo penibel lijkt, gaat het niet over de risico’s die wij lopen. De discussies gaan om ‘de zorg’. Wat ‘de zorg’ aankan. Dat ligt eraan hoe je het bekijkt. Er zijn nog genoeg IC bedden om de ernstig zieken te verzorgen, als je alle andere zorg afschaalt. Dat levert gezondheidsschade op, zowel van covid als van andere aandoeningen. Maar niemand zegt: die gezondheidsschade accepteren we niet meer. We zitten vooral in onze maag met de maatregelen. De media concentreren zich, nu in het debat rond 2G, nog altijd op het effect van de maatregelen. De gevolgen voor onze gezondheid, de rouw, de trauma’s, ze blijven buiten beeld. Als de kranten vol zouden staan met de ellende die het virus zelf veroorzaakt, is dat een kentering van het ‘draagvlak’. Geen acceptabel risico. En dit is goed om te onthouden. We staan namelijk op het punt belangrijke grondrechten op te geven, voor een beleid dat de pandemie en de gezondheidsschade niet gaat beëindigen.

Hou je de ellende en gevolgen buiten beeld en blijven we maar discussiëren over de maatregelen, dan blijft het beleid precies zoals het was. Als je dat wil veranderen, verander je het narratief: We accepteren het risico op gezondheidsschade niet meer. Niet voor de ‘kwetsbaren’, niet voor onszelf als ook de reguliere zorg weer moet worden afgeschaald, niet voor onze kinderen. Neem de maatregelen die dat voorkomen. Laat het kabinet overstappen op een beleid waarin we die risico’s zoveel mogelijk beperken.

De overheid beschermt ons

Laten we wel wezen: de meeste mensen vertrouwen erop dat de overheid er is om ons te beschermen. We geloven dat zo heel sterk, dat we als een stel automaten reageren op die maatregelen. Dat wil helemaal niet zeggen dat we die risico’s ook echt accepteren. We geloven dat de overheid die risico’s optimaal afdekt, waarbij ons welzijn en onze gezondheid ertoe doen. En dat is, waar wij de overheid niet begrijpen. Wij willen dat de overheid het doet, de overheid vindt dat we dat zelf maar moeten doen. Als morgen niemand meer naar school of werk wil, de restaurants leeg blijven, niemand meer naar een evenement gaat en we blijven zoveel mogelijk thuis, geven we de overheid aan dat we niet bereid zijn de risico’s te accepteren. Dat stukje ‘eigen verantwoordelijkheid’. Daar geven we blijkbaar mee af wat ons draagvlak is om risico’s te accepteren. De media verwoorden dat voor ons. Het is tijd om dat duidelijk te laten horen.

Natuurlijk is het onredelijk om al die eigen verantwoordelijkheid te vragen. We hebben namelijk echt heel beperkt invloed op het gedrag van onze medeburgers. Onze kinderen moeten volgens de wet naar school, de werkgever kan je dwingen naar je werkplek te komen en ga zo maar door. We kunnen onszelf helemaal niet beschermen. Ook al zouden we daar hele dagen heel bewust mee bezig zijn. Vele Nederlanders hebben al uitgesproken vaak het gevoel te hebben dat we een ‘wappie-overheid’ hebben. Het lijkt wel alsof de overheid zèlf dat virus niet serieus neemt. Niet verbazend misschien dat de belangrijkste bijdrage aan de risico-acceptatie benadering van het kabinet afkomstig is van Ira Helsloot, één van de initiatiefnemers van het omstreden Herstel NL en het Artsencollectief. In zijn woorden: “Onderzoek laat structureel zien dat de gewone Nederlander veel meer pech accepteert dan de elite denkt.” En die visie baseert Helsloot op …. literatuuronderzoek. Van Helsloot hebben we gedurende deze crisis vaker gezien dat hij cijfers en data uit de hoge hoed tovert, ze verdraait en soms zelfs bewust verkeerd interpreteert om zijn visie te verkopen. Dat is goed om in het achterhoofd te houden, want we leven momenteel met de gevolgen van die ‘inzichten’.

Brave burgers

Resumerend: We zijn niet met de crisis bezig. Niet met hoe het uitpakt in de maatschappij. We proberen de literatuuranalyse van Helsloot in de praktijk uit. Een kosten-batenbeleid. Hoeveel risico’s kan je de gewone Nederlander laten accepteren en zo min mogelijk kosten maken? Dit is een systeem waarin je hard voor jezelf moet opkomen. Het zet de samenleving op scherp en speelt mensen tegen elkaar uit. Het is wat leidt tot het constant uitruilen van vrijheden. Wie het hardst roept, wordt bediend. Het past bij de verdeel en heers strategie van Rutte. Daar kan je van alles van vinden, maar zolang de Tweede Kamer dit niet stopt, blijft het wat het is.

Het lijdzaam volgen van richtlijnen die niet bindend zijn, is snijden in je eigen vlees. Je wordt niet beloond voor je volgzaamheid, maar vanzelfsprekend genomen vanwege je risico-acceptatie. Zolang de zorg niet zegt: stop, zolang het onderwijs niet zegt: genoeg is genoeg, zolang werkgevers hun werknemers dwingen (al dan niet met klachten) naar de werkplek te komen, zolang ouders hun kinderen naar school blijven sturen, doen we er allemaal aan mee. Omdat we eigenlijk hele brave burgers zijn. Maar helaas, dat is nou juist níet wat er van je wordt verwacht. Wat er van iedereen verwacht wordt – van politieke partij, tot sector, tot koepel, tot vakbond, tot werkgever, tot schoolleider, tot ouder, tot burger – is te laten zien welke risico’s je wél en welke risico je níet bereid bent te accepteren.

Conclusie

Het is mijn stelling dat dit beleid nooit zal werken. We zijn bezig met “uitsmeren” en “tijd kopen”. Tot wat precies? Een 2G beleid werkt niet met de huidige vaccins. Je kan mensen niet voor onbepaalde tijd toegang tot het maatschappelijk leven ontzeggen en maar blijven boosteren. Landen die geen toegang hebben tot vaccins komen zo helemaal nooit meer aan de beurt en wij houden de deur open voor (het ontstaan of importeren van) nieuwe varianten. Gevaccineerden raken ook besmet (zij het minder makkelijk) en er komen nog steeds gevaccineerden in de ziekenhuizen terecht. Als het er maar genoeg zijn, wordt de zorg onherroepelijk weer overspoeld. Wanneer gaat de zorg dan eindelijk weer eens normaal draaien? Lockdowns werken ook niet, want na zo’n kwakkellockdown gaan we gewoon weer door met dit beleid en zit je na lange maanden kwakkelen alweer in dezelfde penarie. De vraag is dan ook: Hoe kan het demissionaire kabinet haar ideologie van risico-acceptatie samenvoegen met haar taak en verplichting de volksgezondheid te beschermen? Want dit is waar het iedere keer vastloopt. Het leidt onherroepelijk tot tweedeling en ontwrichting van de maatschappij, met ernstige gevolgen op korte en lange termijn. Mijn antwoord is: Niets zal werken in Nederland, zolang het kabinet niet inziet dat juist het accepteren van risico’s de volksgezondheid schaadt.

Meer over risico-acceptatie:
COVID-19: Expertvisies op de gevolgen voor samenleving en beleid – Ira Helsloot – WRR/KNAW

Regulering, toezicht en risico-regelreflex – Ministerie van Binnenlandse Zaken

Omgaan met de risico-regelreflex – Rijksoverheid

Krachten rond de risico-regelreflex – Crisisbeheersing en Veiligheidszorg – Helsloot/Ministerie van Binnenlandse Zaken

Kennisdocument BurgerBetrokkenheid bij Veiligheidsbeleid – Helsloot & Schmidt/Rijksoverheid

Omgaan met risico’s door de jaren heen: Bewust omgaan met veiligheid – Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Los van de risico-regelreflex – Wallage, Jorritsma, Gerritsen, Helsloot, Chavannes/Rijksoverheid

Opnieuw Bruggen Bouwen: Hoe gedrag de coronapandemie beïnvloedt – Mooy, Over, Roex

Geen leerachterstand maar een leefachterstand

Geen leerachterstand maar een leefachterstand

In de Volkskrant verscheen in de wintergolf van vorig jaar een ingezonden brief van scholiere Elze van Houtum. De brief greep me, omdat het me zo bekend voorkwam van alle verhalen van kinderen en jongeren die ik tijdens de pandemie heb meegemaakt. Ja, sommige kinderen hadden het alleen maar over de behoefte om naar school te gaan. Maar de meeste kinderen hadden moeite met leven. Of zoals Elze het zo treffend omschrijft: hun ‘leefachterstand’.

“Je helpt ons niet. Nee Slob, We zullen niet rekenen op blijven zitten. Corona geeft ons niet een leerachterstand, het geeft ons een leefachterstand. We zijn niet oké. Ook niet als onze cijfers dat wel zijn.”

Elze van Houtum in De Volkskrant

Elze’s brief zou wat mij betreft levensgroot op alle voorpagina’s van alle kranten afgedrukt mogen worden. Iedere dag weer, totdat we ons weer herinneren wat het is om kind te zijn. Luister nou toch eens, papa’s en mama’s, met je gedram over leren en studeren. Dat constante gepush dat ze moeten presteren, zelfs tijdens zo’n megantische* crisis. Kinderen willen helemaal niet alléén maar naar school. Ze maken zich zorgen. Ze missen hun mijlpalen. Hun schoolreisjes, excursies en uitwisselingen. Al die bijzondere gebeurtenissen die het leven levenswaardig maken. Ze missen een onbezorgde omgang met opa en oma. Leefachterstand. Het woord mag, moet, zál vandaag nog in de Dikke van Dale. Laat het bestaan. In godsnaam.

Human capital

Human Capital: De opvatting dat onderwijs een investering is in mensen en dat mensen hierdoor meer waard zijn, dat wil zeggen: nuttiger zijn voor de maatschappij.

Natuurlijk is het helemaal niet eerlijk om dit aan de ouders op te hangen. Veel ouders maken zich hartstikke zorgen, of zitten al sinds het begin van de pandemie in een onmogelijke spagaat. Veel ouders zijn bezorgd over de leefachterstand die ze zien bij hun kinderen. Ze komen gewoon niet aan het woord. Vooraan staan de ouders die maar blijven drammen dat school het beste is voor alle kinderen, ook tijdens een pandemie. Aangevoerd door sommige media, die tijdens de hoogste pieken van deze crisis er hun levenswerk van lijken te hebben gemaakt om die kinderen dat schoolgebouw in te schríjven. Werkelijk iedere dag verschenen er alarmerende berichten met schreeuwende koppen over de levenslange schade die leerachterstand heet. Dat komt aan bij ons ouders natuurlijk.

Dit is een harde maatschappij. We overleven door constant maar weer te presteren. Als je niet presteert, eindig je onderaan de voedselketen. Dat willen we onze kinderen niet aandoen. Wij zijn human capital, we voeden onze kinderen op tot human capital. En daar zijn we op te pakken.

Leerachterstanden hebben vooral te maken met de malle molen van de human capital fabriek. Kinderen moeten worden klaargestoomd voor de arbeidsmarkt. Ieder jaar dat zij vertraging oplopen, kost geld of levert praktische problemen op. 

Het algemene praatje zit nu al vastgeroest in ons repertoire: natuurlijk wil niemand de scholen dicht, leren op school is het allerbeste voor kinderen, door de scholen te sluiten laten we kinderen opdraaien voor het onvoorzichtige gedrag van volwassenen, school is dé veilige haven voor kinderen, daarom gaan de scholen als laatste dicht en als eerste weer open. Het is een soort mantra. En we herhalen dit allemaal klakkeloos. Want als je dit zegt, ben je goed voor je kind. Zo. Daar heeft de overheid ons maar mooi waar het ons hebben wil. Het gaat onze beleidsmakers trouwens helemaal niet om het welzijn van het individuele kind, staat gewoon in hun beleidsdocumenten, maar wat maakt ‘t uit. De overheid heeft het beste met ons voor en als dat het behoud en de opbouw van human capital is, is dat zo. Even letterlijk dan, in hun eigen woorden, waarom willen ze geen maatregelen op scholen? Hierom:


Uit: Effect maatregelenscenario’s economie van de Rijksoverheid

Ontmenselijking

Ik weet, als je kritiek wil uiten moet dat genuanceerd, enigszins binnen de heersende opinie van het moment, in diplomatieke bewoording en slinger vooral geen schuld. Door iedere harde kritiek weg te zetten als populisme, hebben we mooi een situatie gecreëerd waarin de overheid echt met álles wegkomt. En dan klagen we wel dat ze overal mee wegkomen, maar de harde kritiek is dan vervolgens weer ‘ach, populisme’. De populisten rennen er hardlachend mee weg. Mensen die echt zat hebben van alle leugens, dat het er echt duimendik bovenop ligt en iedereen dan nog steeds doet alsof het waar is omdat we anders als ‘ach, populistisch’ gezien worden, natuurlijk rennen er steeds meer mensen richting die populisten. Al dat redelijk doen is een wurggreep geworden waar we met z’n allen nu in stroomversnelling aan ten onder gaan. Dit behoeft geen diplomatie en redelijke argumenten (vooruit wie ze wil, ik schreef het hier en hier en hier en hier), dit vraagt om een botte bijl en duidelijke taal. Dan maar ‘populistisch’.

Want wat een ranzige smerigheid om te doen alsof we kinderen zo beschermen tegen schade aan hun welzijn. Waar we nu mee bezig zijn is een weerzinwekkende ontmenselijking van het kind. Het kind hoeft blijkbaar niet te leven. Geen feestjes, geen uitjes, geen sint, geen kerst, geen schoolreisjes, geen mijlpalen. Het kind moet doen wat echt belangrijk is voor een mens: theoretische kennis absorberen. Dan maar een paar jaar niet naar opa en oma. We moeten niet net doen alsof die al aan hun laatste levensfase begonnen zijn. Die zien we over een paar jaar wel weer. De cognitieve machine waar leerstof in gepompt moet worden, volgt een strikt tijdspad, waar geen seconde van mag worden afgeweken. Niet, nooit, nimmer. Nou. Hier is een oplossing voor de basisscholen: Maak een einde aan de d/dt regel en je hebt zo vele weken lucht gecreëerd om achterstanden weg te werken. De pandemie levert ons veel nieuwe woorden en uitdrukkingen op, dan kan er ook wel wat ingeleverd worden. Doe niet zo moeilijk.

Het kalf is al verdronken

Over de Nederlandse taal gesproken, we hebben een prachtige uitdrukking waarmee je deze strategie mooi kunt samenvatten. ‘Als het kalf verdronken is, dempt men de put’. Maatregelen nemen als het al te laat is. De scholen sluiten als de zorg al is bezweken is het paard achter de wagen spannen. De scholen als laatste sluiten, och het bekt zo lekker; we doen álles kinderen te ontzien. Maar het is exact wat ons continu in deze problemen brengt. En dat ze uiteindelijk toch weer dichtmoeten, dat kan je op je tien vingers natellen.

We kunnen er tigduizend onderzoeken en metingen op loslaten, tot welke decimaal nauwkeurig zijn kinderen besmettelijk? Alle klinkklare onzin die ‘de’ wetenschap uit de hoge hoed tovert om het maar te maskeren dat de scholen het probleem zijn. Van ‘jongeren raken besmet op de fiets’ tot ‘kinderen besmetten vooral ongevaccineerden’. Van ‘kinderen verspreiden nauwelijks’ tot ‘kinderen dragen bij aan verspreiding, natuurlijk wisten we dat, maar ze zijn niet de motor achter de pandemie, dus is hun rol in verwaarloosbaar’. Natuurlijk willen we dat geloven. Koppel het constant maar weer aan die leerachterstanden, wijdverbreide kindermishandeling en het onverantwoordelijke gedrag van volwassenen en we hebben aan deze leugens genoeg om ons er niet tegen te verzetten. Maar het zijn leugens. Absolute leugens. Niks voortschrijdend inzicht.

Het patroon is gedurende de hele pandemie al hetzelfde. En het is GEEN raketwetenschap. Ieder klein kind op deze wereld kan deze dynamiek prima begrijpen. Het verspreidingspatroon is eenvoudig: overal waar grote groepen mensen bij elkaar komen, verspreidt het virus zich sneller, namelijk via clusters. De groep die op welk bepaald moment van het jaar de meeste sociale contacten heeft, is de motor van de epidemie. We nemen steeds de zomer als startpunt. Prima. In de zomer zijn het de jongvolwassenen. In de rest van de samenleving verspreidt het zich ook, maar zonder die versneller die we clusterverspreiding noemen. Na de zomervakantie nemen een aantal kinderen die besmettingen mee naar school en daar gaat het de school in, de school uit, de school in, de school uit, totdat er binnen of rond de scholen clusters ontstaan.

Je kunt van alles sluiten, maar het blijft rondgaan onder die kinderen. Die nemen het weer mee naar huis, waarvandaan het meegaat naar de werkplek, naar de mantelzorg, naar de grootouders, naar de rest van de samenleving. Die dynamiek doorbreek je alleen als je de verspreiding onder kinderen doorbreekt. En uiteindelijk moet dat ook. Iedere keer weer. Dat weet je van tevoren. Als je de scholen als laatste sluit, weet je dat we heel erg lang met maatregelen zitten in een poging om het in de rest van de samenleving wat te dempen. Het werkt niet. Hoe besmettelijker de variant, hoe moeilijker deze strategie. En ik herhaal, zie ik mijn glazen bol, uiteindelijk moet je die scholen tóch weer sluiten. Alleen dan nadat alles en iedereen al heel veel schade heeft opgelopen. Er vele mensenlevens zijn verloren. En ja, onze kinderen alweer heel wat streepjes bij hebben kunnen turven aan hun leefachterstand. Het is kwalijk en naar en het schaadt ons allemaal. In het bijzonder onze kinderen.

Kudde-immuniteit

Overigens is het absurd dat we steeds maar weer uitkomen op het punt dat de scholen gesloten moeten worden. Bijna overal ter wereld, op echt slechts een paar landen na, worden voorzorgsmaatregelen getroffen op scholen. Weinig verspreiding -> wat voorzorg, veel vespreiding -> veel voorzorg. Maar dan moet je taboes laten varen. De snottebel blijft thuis. Kinderen worden getest. Kan tegenwoordig met een lollytest, dus niet zo moeilijk doen. Voor kinderen gelden dezelfde quarantaineregels als voor iedereen. En als we zien dat de besmettingsgraad omhooggaat, dragen de kinderen een mondneusmasker op school. We geven die klaslokalen uitstekende ventilatie. We laten de kinderen vaker buitenspelen, zodat de lokalen gelucht kunnen worden. En brrr, hoooo, kinderen een mondneusmasker, zelfs de kleinsten? Ja. Doen ze op heel, heel veel plekken wereldwijd. Kunnen ze al anderhalf jaar. Er zijn nul berichten van vreselijke psychische schade, besmettingen via dat masker, onderdrukking of wat dan ook. Wel berichten dat daar waar ze er heel verstandig en strikt mee omgaan, er niet zulke hysterische noodtoestanden zijn als hier, dat scholen niet dichthoeven en dat kinderen slechts af en toe met lockdown-achtige maatregelen worden geconfronteerd.

In al onze superioriteit zijn we totaal inferieur aan de rest van de wereld gebleken. Daar waar ze zich aanpassen en doen wat ze moeten doen, gaat het beter. Ja, zelfs in dat ‘achterlijke’ Afrika. Heet ervaring ofzo, dat wat ze leren in het echte leven. Kunnen ze dan wel een ‘leerachterstand’ hebben vergeleken met ons, op heel veel andere vlakken zijn ze echt vele malen slimmer dan wij. En medemenselijker ook. Daar was kudde-immuniteit nooit een optie. En dat is waar wij nu mee bezig zijn. Onze kinderen immuun maken. Tegen alles en beter weten in. Onze kinderen komen deze pandemie immuun en zonder leerachterstand door, maar ten koste van wat? Hun menselijkheid? Hun ontwikkeling tot mens en hun leven?

Om met de woorden van Elze af te sluiten: Onze kinderen zijn moe. Geef ze leven. Niet door dat virus te laten gaan, maar door het de kinderen niet steeds te laten verspreiden totdat werkelijk alles vastloopt.

Ik hoef niet te stressen over mijn cijfers, maar ik stress wel. Ik kan niet meer. Je kan niet van ons verwachten dat onze spanningsboog, onze motivatie en onze leerlust hetzelfde is als een jaar geleden. Want het afgelopen jaar is het meest stressvolle jaar van mijn leven geweest. Het meest stressvolle jaar van al onze levens. Want naast de angst voor het verliezen van onze familieleden, de constante spanning van wel of niet naar school mogen, om de maand nieuwe maatregelen moeten toepassen op onze chaotische levens en dagelijks strugglen met jezelf achter die computer zetten, hebben we ook geen outlet gehad. We hebben niet gesport zoals we altijd deden. Niet gepraat en gefeest. We hebben die verdriedubbelde stress van ons ‘corona-examenjaar’ opgekropt in onze door hormonen overstroomde hoofden. We zijn moe.

Elze van Houtum in de Volkskrant



Voetnoot:
Van eind 2006 t/m 2014 deed ik in Sierra Leone onderzoek naar de herintegratie van voormalig kindsoldaten (en andere onderwerpen, dit was hoofdonderwerp). In die zelfde periode draaide ik een scholings- en vaardighedenproject voor ex-kindsoldaten en onderzocht de ontwikkelingen. Uit 1e deel van mijn onderzoek bleek nl dat problemen met herintegratie van voormalig kindsoldaten zonder uitzondering op 1. gemis aan zorgende ouder 2. terugkeer naar oude gemeenschap niet mogelijk en 3. gebrek aan onderwijs/vaardigheden waren. 
Voor alle moeilijkheden probeerden we een oplossing te zoeken in NGO verband. Scholings- en vaardigheidsprojecten moesten ex-kindsoldaten helpen weer terug te keren naar de maatschappij, dat was ook hun diepste wens. Ik deelde ze in in een aantal groepen > 1. een deel kreeg alleen praktische ondersteuning 2. een deel kreeg deels financiële ondersteuning 3. een deel kreeg volledige financiële ondersteuning (ook voor onderdak, voeding etc). Uiteindelijk deed groep 1 het het beste. Waarom? De andere 2 groepen kregen eindelijk een  vangnet waardoor zij eerst andere gemiste ontwikkelingen door moesten maken. Banden met sociale omgeving, status opbouwen, uitgaan, jong zijn, onverantwoordelijk zijn, verliefd worden, etc, etc. etc. In mijn onderzoek verlegde ik focus op ontwikkelingsinterferenties. 
Vrijwel zonder uitzondering hadden deze ex-kindsoldaten gewoon tijd nodig om op andere vlakken hun leven weer op poten te zetten, en andere ontwikkelingen door te maken, voordat zij zich konden toeleggen op het aanleren van theoretische kennis of praktische vaardigheden.  Bijna allemaal zijn ze inmiddels goed terechtgekomen en de stichting heeft zich daarom opgeheven, doel bereikt. Is onderwijs belangrijk voor kinderen? Ik zeg volmondig JA. Het is heel belangrijk. Maar er is meer belangrijk dan tegen alles in doorgaan met fysiek onderwijs. Kinderen hebben gevoelens, twijfels, angsten en behoeften tot ontwikkelen buiten onderwijs om. Kinderen hebben in de eerste plaats hun ouders nodig voor dat veilige vangnet en een functionerende maatschappij. Wat mij altijd zo greep in Sierra Leone was de uitspraak van kindsoldaten: zelfs in de bush speelden we, ieder moment dat dat mogelijk was. Dat is goed om te onthouden.
Liminaliteit. Tussen het oude, en het nieuwe normaal.

Liminaliteit. Tussen het oude, en het nieuwe normaal.

Overdonderd. Verbijsterd. Murw. Vertwijfeld. Zoveel vragen, geen antwoorden. Bij mij, althans. De persconferentie, de talkshows, de sociale media, alles kakelt door elkaar heen. Sterke meningen. Iedereen houdt vast aan zijn eigen ideeën. Zoveel stelligheid. Ik begrijp het niet meer. In een kwartiertje persconferentie ben ik, merk ik, in één klap buiten de samenleving komen te staan. Ik weet niet zoveel als jullie. Iedereen heeft gelijk. Niemand heeft gelijk. Voor alle meningen is iets te zeggen. Als je het bekijkt vanuit al die verschillende perspectieven. Dat is wat deze situatie intens moeilijk maakt. Zoveel onzekerheid. Zoveel chaos. En in zo’n hele grote wirwar aan emoties, meningen, belangen en bedreigingen die als een klem over de samenleving heen liggen, zou je een leider willen zien die de gemoederen bedaart. Die mededogen toont. Menselijkheid. Compassie. En toch ook redelijkheid en daadkracht. Je zou een leider willen zien waarvan je weet: die overziet de boel. Hij heeft het kompas. Hij weet waar we heengaan. Welke gevaren we onderweg tegenkomen. We komen hoe dan ook thuis.

Hoe ze het doen, ik weet het niet, maar wij hebben leiders die de verwarring niet alleen niet weten weg te nemen, ze zwengelen het aan. Niks mededogen en compassie. De wijzende vinger naar ons, wij leven de maatregelen niet goed na. En de gesloten houding, armen over elkaar, op onze kritiek over hen.

Ik heb dat gevoel wel vaker bij dit duo. Dat echt niets van wat wij doen of zeggen bij hen aankomt. Je kan moord en brand schreeuwen, deze twee horen het niet eens. Ze zitten vast in hun eigen agenda. Ze maakten zulke vreselijke fouten, maar nooit komt de reflectie. Je mag ze er niet eens op aanspreken. Dan staan ze verongelijkt, armen over elkaar, laatdunkend te gnuiven. Wij zien het verkeerd. Zij doen alles goed en wij niet. En omdat wij het niet goed doen, moeten zij nu weer maatregelen nemen. Of we even een tandje bij willen zetten met ons gedrag. En de voorlichtingstaken van VWS over willen nemen, want nu moeten wij zelf mensen maar gaan overtuigen van die prik.

Dat opdringen van die vaccins, het werkt averechts. Mensen die vanuit een bepaalde overtuiging echt niet willen vaccineren en kunnen weigeren, die haal je hier niet mee over de streep. Het zijn vooral de jonge mensen die zullen toegeven. Een generatie die we leren dat je vaccineert om naar de bioscoop te kunnen of naar een café, of misschien binnenkort zelfs wel om naar school of werk te kunnen. Ik vraag me af hoe handig dat is. Gerede kans dat je een generatie creëert die straks met een grote boog om het rijksvaccinatieprogramma heenloopt. Dan heb je meer verloren dan je hebt gewonnen. En voor wat? Hoe zinvol is een systeem waarbij we 100% leunen op vaccins, die je constant moet blijven boosten? Daar geven we voor onbepaalde tijd hele belangrijke rechten voor op. Zo, pats boem, in een kwartiertje persconferentie. Alsof het niets is.

Toch die tweesporensamenleving. Of eigenlijk zijn het er meer. Want naast de mensen die de prik weigeren, zijn er de mensen die die prik helemaal niet kunnen nemen. Of bij wie die prik gewoon niet voldoende bescherming biedt. Van Dissel schatte hun aantal op zo’n 700.000. Zevenhonderdduizend mensen die al anderhalf jaar geïsoleerd zijn van de samenleving. Mensen die niet eens genoemd worden. We vergeten voor het gemak maar even dat ze bestaan. “Nou ja eh, je kan niet de hele samenleving stilleggen voor die 700.000 mensen,” is een veelgehoord argument. Zo even uit de heup geschoten. En dan de verpleeghuizen. Dat blijft een plek waar dat virus huishoudt, wat je ook doet. Zolang er transmissie is, blijft het een zwakke plek. Ach. Het is niet anders. Het is niet anders, het kan niet anders, verder niet over nadenken. Of handelen. We doen gewoon of het niet bestaat. Mensen met hartfalen, diabetes type I, die bepaalde medische behandelingen krijgen waardoor het immuunsysteem niet goed werkt.

2G is de oplossing die de overheid het beste uitkomt en dus komt het er. Punt. En intussen komen er wat maatregelen. Waar ze vandaan komen of waar ze op zijn gebaseerd? Voor mij lijken ze uit de lucht te komen vallen. Hoe het uitkomt in het Catshuis, zeg maar. We moeten iets doen, wat dacht je van de theaters? Teveel ophef, doen we gewoon de horeca, daar kunnen nog wel wat faillissementen vallen, dus huppakee. Ze doen maar wat. En wie er doodgaat, gaat dood. Het wordt niet eens genoemd. Als je een lange lijst met totaal verwarrende maatregelen met een ernstig gezicht oplepelt, dan voelen ze tenminste zwaar, zal Rutte gedacht hebben. Niet voor het virus. Explosieve groei zagen ze al op zoveel plekken. Hele huishoudens raakten besmet in India, Indonesië, Tibet, de VS. De kroegdeur gaat dicht, de schooldeur blijft wagenwijd open. Delta vindt ze feilloos en snel, die vatbaren. Maar ach, dat was natuurlijk niet in Nederland.

Dus verbaasd. Verward. Perplex ook. Op geen enkele manier heb ik in dit beleid een poging gezien om de samenleving aan elkaar te lijmen. Het begon met het beschermende muurtje, dat mensen gewoon buitensloot, ook al willen we net doen alsof we het met z’n allen deden. Het is niet waar. En ook nu kunnen we enkel oplossingen bedenken, waar we mensen mee buiten de samenleving plaatsen. Dat vinden we niet erg, want daar hebben die mensen het zelf naar gemaakt, hoor ik vaak. Zij wilden mensen met een verhoogd risico op ernstig covid opsluiten, nu weten ze hoe het voelt. Kan ik me voorstellen, die reactie. Maar uiteindelijk zijn we toch één samenleving. En dat burgers deze sentimenten over elkaar voelen, natuurlijk. Dan kijken we op naar onze leiders, om daar rust en rede in aan te brengen. Om iedereen te beschermen, tegen elkaar en tegen het virus. Maar zulke leiders hebben we niet. Onze leiders droppen die bom en laten ons achter met die chaos. ‘Advies van het OMT, u doet het er maar mee’.

Chaos. Chaos in mijn gedachten, want intussen weet ik niet meer wat ik vind. Moeten we echt alles opofferen voor de volksgezondheid? Hoe ver moet die bescherming gaan? Wat blijft er over van onze samenleving op deze manier? Is dit het waard? Chaos in de samenleving. In de antropologie noemen we zoiets liminaliteit. Een overgangsfase. Tussen twee werelden. Het oude is weg en het nieuwe moet nog komen. Een periode van grote onzekerheid. En deze periode is, het behoeft geen uitleg, precair. Voor de samenleving als geheel, maar ook voor de individuen die die samenleving maken. Een periode waarin onze rollen veranderen, onze gedragingen steeds afgewogen moeten
worden en waarin we nieuwe normen en waarden moeten formuleren.

Onze cultuur biedt geen vangnet, geen oplossingen, geen antwoorden. Om samen naar de nieuwe fase te gaan, zullen we een nieuw samen moeten creëren. Door samen onze normen en waarden te formuleren. Wat behouden we en welke nieuwe waarden maken we ons eigen? Maar dat gebeurt niet. Door een overvloed aan onduidelijkheden en inconsistentie bij de overheid, worden we vooral op onszelf teruggeworpen. We vallen terug op onze persoonlijke, menselijke behoeften. Het is vechten voor je eigen stukje wereld. Ieder voor zich. Is zo’n samenleving klaar om een 2G systeem in te voeren? Ik denk van niet. Het vertrouwen is er niet. Niet in de overheid, niet in elkaar. De onzekerheden te groot. 2G mag de verspreiding dan remmen en ook al is het ‘tijdelijk’, het laat hoe dan ook permanente sporen na. En die sporen kunnen diep zijn. Is het nodig? Geen idee. We hebben het meeste nog helemaal niet gedaan. Ventilatie op scholen, bijvoorbeeld. Snottebellen thuis. Een verantwoordelijker houding als het gaat om het doorgeven van besmettelijke ziekten. Mondneusmaskers. We hebben het allemaal nog niet serieus geprobeerd.

Is 2G nodig? Kunnen we niet anders? Moeten we maar inschikken? Ik weet het echt niet. Wat ik wel weet, is dat we na bijna twee jaar corona nog altijd niets van dat virus begrijpen. En dat dat totaal krankzinnig is. Het is nog steeds het domein van de ‘virologen’ die voor ons beslissen wat goed voor ons is. Hoe onze toekomstige samenleving eruit moet zien. Vanuit hun gekleurde bril. Ik zie andere mogelijkheden. Of nou ja, dat weet ik eigenlijk ook niet. Maar het is wat ik hoop. Dat we kunnen beginnen bij die basismaatregelen. Die maatregelen waar wij ons niet goed genoeg aan zouden houden. Ik zie dat precies andersom. Want de basis die bij die maatregelen hoort, de kern van infectieziekten bestrijding, het heeft hier nooit bestaan. Laagdrempelig testen, echt goed bron en contactonderzoek, het isoleren van de zieken en de quarantaine van al hun contacten, het is hier allemaal niet gedaan. Dus voordat we overgaan op 2G, laten we vooral 1G niet overslaan: Getest. En laat iemand Rutte intussen een kompas geven. Een kompas dat niet steeds terugleidt naar het Catshuis. Een kompas dat ons in die liminaliteit, die chaos, enigszins stabiel op koers houdt, richting een nieuw normaal waar we allemaal meedoen. Zeker ook die zevenhonderdduizendmensen die we hebben achtergelaten op de kade.

Over gedrag gesproken

Over gedrag gesproken

Golf nummer zoveel, persconferentie nummer zoveel. Terwijl het kabinet had gehoopt het land rond deze tijd te bevrijden van alle coronamaatregelen, trekken intensivisten aan de rem, de ouderenbond sputtert tegen en luiden een aantal virologen weer de noodklok. De remedie waar het kabinet voor de zoveelste keer mee komt: een aantal maatregelen die half-half worden toegepast en vooral veel nadruk op de eigen verantwoordelijkheid. “Ons gedrag moet om”, kopt RTL Nieuws, zal de kernboodschap zijn van persconferentie zoveel, waarin het kabinet dus voor de zoveelste keer geen verantwoordelijkheid zal nemen voor de volksgezondheid en de eigen fouten.

‘Ons‘ gedrag

Inderdaad, dacht ik direct toen ik die kop las. Als Hugo de Jonge zegt dat ‘ons‘ gedrag om moet, heeft hij het goed begrepen. Als hij met ‘ons‘ het kabinet bedoelt, tenminste. Want met de vinger nu nog een keer naar de burger wijzen, dat zal zelfs dít kabinet toch niet meer durven?

Uit de verkiezingscampagne van de VVD, verkiezingen 2021

Toch niet nadat Rutte de spoedige eindstreep van de coronacrisis als campagnetool inzette bij de Tweede Kamerverkiezingen van maart jongstleden? Of nadat Hugo de Jonge, opgesmukt met een zelfvoldane glimlach van oor tot oor, bij Op1 kwam vertellen dat we met de vaccins de coronacrisis achter ons konden laten? Nadat één van de belangrijkste adviseurs van het kabinet, Jaap van Dissel, de ‘mondkapjes‘ maar bleef afwijzen, ook al liepen wij er verplicht mee rond? Liepen, inderdaad. Want jee, die belachelijke onzin dat ze dan af mochten als je zat, dat heeft nooit iemand begrepen. Een idioot kon zien dat dit op een dag in je gezicht zou ontploffen. Of hebben we het over dat leuke liedje van Grapperhaus, waar dat mondkapje hene ging? Of zijn bruiloft? Zijn gejubel over de mate van immuniteit in Nederland, waardoor veel mensen corona krijgen nog steeds niet als iets problematisch zien? Het gedrag van Ank Bijleveld rond kerst misschien? Of jullie stilzwijgen iedere keer als de besmettingen stijgen en het hele land in rep en roer is? Dansen met Janssen? De Fieldlabevenementen? De waanzinnige decadentie rond de Formule 1 in Zandvoort? Monkey see, monkey do, beste leden van het kabinet. Dat we de coronacrisis nog steeds niet achter ons kunnen laten, ligt inderdaad aan gedrag. Aan dat van jullie. En het is inderdaad hoog tijd dat dat om gaat.

Abracadabra

Als gedragswetenschapper kan ik het woord gedrag overigens bijna niet meer horen. Ik herinner me nog goed dat ik me maandenlang schor heb moeten schreeuwen om maar duidelijk te maken dat niet het gedrag van het virus, maar het gedrag van de mens de verspreiding bepaalde. En sinds dat kwartje eindelijk gevallen is, valt het woord gedrag om de haverklap. Helaas zelden in de juiste context. Soms horen we weleens een gedragsdeskundige of een menswetenschapper aan het woord, maar dan schakelen we snel weer over naar de modellen, de data, de prognoses. En daar zit ‘m de crux. De totale arrogantie dat je binnen modellen met minutieuze precisie de pandemie naar je wensen kunt tweaken. Abracadabra, geef me maximaal 180 bezette IC bedden en het model spuugt de gewenste maatregelen uit. Nou ja, zo werkt het niet. Want één verkeerde uitspraak van de minister en je model is waardeloos. Een gedragswetenschapper zou je dat makkelijk kunnen vertellen, maar die zit op de achterbank lijdzaam te kijken naar het gedrag van het kabinet.

Kwakzalverij

Het is ook wat, dat gedrag. Iedereen weet er alles van. We hebben allemaal gedrag. We zien iedere seconde dat we wakker zijn gedrag, we maken constant inschattingen over gedrag, dus we weten alles over gedrag. Wat gedrag doet met de epidemie, dat kan zomaar iedereen dus gewoon invullen. Als antropoloog vind ik al die inschattingen en analyses uitermate fascinerend. Ik luister er graag naar, want het is ongelofelijk leerzaam. Dat echt iedereen de mond vol heeft over gedrag maar nooit iemand wérkelijk wil weten hoe het zit, ik heb de afgelopen anderhalf jaar wel geleerd mijn schouders erover op te halen. Maar zo nu en dan stoort het me toch. Als ik me bedenk dat er iedere dag mensen sterven door die kwakzalverij op gedragswetenschappelijk gebied. Zo ook vandaag.

Als ik zie dat de overheid haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid alweer op de burger afwendt, terwijl diezelfde overheid haar burgers al sinds het begin van de pandemie stimuleert om risico’s te nemen. Door het verkeerde voorbeeld te geven, door te optimistische prognoses de wereld in te slingeren, door de sussende berichten over de ernst van de ziekte, door onlogisch beleid, door steevast te weinig maatregelen te nemen, door misleidende of ronduit foutieve informatie de samenleving in te slingeren, door tweedeling te veroorzaken en ruzies over zogenaamd dor hout lekker te laten gaan. Of een negatief sentiment over niet-gevaccineerden aan te wakkeren. Dan denk ik: ja, beste leden van het kabinet, de gemiddelde burger doet echt exact wat jullie willen. Krijgen zij daar nu ook al de schuld van? Nou. Kort lesje gedragskunde dan maar: als je bepaald gedrag wil stimuleren, moet je de juiste voorwaarden en de juiste omgeving scheppen. Iedere leider krijgt het volk dat hij verdient, zeg maar.

Corona is nog niet voorbij: Waarom ik nu toch stop

PERSOONLIJKE BRIEF

Wim Schellekens, lid RedTeam, 2 november 2021

Op 1 november 2021 maakte het RedTeam bekend dat het als team ophoudt te bestaan[1]. Een aantal leden van het RedTeam gaat op persoonlijke titel en vanuit hun eigen expertise en ervaring door met het geven van duiding, analyse en adviezen. Zelf kies ik daar niet voor.

In deze persoonlijke brief wil ik motiveren waarom ik deze keuze maak. Tegelijk wil ik de gelegenheid aangrijpen om kort op een rij te zetten wat het RedTeam was, wat het RedTeam voor mij heeft betekend en wat ik heb ervaren als mogelijke lessen voor de toekomst.

RedTeam

Sinds juli 2020 heb ik – eerst met drie en kort daarna – met elf collegae een team gevormd dat ongevraagd duiding, analyse en advies gaf over de corona-aanpak en de gevolgen van het kabinetsbeleid. Het was een bijzonder team. Het bestond uit experts met een grote diversiteit van relevante expertise en veldervaring uit eerdere epi- en pandemieën in Nederland, Afrika en Azië (Sars, Ebola, HIV/AIDS)[2].

Wij vormden met elkaar een vrijwillige, geheel onafhankelijke, niet-gefinancierde groep experts, die bij elkaar dezelfde missie, visie en waarden herkenden. Wij noemden onszelf ‘RedTeam’ omdat in een complexe crisis het gebruikelijk en noodzakelijk is om een RedTeam aan te stellen naast het ‘Blue Team’ dat de aanpak van de crisis leidt. Zo’n RedTeam geeft op basis van eigen analyse en duiding constructieve tegenspraak, om daarmee tunnelvisie en blinde vlekken van het Blue Team te voorkómen. In tegenstelling tot de gewenste situatie, had ons RedTeam geen formele of gevraagde status. Wij deden dit in onze vrije tijd naast ons gewone werk. Helaas bleek – ondanks aandringen van onze kant – communicatie of samenwerken met het kabinet en het OMT door hen niet gewenst.

Inbreng van het RedTeam

Van juli tot december 2020 heeft het RedTeam ongevraagd een aantal waarschuwingsbrieven, beleidsadviezen en onderwerpsgerichte adviezen (over veilige heropening van scholen, over mondneuskapjes en over testbeleid) uitgebracht. Tweemaal heeft het RedTeam een hoorzitting gegeven aan de Tweede Kamer. U kunt dit alles terugvinden op onze website: www.C19RedTeam.nl. Hier vindt u ook een totaaloverzicht van onze bijdragen in krant, radio en TV[3].

Op 4 februari 2021[4] maakte het RedTeam per openbare brief bekend als RedTeam voorlopig geen adviezen meer uit te zullen brengen. Belangrijkste reden was dat het kabinet vanaf het begin voor een andere strategie had gekozen (nl. het virus laten rondgaan op geleide van de ziekenhuis/IC-capaciteit) dan die wij hadden geadviseerd (nl. omlaag brengen en laag houden van het aantal besmettingen). Door te blijven hameren op de noodzaak van een ander beleid, zou het RedTeam geweld doen aan haar kernwaarde van ‘constructieve tegenspraak’ en in de beeldvorming al snel vervallen in activisme.

Vanaf februari 2021 hebben leden van het RedTeam, inclusief ik zelf, nog wel op individuele basis inbreng gegeven via persoonlijke contacten bij regerings- en oppositiepartijen in de Tweede Kamer, en op verzoek via bijdragen in kranten, radio en TV.

Waarom ik nu stop

Actieve deelname aan het RedTeam is voor mij een van de meest stimulerende ervaringen geweest in mijn loopbaan. De combinatie van competenties, ervaring, inzet en samenwerking vanuit een onafhankelijke positie met een gedeelde missie, visie en waarden leverde producten op die goed onderbouwd en breed gedragen waren en die een hoopvol, realistisch perspectief en alternatief boden in de landelijke discussie over de aanpak van deze coronacrisis.

Het RedTeam heeft besloten te stoppen om als team naar buiten te treden. Individuele leden zullen vanuit hun expertise en ervaring doorgaan om gevraagd en ongevraagd duiding te geven aan wat er gebeurt, de situatie te analyseren en adviezen te geven.

Mijn inbreng in het RedTeam deed ik vanuit mijn zorgervaring als huisarts en public-health-arts in eerste en tweedelijn en vanuit mijn bestuurlijke en toezichthoudende expertise. Ik ben geen expert op het gebied van virologie, epidemiologie, gedragskunde, data-analyse en ik heb ook geen epidemiologische-veldervaring. Mijn kracht kwam tot zijn recht binnen het functioneren in dit RedTeam. Nu dat team wegvalt, is het mijns inziens wijs niet meer bij te dragen aan het debat over de aanpak van deze pandemie. Ik weet dat er veel mensen zijn die steun vonden bij wat het RedTeam deed en ook bij wat ik in de media naar voren bracht. Het gaf hen hoop. Doorgaan heeft echter nu geen toegevoegde waarde meer.

Kernboodschappen van het RedTeam

Wat hebben we geleerd dat nuttig kan zijn bij de verdere aanpak van deze coronacrisis en ook wanneer er zich onverhoopt een nieuwe pandemie zou aandienen?

Onze kernboodschappen, die in onze brieven en adviezen steeds leidend geweest, bruikbaar als toetsingspunten bij de evaluatie van het beleid en als checklist voor toekomstig beleid:

  1. “Corona is geen griepje”
    Het is een zeer besmettelijke A-ziekte, met mogelijk een ernstig en ook dodelijk verloop. De druk op de zorg is potentieel zeer hoog met daardoor verdringing van de reguliere zorg.
  2. Stuur niet op ziekenhuiscapaciteit[5], maar op het omlaag brengen en laag houden van het aantal besmettingen.
    Hier lopen de belangen van de patiënt, de zorg, bedrijfsleven, cultuur en economie parallel.
    Het aantal besmettingen groeit zonder maatregelen exponentieel (verdubbelingstijd 10-14 dagen). Daarom is snelle interventie al noodzakelijk als het aantal besmettingen nog laag is. Als deze interventie snel en krachtig is, kan deze ook kort duren.
    Houd vervolgens het besmettingsniveau laag door het handhaven van de basismaatregelen[6] samen met intensief indambeleid[7].
    Op deze wijze wordt ook voldaan aan het ‘voorzorgprincipe’. Vanuit risicomanagement: vermijden van risico’s die bij optreden niet aanvaardbaar zijn (‘Better Safe Than Sorry’).
    Gebruik de adviezen van de WHO, de ECDC, (inter)nationale experts en leer van ervaringen in andere landen.
  3. Maak het beleid voorspelbaar.
    Stel landelijk en regionaal routekaarten vast, met indicatoren per fase, met daaraan gekoppeld in zwaarte toe/afnemende maatregelen die gebruikt worden bij op- en afschalen. Én als kabinet: houd je daar dan ook aan. Dat is een belangrijke voorwaarde voor vertrouwen van de burger in de leiding.
  4. Vaccineren heeft topprioriteit, maar is niet genoeg.
    Vaccineren beschermt tegen ernstig ziek worden en dus tegen opname in ziekenhuis en IC.
    Het vaccinatiebereik is nu 82%, effectiviteit is 85%, effect vermindert in de tijd, effectiviteit bij nieuwe varianten is nog onbekend, na vaccinatie is er nog steeds (geringe) kans besmet te worden en dan ook anderen te besmetten. Een bewijs van vaccinatie geeft dus geen zekerheid dat de persoon niet besmettelijk is en biedt als coronatoegangsbewijs (CTB) dus schijnveiligheid.
    Er zijn nog steeds 2-3 miljoen mensen die niet beschermd zijn. Voor hen is brede toepassing van het CTB, waar het kabinet nu op lijkt in te zetten, dus onvoldoende als bescherming. Met name voor hen, maar ook voor de gevaccineerden, is het laag houden van het aantal besmettingen dus van groot belang, oftewel: voor iedereen is het behouden van de basismaatregelen – en zo nodig intensief indambeleid – essentieel.
  5. Communicatie en vertrouwen zijn basisvoorwaarden.
    Goede communicatie is de sleutel om draagvlak te krijgen en te houden voor noodzakelijk beleid dat pijn doet. Deel dilemma’s, bouw voldoende urgentie op zonder paniek te veroorzaken, grijp tijdig en krachtig in, bied perspectief (routekaart), zorg voor een heldere advies-, besluitvormings- en verantwoordingsstructuur, communiceer eenduidig en consequent wat er van de burger wordt verwacht en handhaaf daar ook op. Bestrijd desinformatie.
    Vertrouwen in de leiding is essentieel.
  6. Advisering, besluitvorming, verantwoording, evaluatie.
    Advisering dient onafhankelijk te zijn, vanuit alle relevante disciplines. Voorkom dat de advisering alleen plaatsvindt binnen de politieke context: wat de politici willen horen.
    Benoem daarnaast een onafhankelijk team met de opdracht constructieve tegenspraak te leveren, om daarmee kokerdenken te voorkómen: een ‘RedTeam’.
    Besluitvorming door het kabinet dient inzichtelijk en toetsbaar te zijn.
    Afleggen van verantwoording aan de Tweede kamer dient transparant en lerend te zijn. De tegenmacht van de Tweede Kamer kan en mag niet belemmerd worden door politieke overwegingen.
    Organiseer al tijdens de crisis tussentijdse, onafhankelijke evaluatie om te leren van fouten, te leren van andere landen. De WHO heeft duidelijke adviezen voor zo’n ‘in-action-review’. Fouten maken is normaal. Fouten erkennen en beleid aanpassen is een teken van kracht.

Terzijde nog twee korte opmerkingen over de huidige situatie (begin november 2021). Deze is zeer zorgelijk. Er is landelijk in toenemende mate sprake van een vertrouwenscrisis tussen politiek en burger, en dat niet alleen door de aanpak van de coronacrisis. Dit ondermijnt het draagvlak voor noodzakelijke maatregelen.
Dan nog even over de zorg: ziekenhuizen en IC’s liggen weer overvol en de reguliere zorg wordt op veel plaatsten alweer verdrongen. Er is daardoor veel verborgen leed. De verpleegkundigen kunnen het echt niet meer aan. Dit blijkt uit de ziekteverzuimcijfers, de aantallen burn-out, en het feit dat in sommige ziekenhuizen hierdoor het aantal IC-bedden zelfs is afgeschaald.

Uitbreiding IC-capaciteit is om deze reden een illusie. Een zorginfarct is zichtbaar en er dreigt opnieuw ‘code zwart’. De enige oplossing is het zo snel mogelijk omlaag brengen van het aantal besmettingen. Het kabinet weet inmiddels hoe dat moet.

Wanneer gevraagd zou worden hoe een toekomstige epi-/pandemie zou moeten worden aangepakt, dan denk ik graag weer mee: we hebben veel geleerd en het zou goed zijn als deze lessen ook daadwerkelijk getrokken zouden worden.

2 november 2021

Wim Schellekens, voormalig huisarts, ziekenhuisbestuurder, hoofdinspecteur en lid RedTeam


[1] https://www.c19redteam.nl/wp-content/uploads/2021/11/2021-11-01_Afscheid_Red_Team-1.pdf

[2] https://www.c19redteam.nl/over-red-team-c19-nl/

[3] https://www.c19redteam.nl/red-team-c19-nl-in-de-media/

[4] https://www.c19redteam.nl/wp-content/uploads/2021/02/2021-02-04_-_Waar_is_het_RedTeam.pdf

[5] Sturen op ziekenhuiscapaciteit heeft als gevolg dat noodzakelijke maatregelen steeds te laat worden ingevoerd, met grote (vermijdbare) schade aan patiënten, de zorg en de zorgverleners (m.n. de verpleegkundigen). Door de noodzakelijke maatregelen, die dan ook veel langer moeten duren, ontstaat ook grote (vermijdbare) schade aan het bedrijfsleven, de cultuur en de economie. We hebben dat in de eerste en tweede golf gezien en we dreigen het nu (begin november 2021) weer te gaan zien.

[6] Basismaatregelen: voor het laag houden van het aantal besmettingen is een combinatie van maatregelen nodig die elk voor zich meer of minder meerwaarde hebben, maar gezamenlijk effectief zijn (model van de Zwitserse gatenkaas): thuis blijven en laten testen bij klachten, afstand houden, persoonlijke hygiëne, gebruik van mondneusmaskers, zo veel mogelijk thuis werken, ventilatie, vermijden van groepen.

[7] Intensief indambeleid: het doorbreken van de besmettingsketen via het bron- en contactonderzoek door de GGD, inclusief niet-vrijblijvende isolatie en quarantaine. Elke besmetting is een bron van meer besmettingen en verdere besmetting dient daarom actief te worden bestreden door isolatie van de besmette persoon en quarantaine van diens contacten.

Opschalen maar…

Vandaag 12 jaar geleden beviel ik in een ziekenhuis in Nederland van mijn oudste dochter. Met de staart tussen de benen was ik drie weken daarvoor van Sierra Leone terug naar Nederland gevlogen. Met de allerlaatste vlucht die me als hoogzwangere nog mee wilde nemen. Het zat namelijk zo. Mijn baby lag in een stuit en de placenta was ingegroeid, dichtbij de opening van de baarmoedermond. Ze moest met een keizersnede gehaald worden, dat wist ik al ver van tevoren.

Mijn gynaecoloog in Sierra Leone was echt heel goed, met heel wat internationale kilometers op de teller. Hij had keizersnedes gedaan in de middle of nowhere. Ik had echt geen twijfel over zijn kennis of kunde. Maar hij was ook al heel oud. En hij ging graag naar familie in het binnenland. Een trip naar een stad 100km verderop kon tijdens het regenseizoen zo een dag in beslag nemen. Het spookte door mijn hoofd: als ze nou toch spontaan zou willen komen, mijn baby, en mijn gynaecoloog zou een weekendje het binnenland in zijn? Ik had er nachtmerries van. Dat nauwelijks opgeleide verpleegkundigen me moesten helpen met een onmogelijke bevalling. En dat er zoveel stress was rond mijn bevalling, dat mijn dochter ongemerkt verwisseld werd met een andere baby. De ochtend na die nachtmerrie ben ik naar het kantoor van Royal Air Maroc gegaan en wilde daar pas vertrekken toen ze een vlucht voor me regelden.

Helaas was het niet eind goed, al goed. De gynaecoloog in Nederland, ook niet onervaren trouwens, schoof minzaam mijn dossier uit Sierra Leone – ongelezen – onderop en bestelde een natuurlijke bevalling voor me. Dat ging mis want de baarmoeder kon niet open en ‘s avonds, na vele uren schreeuwen en janken, kreeg ik dan eindelijk pijnstilling en die keizersnede. Mijn dochter kwam om 21.02 uur ter wereld.

Ik heb mezelf voor mijn kop geslagen, alle dagen van het anderhalf jaar vol met operaties en ziekenhuisopnames die op mijn bevalling volgden. Was ik maar in Sierra Leone gebleven. Voor mijn gynaecoloog daar was een keizersnede gewoon routine en kon ik het zelf betalen, dus geen gedoe met ‘goedkopere zorg’. En toch denk ik nu, 12 jaar later, dat ik de juiste beslissing nam. Ondanks alle complicaties. Want stel dat mijn gynaecoloog daar de dag van mijn bevalling echt niet beschikbaar was geweest? Op reis, of ziek? Of druk met andere bevallingen? Dat is niet denkbeeldig, want in Sierra Leone zijn niet veel gynaecologen. Baby en moedersterfte tijdens bevallingen is daar torenhoog. En daar moest ik vandaag aan denken toen ik dit bericht zag: “Bevallen in het ziekenhuis in Zutphen? Dat kan voorlopig even niet.” En dit bericht: “Parkeerplaatsbaby’s en lang rijden; bevallen in ziekenhuis steeds lastiger.” En deze: “Strijden om een bed op regionale kraamafdelingen: ‘Het is vreselijk nee te moeten verkopen’.” Of deze: “Floor woont op vijf minuten van ziekenhuis, maar moest 40 minuten verderop bevallen: ‘Shit, alles zat vol’.”

Mijn oudste groeide de eerste jaren van haar leven op in Sierra Leone. Ze heeft er een fantastische kindertijd gehad en ik moet zeggen: het moederschap is daar ook vele malen leuker, makkelijker en meer een natuurlijk onderdeel van het leven dan hier. Dus we hadden het er allebei fijn. Maar het is en blijft één van de armste landen ter wereld. En nu was ik zelf niet echt arm (ook echt niet rijk trouwens) en was het leven daar voor mij echt niet moeilijk, één zorg speelde altijd in mijn achterhoofd. Altijd. 24/7. 60 seconden per minuut. Zorg. Wat nou als ze ziek wordt? Wat nou als ík ziek word? Wat nou, als geen zak geld ter wereld me kan helpen omdat de kennis er gewoon niet is, of de verzorgenden? Dat maakt het leven onzeker. De dood staat altijd dicht bij het leven. Toen ebola in Sierra Leone kwam, besloot ik daarom mijn dochter niet meer te laten terugkeren. En zijn we uiteindelijk samen hier neergestreken.

Pas als je het hebt meegemaakt, als je het hebt gezien, gevoeld, geleefd, weet je wat het is. Als je nergens terechtkunt met je zieke kind, of je zieke moeder, je partner. Als je mensen die je liefhebt ziet sterven en je helemaal niets voor ze kunt doen. Het leert je iets over het leven. En over de dood. Tijdens ebola heb ik zoveel dramatische dingen gezien, ik krijg het mijn leven lang niet meer van mijn netvlies af. Dode ouders in huis, kleine kinderen op het erf in quarantaine zonder begeleiding, zonder voedsel en water. Het is een dolksteek recht in je hart als je naar dit soort leed moet kijken en helemaal niets kunt doen.

Wat was ik dankbaar dat ik naar Nederland kon. Dat het hier veilig was. Dat hier een mensenleven iets waard was. Dat de ambulance er binnen zes minuten is en dat het meeste, meestal, goedkomt. Zo’n zorgstelsel is iets om te zoenen, om van te houden, om te koesteren en nooit weg te willen gooien. Want dat ondermijnende geknaag in je achterhoofd, die zorg dat je je kind niet kan helpen, dat je kind ieder moment wees kan worden, die heb je hier gewoon niet. De meesten van ons niet, dan.

 “Een groot deel van de Nederlandse bevolking zal besmet raken met het virus.”

De schock was groot toen ik Rutte op 16 maart 2020 hoorde zeggen dat een groot deel van de Nederlandse bevolking besmet zou raken met het coronavirus, maar dat dat noodzakelijk was om groepsimmuniteit op te bouwen. Terwijl in andere landen al vele mensen aan de beademing lagen en de zorg compleet onderuit gezakt was, wilden wij jubelend het ziekbed in. Ik begreep het gewoon niet. En ik denk dat ik nog altijd de vaste grond onder mijn voeten niet heb hervonden. Het was en is extreem en dat een groot deel van de Nederlandse bevolking dit fantastisch vond (en als we eerlijk zijn, nog altijd vindt), dat is onbegrijpelijk. Dat gewauwel over vrijheid, we moeten nu leven, we kunnen niet eeuwig… . Dit soort geklets verwacht je in een land met een hele lage levensverwachting als Sierra Leone – waar je echt iedere dag mee wil pakken – en zelfs daar denken ze zo niet. Wij hebben een hele hoge levensverwachting. Wij zouden best twee maanden binnen kunnen zitten om zo met zo’n virus af te rekenen. We zijn ook rijk genoeg om zoiets te kunnen financieren. We hadden dat gewoon gekund. Maar we wilden het niet. En eigenlijk is dat maar om één reden: we vinden ziekte helemaal niet zo erg.

Als je zo’n belachelijk goed zorgstelsel hebt als Nederland, is ziekte doorgaans ook niet echt iets waar je je zorgen over hoeft te maken. Dat begrijp ik. En het is dan ook juist dat zorgstelsel dat ons de nek om heeft gedraaid. Opschalen maar en we kunnen weer bitterballen eten op een terras. Dansen en feesten, doen we er nog een paar ‘bedden’ bij. Totdat de rek er echt uit is, dan moeten we een paar stappen terug, maar zo min mogelijk en zo kort mogelijk. Intussen lallen we over ons biertje heen dat er maar meer IC-verpleegkundigen opgeleid moeten worden, en snel een beetje. Het weekendje weg staat voor de deur. En we moeten op vakantie. Dan halen ze die verpleegkundigen maar van andere afdelingen, of uit het buitenland ofzo. Proost. De noodkreten uit de zorg kwamen nauwelijks boven het glasgerinkel uit. You Only Live Once.

Al een tijdje laat de zorg ons weten: het ging al niet goed, maar de koek is echt op. Personeel is steeds vaker ziek thuis, personeel loopt weg, er komt niet genoeg personeel bij. En toch blijven we doorgaan. Terwijl we de eerste haarscheuren al zien. De tijd komt dat je, zelfs al zou je je hele bankrekening plunderen, op bepaalde momenten (of voor bepaalde aandoeningen) gewoon geen zorg kunt krijgen. Wij wilden per se geen nieuw normaal, maar dat hebben we toch gekregen. Want het oude normaal, komt niet meer terug. We accepteren nog meer ziekte, nog meer druk op de zorg, nog meer langdurige ziekte, meer (over)lijden en meer verdriet. Ouders zullen gaan merken wat het is als je voor je kind geen zorg dichtbij huis kunt krijgen, maar daar in een ander land voor terecht moet. Wat het is om geen hulp bij de bevalling te kunnen krijgen. We zullen gaan merken wat het is als je geen zorg meer kunt kopen voor je oude ouders en er helemaal zelf voor staat. In ons nieuwe normaal komt de dood steeds dichter bij het leven te staan en wordt zorgen voor anderen een steeds groter onderdeel van ons bestaan. Nou, proost. Dan leren we misschien ooit toch wat het is om voor elkaar te zorgen.

Als zelfs de wetenschap niet in wetenschap gelooft

Als zelfs de wetenschap niet in wetenschap gelooft

“Nogal melodramatisch,” noemt een kennis – werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam – de eergisteren verschenen publieke ontslagbrief van universitair docent Matt Cornell. De ontslagbrief werd gepubliceerd in Folia en kreeg veel aandacht in de landelijke kranten. Cornell nam ontslag uit protest tegen de volledige heropening van de universiteit, waarbij geen adequate voorzorgsmaatregelen tegen verspreiding worden genomen. Dat mijn kennis dit ‘melodramatisch’ noemt, vind ik geen verrassende reactie. Want het is nogal opzienbarend voor Nederland, dat iemand consequenties verbindt aan zijn ongenoegen over politieke beslissingen. Wij zeuren en klagen wel graag, en ook al heeft meer dan de helft van ons geen vertrouwen meer in het overheidsbeleid; als de overheid zegt dat die mondkap af kan, dan doen we dat. No questions asked. Daar mor je misschien wat over, zet een boos bericht op social media, je bent even flink verontwaardigd, maar dat is het dan wel. Cornell niet, die maakte een fors statement met zijn ontslag. En dat valt moeilijk.

“De GGD en het Outbreak Management Team, nota bene de experts die de regering adviseren, hebben geadviseerd om het hoger onderwijs voorlopig nog niet te heropenen. Door dat te negeren volgt de universiteit de lijn-Rutte, en niet het advies van Nederlandse of internationale experts op het gebied van volksgezondheid. De UvA wordt hierdoor medeplichtig aan de schandalige manier waarop dit kabinet deze crisis heeft aangepakt.”

Matt Cornell, docent aan de Universiteit van Amsterdam in AT5.NL

De toon maakt de muziek

Cornell kreeg veel kritiek te verduren op zijn statement. Kritiek die vooral over de toon en de ‘grote woorden’ gaat, zoals meestal het geval is als het moeilijk wordt. En zoals gewoonlijk blijft de inhoud van Cornell’s statement grotendeels onbesproken. Hij is een “matennaaier”, “extreem doorgeslagen”, een “fulltime cry baby”, niet bijster slim en bovendien heeft hij het lef om het Nederlands beleid eugenetisch te noemen1. Nou, dan ben je gewoon af. Logisch. Cornell mag niet meer meedoen, zich lekker thuis in isolatie een potje gaan zitten aanstellen. Dan klagen wij nog even door over het overheidsbeleid. Wij mogen dat namelijk wel, met de vinger wijzen als er via de hogescholen en universiteiten een nieuwe golf op gang komt. Komt door de overheid, dat vinden we dan wel, maar we gebruiken er beter geen ‘grote woorden’ voor. Het klopt overigens ergens wel trouwens, dat het door de overheid komt. De overheid zet immers het beleid uit. Maar dat iets mag, wil niet zeggen dat je het ook moet doen. Dat geldt misschien wel in het bijzonder voor de universiteiten. En daar gaat Cornell’s protest over. En dat Cornell grote woorden en daden gebruikt, is niet voor niets.

Gedrag heeft consequenties. Dat leken zich niet altijd bewust zijn van die consequenties of simpelweg geen macht of overzicht hebben, is begrijpelijk. Maar bij universiteiten zouden ze toch moeten weten welke consequenties er vastzitten aan hun handelen. Stapje terug in de tijd. Die richtlijnen voor de zorg, voor het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, weet u nog? Die richtlijn van het RIVM (mede ingegeven door schaarste), die stelde dat het gebruik van bepaalde PBM niet nodig was voor bijvoorbeeld zorgmedewerkers in de verpleeghuizen? En een richtlijn die stelde dat het testen van bewoners in de verpleeghuizen niet nodig was? Na de grote golf van uitbraken in die verpleeghuizen zei het RIVM ontwijkend: het was maar een handreiking, die instellingen hebben een eigen verantwoordelijkheid. Terwijl die instellingen zelf weer terugwijzen naar het RIVM. Wie nu werkelijk verantwoordelijk is, laat ik onbesproken. Feit is dat we intussen weten wat consequenties zijn van ‘klakkeloos volgen’, dat er een groot beroep wordt gedaan op onze eigen verantwoordelijkheid en dat we dat heel serieus moeten nemen. Cornell spreekt de UvA terecht aan op die verantwoordelijkheid.

Onwetenschappelijk

In een reactie op het ontslag van Cornell zegt een woordvoerder van de UvA kortweg: “[w]e doen er alles aan om coronabesmettingen op onze instellingen tegen te gaan.” Dat er binnenkort in een universiteitsgebouw zelfs een priklocatie geopend wordt waar studenten hun vaccinatie kunnen halen, is in de ogen van deze woordvoerder blijkbaar preventie. Ook al ben je pas twee maanden na de eerste prik goed beschermd tegen ernstige ziekte en in mindere mate voor besmetting met het coronavirus. En daar ligt het hele grote pijnpunt. De heropening van de hogescholen en de universiteiten komt te vroeg. Het is bovendien tegen het wetenschappelijk advies van het OMT in. En ook de praktische ervaring van de GGD’en wordt aan de kant geschoven. De universiteiten zetten door, ze gaan open, zonder al teveel poespas. Tegen wetenschappelijke inzichten in, herhaal ik nog maar eens. Nou. Dan mag je Cornell ‘melodramatisch’ noemen, maar van een wetenschappelijk instituut mag je toch verwachten dat juíst daar meer gewicht wordt gehangen aan wetenschappelijk inzicht boven politieke beslissingen. Cornell heeft gelijk. De universiteiten zijn onwetenschappelijk bezig.

“We doen er alles aan”

Cornell beschrijft in zijn ontslagbrief hoe de UvA enerzijds een studie aanprees van haar eigen onderzoekers die waarschuwde voor de gevaren van aerosoloverdracht en het gebruik van maskers adviseerde, maar zich anderzijds een uitzonderingspositie aanmat. Toen in Nederland een mondkapjesplicht werd afgekondigd, vond de UvA dat dit niet voor haar campussen gold, omdat die niet publiek toegankelijk zijn. Wat is het idee achter deze beslissing, vraag je je af. Wetenschap? Blijkbaar niet, want er kwam geen wetenschappelijk onderbouwd betoog tégen het gebruik van mondneusmaskers op de campus. Een mening dus. En dat is best kwalijk, voor een universiteit. Zeker als je je bedenkt dat deze crisis voor de meeste academici die in de universiteiten rondlopen, ook de grootste crisis van hun tijd is en daarom in wetenschappelijk opzicht een rijke bron aan studiemateriaal oplevert, of op zou moeten leveren.

@UvA_Amsterdam removing your masks *in the rooms* is exactly where things go wrong. Have you heard that COVID-19 is airborne? This is not safe, it is not safe for instructors, it is not safe for students.” Professor Arianna Betti, Universiteit van Amsterdam.

Het gaat overigens niet alleen om toen, toen alles nog nieuw was en niemand wist hoe lang het zou duren en hoe ingrijpend het allemaal zou zijn. Ook nu, met de deltavariant in opkomst, een dreigende vierde (!) golf, met in het achterhoofd de wetenschap dat de de UvA aerosoloverdracht plausibel vindt, mogen de studenten zonder mondneusmasker in de collegezalen en werkruimtes zitten. Ik heb net een rondje ‘Jan met de pet’ gedaan. Ik heb werkelijk helemaal niemand gevonden die gelooft dat mondneusmaskers wel werken als je loopt of staat, maar dat risico op besmetting stopt als je onbeschermd tegen elkaar in zit te walmen in een leslokaal of een collegezaal. Op de horde Facebookactivisten en een enkele Twitteraar na dan. En sommige mensen geloven overigens ook nog steeds niet dat mondneusmaskers überhaupt werken, maar dat terzijde.

“De UT en de VSNU hebben mij niks gevraagd en de onderwijsbestuurders zijn geheel op eigen houtje in jubelstemming geraakt over de opening van het onderwijs en het loslaten van de anderhalvemetermaatregel. Ik snap dat wel hoor. Plofuniversiteiten willen zoveel mogelijk plofstudenten op de vierkante meter.”

Femke Nijboer, docent aan de Universiteit Twente IN UTODAY.NL

Een beetje evidence-based, zeg maar

Doen de universiteiten er alles aan om coronabesmettingen tegen te gaan? Nee. Zelfs de meest laagdrempelige interventies worden niet ingezet. En dat is zo onwetenschappelijk als het maar kan.

Jeroen de Ridder, voorzitter van De Jonge Akademie, verwoordt het duidelijk:
“Waarom zegt geen enkele universiteit, hogeschool of koepelorganisatie dan: wij treffen voor de veiligheid van studenten en medewerkers toch wat aanvullende maatregelen, in lijn met wat experts in huis, bij het RIVM, ECDC en de WHO zeggen. Een beetje evidence-based, zeg maar. Bijv. toch voorlopig nog overal mondkapjesplicht binnen, grootschalig toegankelijk sneltesten om de hoek, op z’n minst vrijwillig vragen om negatief testresultaat of vacc bewijs? … Verder stijgende verbazing nu ook nog blijkt dat OMT en zelfs de GGDs (hebben die zich ooit eerder kritisch geuit over het beleid?) tegen dit plan adviseren. Hoe ging het vorige keren ook alweer toen we sneller/verder openden dan OMT adviseerde?”

Medeplichtig

@UvA_Amsterdam should have the guts to require vaccination for staff and students for access to the university buildings and provide Zoom education for those who are not vaccinated. It is too optimistic to open up for everyone in September and assume to still be open in November.” Roland Pierik, universitair hoofddocent Universiteit van Amsterdam.

Een moeilijk punt in de kritiek van Cornell op de UvA is misschien het feit dat hij de universiteit medeplichtig acht “aan de strategie van Rutte”. Cornell stelt dat de universiteit verantwoordelijkheid heeft tegenover de stad en tegenover de kwetsbaren binnen haar eigen muren. Dat heeft ieder individu, iedere instelling en ieder instituut. Maar de universiteit misschien zelfs net een beetje meer. Voor de leek zijn wetenschappelijke inzichten wellicht moeilijk te doorgronden, maar daar hebben ze bij universiteiten toch geen last van. Als ze ergens goed zouden moeten weten hoe verbonden zij zijn met de samenleving, de precedentwerking die zij scheppen door zo achteloos met risico’s om te springen, hoe politiek het coronabeleid werkelijk is, wat pre- en asymptomatische verspreiding is en wat exponentiële groei is, dan is het wel aan de universiteiten.

Verspreiding via universiteiten zal onherroepelijk tot besmettingen en verdere verspreiding in de rest van de samenleving leiden. Mensen die extra kwetsbaar zijn voor dit virus, zullen er ernstig ziek van worden of sterven, dat weten we inmiddels heel erg goed. Maar vanuit de universiteiten komt weinig roering. Of zoals Cornell schrijft: een universiteit als de “UvA die claimt studenten kritisch te leren denken en ethiek bij te brengen en zich graag laat voorstaan een instituut vol topwetenschappers te zijn” (vrij geciteerd), zou juist nu uitgebreid van zich moeten laten horen. Maar de universiteiten lopen niet voorop bij het vinden van innovatieve oplossingen om met de pandemie om te gaan. Ze zwengelen geen ethische discussies aan. Eigenlijk zijn ze oorverdovend stil. Ze volgen ‘het beleid’. Of met andere woorden: de politiek.

Een aantal universitaire docenten en professoren spreekt zich uit. Maar het is niet genoeg. Ze worden nauwelijks gehoord. Op Femke Nijboer na misschien, docent aan de Universiteit van Twente. Zij raakte een gevoelige snaar toen ze publiceerde dat ze geen ongevaccineerde studenten in haar collegezaal wilde. Want, stelt Nijboer, “[a]ls je pot-ver-drie een wetenschappelijke studie wilt doen, maar je gelooft niet in de wetenschap, wat doe je hier dan?” Maar hoe zit het dan met de universiteiten zelf? De zwijgende docenten? De wetenschappers die er werken? Al die hooggeleerde mensen die lijdzaam de politiek volgen en de wetenschap naast zich neerleggen? Nu is niet de tijd om oorverdovend stil te zijn. En daarom is het statement van Cornell – inclusief grote woorden – niet melodramatisch, maar bittere ernst en noodzaak. Die stilte moet doorbroken worden. Want, om het maar in de termen van Femke Nijboer uit te drukken: als wetenschappers pot-ver-drie al niet in de wetenschap geloven, waar staat de wetenschap dan eigenlijk voor?

1. Geen link, u kunt de ‘reaguursels’ op bijvoorbeeld weblog Geen Stijl erop naslaan.

Foto William Moreland

Prikken, prikken, prikken

Prikken, prikken, prikken

In de ogen van de één zijn de coronavaccins onze redding. In de ogen van de ander zijn de vaccins genetisch gemodificeerde rotzooi die je niet in je lichaam wil hebben. De samenleving raakt opgedeeld in twee kampen: je bent óf lyrisch over de vaccins, of je bent een antivaxx-wappie. De vele tinten grijs die er tussen deze twee uitersten zitten, raken steeds meer vervaagd. Er kan zelfs geen normaal gesprek meer gevoerd worden over vaccineren tegen corona.

Begrijp me goed, ik ben pro-vaccineren, maar niet lyrisch over de vaccins. Ik zie ze niet als dé redding, maar als belangrijk hulpmiddel. Ik zie de voordelen van vaccineren, maar ik begrijp ook dat niet iedereen die ziet. Lang onthield ik me van uitspraken over die vaccins, eigenlijk alleen maar omdat ik beide kanten begrijp. Maar de situatie die nu ontstaat, de ‘hysterie’ bij onze overheid om maar zo snel mogelijk in iedere arm een prik te krijgen, bekruipt me. Als antropoloog, maar ook als mens.

Door schande wijs

Omdat ik veel gewerkt heb in Afrikaanse landen, ben ik het wel gewend om dat gele boekje bij me te dragen. Op het ebolavaccin na ben ik ingeënt tegen werkelijk bijna alles, zelfs hondsdolheid. Ik heb altijd begrepen dat ik sommige gebieden niet in mocht zonder bijvoorbeeld een vaccinatie tegen gele koorts, of meningokokken. Door schande wijs geworden overigens. Want ooit zat ik in Sierra Leone vast bij de grens met Guinee. Ik werd niet binnengelaten zonder geldig Yellow Fever Certificate, zelfs niet tegen een aardig duitje Guinea Francs. Vergeef me, ik was daar nieuw, jong en onbezonnen en probeerde dat inderdaad, ik was korter dan 10 dagen tevoren ingeënt. Op mijn vraag waarom die vaccinatie echt zo per se noodzakelijk was, was het antwoord simpel en kort: “We hebben hier nauwelijks gezondheidszorg. Jouw besmetting kost andere mensen het leven en veroorzaakt een hele grote puinhoop.” Say no more. Natuurlijk weet je dan; het is krankzinnig dat je andere mensen aan dat soort risico’s wil blootstellen.

Het doel heiligt de middelen

Ik ben dus niet pertinent tegen een vaccinatieplicht, of vaccinatiedwang. Soms heiligt het doel de middelen. Als je echt niet anders kan. Als je alles hebt gedaan om je land of een gebied vrij te houden van een ziekte, of transmissie laag te houden en een vaccinatie echt de enige oplossing is om je land en de bevolking te beschermen tegen ernstige ziekte, sterfte of maatschappelijke ontwrichting. Als je je prioriteiten hebt gesteld: we zetten alles op alles om de kwaliteit en beschikbaarheid van zorg voor iedereen te kunnen waarborgen. En ook het onderwijs, als belangrijk fundament van onze samenleving, beschermen we tegen sluiting met alle mogelijke middelen en voorzorg die we voor handen hebben. En daar zit voor mij nu wel de grootste wrijving. Want als je echt prioriteit had gegeven aan zorg en onderwijs, dan hadden we deze zomer alles op alles gezet om de verspreiding ver omlaag te brengen en te houden. In plaats daarvan werden mensen gestimuleerd om te gaan Dansen met Janssen, op vakantie te gaan, te gaan recreëren, en te consumeren. Met het reële risico dat we in de herfst weer met maatregelen zullen zitten, omdat we met een hoge besmettingsgraad het nieuwe schooljaar ingaan. Meer mensen in het ziekenhuis, de zorg die nog ingehaald moet worden staat weer onder druk, de kwaliteit van zorg kan op den duur weer niet gewaarborgd worden, maar de Formule 1 in Zandvoort gaat door.

Aanvaardbare risico’s

Nederland zette vanaf het begin van de pandemie in op het accepteren van risico’s. De “aanvaardbare risico’s,” zoals Rutte dat noemt. Een individuele besmetting is niet erg, zolang we maar niet teveel te grote clusters veroorzaken. In persconferenties, maar ook in Tweede Kamerdebatten hoorden we onze premier meermaals verlangen naar de kroeg en bitterballen op een terras, terwijl de zorg toen al door de hoeven was gezakt. Zeker in het begin werd keer op keer herhaald: “het treft vooral ouderen”. Velen van ons zouden ziek worden maar dat was juist goed, om dat ‘beschermende muurtje om de kwetsbaren’ heen te bouwen. En mensen accepteerden die risico’s. Ze bleven aan het werk, ook daar waar er geen maatregelen getroffen werden. In de zorg zonder mondneusmaskers, in het onderwijs en de opvang, met kinderen met klachten, in allerlei andere beroepen waar thuiswerken niet mogelijk was. En dat geeft ons – bewust of onbewust – een boodschap: als dat allemaal kan en die mensen lopen op die manier geen risico, “dan is corona voor mij niet zo erg”.

Heen en weer

Tijdens de coronacrisis zijn wij als samenleving heen en weer geslingerd in een – en ja, ik ga dit woord echt gebruiken – krankjorum beleid. Moesten we eerst massaal ziek worden om groepsimmuniteit te bereiken, een week later zaten we ineens in een ‘intelligente’ lockdown. Mondneusmaskers werkten niet, alleen in het openbaar vervoer. Toen weer wel, maar alleen als je stond of liep. Kinderen raakten nauwelijks besmet, toen weer wel, maar vooral de oudere kinderen en die kregen het dan weer niet op school, maar op de fiets. Terwijl de rest van ons, hoger dan 1 meter weet ik niet, in de buitenlucht dan weer nauwelijks besmet raken. Met z’n vieren in een auto leverde besmettingsgevaar op, maar met z’n allen in het vliegtuig was volkomen veilig. Het was al snel duidelijk: we waaiden met alle lobby’s mee.

Goed en kwaad

De lijst met onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke uitspraken en maatregelen is eindeloos lang. En ergens, toen die lijst aan het groeien was, donderden er steeds meer mensen overboord. Veel mensen kregen twijfels. Zochten naar antwoorden. Houvast. Want ook hun levens stonden op z’n kop. Ze werden bediend op nog meer wazigheden, gelieg en gedraai bij Kamerdebatten. Er was nauwelijks goede voorlichting te vinden. Dokter Google gaf antwoord. Lotgenoten op Facebook naaiden elkaar op. Er moest meer achter zitten. En ja, er staan altijd mensen klaar om deze willige slachtoffers naar binnen te halen. Er zijn altijd mensen die de maatschappij graag willen ontwrichten. En helaas, daar zijn ze goed in geslaagd. We zijn ze gaan zien als één grote groep ‘wappies’. Waarmee we de mensen die van ontwrichten hun levenswerk hebben gemaakt, gelijkstellen aan mensen die echt in de war zijn. Het komt ons uit, zo’n nette onderverdeling tussen goed en kwaad.

Voor of tegen

In dit proces verdelen we de samenleving onder in ‘voor of tegen’. Mensen die oprecht twijfels hebben, die zich keurig aan alle maatregelen houden, die helemaal niet meelopen in demonstraties en zich ook gewoon zorgen maken om hun gezondheid, kunnen nergens met hun twijfels terecht. Ze raken in een isolement en voelen zich al vaak gedwongen om te liegen over hun vaccinatiestatus. Zelfs tegenover hun eigen familieleden. Voor hen is het vaccin te nieuw, of ze begrijpen niet waarom ze zich nu moeten laten vaccineren terwijl ziek worden voor hen eerder ook niet als problematisch gezien werd. Is natuurlijke immuniteit voor hen niet beter dan vaccinatie? Wat zijn de lange termijn effecten van deze vaccins? En weten we eigenlijk wel zeker dat ze goed werken? Sommige mensen willen hun verhaal graag kwijt, hun twijfels bespreken en beslissen dan alsnog om zich te laten vaccineren. Als je uitlegt dat niet alleen gezondheidsschade voor henzelf invloed heeft op hun leven, maar ook de maatschappelijke schade. Of dat ze op die manier de risico’s voor hun ongevaccineerde kinderen beperken. En dan zijn er nog de mensen die het gewoon niet zo nodig vinden, maar zich wel zouden laten vaccineren om op vakantie te kunnen gaan. Sommigen van hen zijn zich echt niet zo bewust van hun eigen rol in de verspreiding (dat geldt voor veel jongeren bijvoorbeeld) en weer anderen voelen zich helemaal niet betrokken bij de maatschappij, dus het zal allemaal wel.

Hoe goed werken die vaccins nou eigenlijk?

En dan de grote hamvraag: hoe goed werken die vaccins nou eigenlijk? Overal ter wereld zien we: ze werken echt heel goed tegen ernstige ziekte. Maar de vraag is hoezeer ze helpen tegen verspreiding. Er zijn meerdere studies waaruit blijkt dat gevaccineerden evenveel virus bij zich kunnen dragen als ongevaccineerden, alleen voor kortere duur. Als het goed is, zijn die mensen ziek thuis, dus de kortere duur heeft dan geen effect op de verspreiding. En de allergrootste vraag, namelijk hoe vaak doorbraakinfecties voorkomen, blijft vooralsnog onbeantwoord. Gevaccineerden zou je actief moeten aanmoedigen zich te laten testen bij klachten, maar dat gebeurt niet. En als deze mensen zich niet laten testen, bijvoorbeeld omdat ze denken dat het vast iets anders is dan corona want gevaccineerd, dan is die vraag vooralsnog onmogelijk te beantwoorden. Dit bespreken we nauwelijks, uit angst dat dit koren op de molen is van de ‘antivaxx-wappies’, maar dat is echt een verkeerd uitgangspunt.

Hooggespannen verwachtingen

De vaccins zijn gemaakt om het risico op ernstige ziekte te verminderen en dat doen ze echt bijzonder goed. Dat is een enorme winst. Maar we kunnen daar al niet eens meer blij mee zijn. We hebben ons bedacht dat ze dan ook moeten beschermen tegen besmetting en als dat niet zo is, dan werken die vaccins niet. Een volslagen absurde conclusie. Maar dit is wel wat de overheid met haar beleid en communicatie bewerkstelligt: de vaccins waren dé uitweg. De mooie zomer die zou komen, het vooruitzicht dat alle maatregelen losgelaten zouden kunnen worden. Maar kan dat wel, als gevaccineerden ook verspreiden? Tja, en daarom slaat onder sommige mensen de twijfel toch ook weer toe. En dus komt de vaccinatieplicht weer ter sprake. Dat is onterecht. Want in Nederland is de vaccinatiebereidheid echt enorm hoog. Ongehoord hoog. Dat moet je koesteren. En zetten we wel alle middelen die we hebben in om verspreiding tegen te gaan? Is een mondneusmasker voor iedereen niet minder belastend dan mensen te dwingen zich te laten vaccineren? En als het om zowel tegengaan van ziekte als tegengaan van verspreiding gaat, waarom dan geen mondneusmasker én een vaccinatie? Met welke reden willen we iedereen dwingen zich te laten vaccineren? Om naar een evenement te kunnen? Of om te zorgen dat er genoeg zorg is voor iedereen? Want dat maakt nogal een verschil.

Geen dwang, maar stimulans

Nu is er in Nederland (nog) geen sprake van een vaccinatieplicht. Maar we bewegen er langzaam naartoe. Ik hoor steeds vaker: die verplichting moet er komen, het is genoeg geweest met de pandemie. De Tweede Kamer stemde in met het voorstel om niet-gevaccineerden te laten meebetalen aan hun ‘test voor toegang’. Daarmee is een eerste stap gezet in ongelijke behandeling. En de motivatie is vaag. Want gevaccineerden kunnen ook (ongemerkt) verspreiden. Waar ligt het verschil? Ook bij gevaccineerden wordt hoge virale lading gevonden. Wie wel en wie niet veel virus bij zich draagt, kan niemand aan de buitenkant zien. Hugo de Jonge was er tijdens de persconferentie van 13 augustus eerlijk over: vaccineren moet wel voordelen hebben. “Het is geen dwang, dat is het niet. Ook niet indirect. Het is wel een sterke stimulans, en die bedoelen we eigenlijk ook.” Het is in epidemiologisch opzicht niet de beste zet om alleen van ongevaccineerden te vragen zich te laten testen voor toegang, want gevaccineerden verspreiden ook. Dit is “alle mogelijke manieren aangrijpen om mensen te stimuleren tot vaccinatie”. Kijk, en daar vind ik wat van. Want dit is echt gericht op jongeren. Jongeren die zelf mogen beslissen of ze zich laten vaccineren. Die een weloverwogen keuze moeten kunnen maken. Maar die nu gewoon die prikbus inlopen omdat ze anders ergens niet binnenkomen. De impulsprik onder minderjarigen, zeg maar. En dat is heel erg kwalijk.

Prikken om de juiste redenen

Die vaccinatieplicht, dwang of drang is bij ons vooralsnog niet nodig. De vaccinatiegraad is hoog. Een deel van de mensen bereik je echt niet, punt. Er zijn nou eenmaal mensen die de boel koste wat kost willen ondermijnen. Dan zijn er de twijfelaars. Onder hen veel jongeren. Die kan je een perverse financiële prikkel geven, omdat die gewoon de centen niet hebben om steeds te testen voor toegang, óf ze goede voorlichting geven. Ze beschermen om de juiste redenen. En die zijn er. Kijk naar wat er in de Verenigde Staten gebeurt: er komen steeds meer kinderen in ziekenhuizen terecht. Het aantal gevallen langdurigcovid onder jonge mensen neemt toe. Het kan ze flink ziek maken. De jonge kinderen, die niet gevaccineerd kunnen worden, lopen risico’s die we maar niet willen zien. En het is juist in hun belang dat er zo min mogelijk verspreiding is. Dat bereiken we voor een deel met de vaccins (omdat toch minder mensen ziek zullen worden) en deels met andere voorzorgsmaatregelen. Doe het allemaal.

Als dat allemaal niet voldoende effect heeft moet je, in het belang van de gezondheid van alle mensen die nog altijd veel risico lopen, overwegen tot vaccinatieplicht over te gaan. Zoals de gouverneur van Washington deed, die geen gok wilde nemen met de gezondheid van kinderen. Een vaccinatieplicht voor iedereen die met kinderen werkt én een maskerplicht voor iedereen. Het is niet prikken, prikken, prikken omdat ‘iedereen zich maar moet laten vaccineren punt’. Het is prikken, testen, quarantaine, thuisblijven bij klachten, afstand houden, mondneusmasker dragen, alles, totdat de besmettingsgraad laag genoeg is om iedereen in onze samenleving deel te kunnen laten nemen aan het leven. Zo beschermen we met z’n allen de samenleving tegen mensen die de samenleving hoe dan ook willen ontwrichten. Tegen het virus. We voorkomen maatregelen. Willekeur. En zo voorkomen we ook dat we voor onbepaalde tijd onze grondrechten moeten opgeven. Want dat doen we, naar mijn idee, nu wel al te makkelijk.



Foto: Prasesh Shiwakoti

Tijd om te gaan leven met het virus

Tijd om te gaan leven met het virus

Nu steeds meer mensen in onze samenleving gevaccineerd zijn, klinkt de roep om het loslaten van maatregelen in de media steeds luider. We houden nauwlettend de situatie in het Verenigd Koninkrijk in de gaten. Na hun ‘bevrijdidingsdag’ kwam geen tsunami aan Delta-slachtoffers, maar een scherpe daling in de besmettingen. Zie je wel, dat is het effect van de vaccinaties, is de snelle conclusie. En ook in Nederland zien we een rustige zomer, vinden we. Ondanks de relatief hoge besmettingsgraad vergeleken met vorig jaar en ondanks het hoge percentage positieve testen. En dat is ondanks de zomervakantie, gesloten scholen en peuterspeelzalen, ondanks het feit dat er veel minder mobiliteit is, er redelijk wat mensen op vakantie zijn, je veel meer buiten af kunt spreken en veel mensen een paar weken vrij zijn van hun werk.

Eigenlijk is er gewoon veel verspreiding in de samenleving. Maar iedere keer als de cijfers wat gaan dalen, hangen wij meteen de vlag uit. Corona raakt uitgedoofd, we zijn er klaar mee, ‘we kunnen weer’. Het is iedere keer hetzelfde. En iedere keer leidt het tot teleurstelling. Zoals het ook nu zal doen. Want het virus is niet weg en het verspreidt zich. De supermegaverspreiding via evenementen en festivals is gestopt. Nu verspreidt het virus zich op zijn normale gangetje door de leeftijdsgroepen heen. En dat duurt altijd even. Een paar weken nadat de scholen weer open zijn, gaat het dan weer mis. Iedere keer weer.

Wij doen hetzelfde als de landen om ons heen

Wij vergelijken ons graag met andere landen met een hoge vaccinatiegraad. We concluderen snel dat het daar wel meevalt (ook al vindt bijvoorbeeld een land als Israël dat zelf helemaal niet) en dus werken die vaccins tegen alles. Ze werken echt goed overigens, tegen ernstige ziekte. Maar of er daadwerkelijk aanwijzing is dat ze ook werken tegen verspreiding? Nee. De onderzoeksresultaten zijn conflicterend. Daarnaast hebben wij ten onrechte het idee dat we zo ongeveer hetzelfde doen als die andere landen. Waarbij we de beperkende maatregelen die zij hebben, over het hoofd zien.

Bijna alle landen hebben nog altijd een mondneusmaskerplicht bijvoorbeeld, soms alleen binnen, soms binnen en buiten. Soms geldt die plicht ook voor jonge kinderen vanaf twee jaar, in de schoolsetting. Terwijl bij ons de kinderen straks zonder anderhalve meter afstand, zonder mondneusmasker en met klachten in slecht geventileerde klaslokalen bij elkaar mogen zitten.

In Duitsland, waar het momenteel een stuk beter gaat dan hier, is het voor het publiek zelfs verplicht een FFP2 masker te dragen. Bijna overal ter wereld wordt in de zorgsetting een mondneusmasker gedragen, waar wij onbekommerd en onbeschermd bij de huisarts op bezoek gaan. Of bij zieke familieleden in het ziekenhuis. In sommige landen is er veel aandacht voor ventilatie, waarbij men ervan uitgaat dat verspreiding ook via aerosolen plaatsvindt. In veel landen kan je bij wijze van spreken op iedere straathoek testen, wat de testbereidheid aanzienlijk vergroot. Sommige landen hebben strenge inreisbeperkingen. Kijk, het lijkt allemaal wel zo’n beetje hetzelfde, maar dat is het niet. Al die landen waar we ons graag mee vergelijken hebben een breed palet aan maatregelen en een eigen timing voor de inzet ervan.

En ook de strategieën verschillen wel wat van elkaar. In Australië is er veel aandacht voor besmettingen in de buitenlucht en besmetting bij vluchtig passeren in de openbare ruimte. Bij ons is dat niet van belang. Wij accepteren dat het virus rondgaat. We kijken niet op een paar individuele besmettingen. Wij zijn gericht op het tegengaan van grote clusters. En hoe meer mensen gevaccineerd zijn, hoe groter die clusters mogen worden. Het Verenigd Koninkrijk volgt diezelfde filosofie, terwijl Israël meer inzet op het tegengaan van verspreiding in het algemeen.

Maar wij hebben de beste experts

We doen het dus overal (in ieder geval nét een beetje) anders. Al sinds het begin van de pandemie horen we Rutte vaak verdedigend zeggen: “Maar wij hebben de beste experts.” Waarom doen wij het dan relatief slecht, vergeleken met andere landen? Zijn onze experts dan echt wel zo goed? Soms kan je het gevoel bekruipen dat ze niet weten waar ze het over hebben, als ze weer net te laat, net te weinig maatregelen adviseren om een nieuwe besmettingsgolf te voorkomen.

Waarom luistert ons kabinet niet liever naar de adviezen van experts uit andere landen, of van gezondheidsinstituten als het Robert Koch Institut in Duitsland, of het CDC in de Verenigde Staten, of naar de WHO? Hoe komt het dat ‘de’ wetenschap over corona in andere landen anders is dan bij ons? En hoe komt het dat leiders van andere landen zich ook, net als Rutte, herhaaldelijk beroepen op de inbreng van hun eigen ‘allerbeste experts’?

Wetenschap, politiek of ideologie?

Is de aanpak gebaseerd op wetenschap, op ideologie, of is het 100% politiek? In de praktijk blijkt daar onmogelijk een duidelijke scheidslijn in aan te brengen. Het is een beetje van alles wat, waarbij de politieke ideologie de boventoon voert. Wetenschap wordt vooral op díe manier ingezet, die past bij de heersende politieke ideologie.

Maar welk beleid is dan ‘goed’, of ‘beter’? En welke experts zijn dan ‘goed’ of ‘beter’? Ook dat kan je op verschillende manieren bekijken. Om dat goed te kunnen begrijpen, moeten we eerst een kijkje nemen op de wereldkaart:

Wat suf, die kaart zo ondersteboven. Alhoewel, is dat wel zo suf? Als je beter kijkt, staat de kaart met een reden ondersteboven. Maar waarom lijkt Europa op deze kaart in het niet te vallen, terwijl ons continent op de ‘normale’ wereldkaart zo prominent aanwezig is? Het centrum van de kaart, zeg maar, waar alles omheen draait. Nou kijk, als je vanuit Australië naar de wereld kijkt, ziet die er heel anders uit. Dan zijn wij ineens niet meer het middelpunt van het bestaan, maar zijzelf. En zo zit het eigenlijk met alles.

Hoe we naar de wereld kijken, ligt aan:
waar we zijn
• welke afspraken we daar met elkaar maken
• wat we daar, in het algemeen, ‘normaal’ vinden
• welke regels er daar gelden
wie die regels maakt

We bekijken de wereld allemaal vanuit ons eigen perspectief. Vanuit onze eigen normen en waarden, wetten en regels. We vragen ons maar zelden af wat er zo ‘normaal’ is aan hoe wij leven. Voor ons zijn het een soort ijzeren natuurwetten waar we naar leven. We beschouwen de wereld om ons heen als ‘raar’, ‘vreemd’, of ‘anders’. Net zoals je maar moeilijk kunt wennen aan de wereldkaart hierboven en die het liefst zou willen draaien om alles weer in perspectief te krijgen, zo doen we dat ook als we ons geconfronteerd zien met andere manieren van leven.

Nu, tijdens de pandemie, worstelen we vooral met dit begrip, of liever gezegd: het gebrek aan dit begrip. We denken dat wetenschap objectief is, we denken dat alle overheden – ongeacht hun politieke ideologie – één objectieve maatstaf gebruiken om te doen wat het ‘beste’ is voor hun bevolking, of dat tenminste zouden moeten nastreven. What’s good for the goose, is good for the gander. Wat goed of acceptabel is voor de één, zou automatisch goed of acceptabel zijn voor de ander. Maar wie bepaalt dat? Het rijke westen? Nederland? Europa? De Verenigde Staten? Brazilië? China? Nieuw Zeeland? Of Australië? Het antwoord is: niemand.

Het is ieder land voor zich. En dus volgen verschillende landen verschillend beleid, wordt er in de wetenschap verschillend gedacht over bepaalde onderwerpen en worden bepaalde dingen juist wel, of juist niet onderzocht. En hebben alle overheden de beschikking over ‘de beste experts’ die hun beleid van een wetenschappelijk kader voorzien.

In Australië draait het beleid om het beschermen van alle Australiërs tegen infectie, in gelijke mate. In Nederland beschermen we de ‘kwetsbaren’, waarbij de overheid in samenspraak met de experts bepaalt wie de kwetsbaren zijn. In Brazilië wil men het liefst niemand beschermen tegen het virus, maar het uit laten razen, ondanks de gevolgen voor de volksgezondheid. In Indonesië koos men voor een strategie waarbij de economie boven de volksgezondheid werd geplaatst. In hun vaccinatiestrategie bijvoorbeeld, staan niet de ouderen en de mensen met ‘onderliggend lijden’ centraal, maar de jonge, fitte arbeidspopulatie.

Etnocentrisme
Je beoordeelt andere culturen aan de hand van de normen en waarden van je eigen samenleving. Je eigen cultuur geldt als maatstaf – van wat je ‘normaal’ vindt – waardoor je andere culturen vaak automatisch ziet als minderwaardige imitaties van je eigen cultuur.

In Nederland zijn wetenschap en politiek nauwelijks van elkaar te onderscheiden

In Nederland is ‘de wetenschap’ achter het coronabeleid een grote zwarte doos. De OMT verslagen geven een kleine inkijk in hoe de overheid geadviseerd wordt met betrekking tot maatregelen en versoepelingen, maar niet in de kijk van de experts op de strategie. In Nederland lijkt het zelfs wel alsof die strategie helemaal niet wordt bevraagd. De wetenschappers betrokken bij het beleid, lijken opvallend eensgezind in hun opvattingen en hun kennis over corona.

Op een enkeling na, is er in Nederland binnen de invloedrijke kring van experts niemand die ooit het vraagstuk heeft opgeworpen of gecontroleerd uitrazen een wenselijke strategie is, vanuit wetenschappelijk perspectief. Is het überhaupt mogelijk? Hoe monitoren zij dat? Waarop baseren zij dat rotsvaste geloof dat je dat virus onder controle kunt houden, zelfs nadat de hele samenleving tot driemaal toe heeft kunnen zien dat dat schier onmogelijk is?

Kennis en wetenschappelijke discussies in andere landen lijken, zo van buitenaf bekeken – niet door de harde schil van de Nederlandse (bio)medische wetenschap te komen. Zo is er in Nederland geen discussie over de besmettelijkheid van kinderen, hun rol in de verspreiding, het nut van mondneusmaskers, aerosolen, het belang van ventilatie, om maar een paar voorbeelden te noemen. Er is geen discussie, maar vaak ook geen ‘kennis van eigen bodem’. Zo weten we weinig over de rol van kinderen in de verspreiding, maar nemen we aan dat die rol klein is.

Ook de ‘harde wetenschap’ kent ideologie en cultuur

Om de biomedische wetenschap te omschrijven gebruiken we in de volksmond wel het woord ‘harde wetenschap’, of exacte wetenschap. Die woorden suggereren een bepaalde onvoorwaardelijke objectiviteit. Maar hoe objectief is objectief? Met de ‘harde wetenschap’ kunnen makkelijker objectieve metingen worden gedaan dan met sociaalwetenschappelijk onderzoek. Bij de harde wetenschap kunnen experimenten in wiskundige modellen worden weergegeven, makkelijker worden herhaald door andere wetenschappers om de kennis te toetsen en hetzelfde fenomeen opnieuw te kunnen meten en berekenen. Wát en vanuit welke invalshoek men dat onderzoekt echter, is niet zo ‘hard’, maar afhankelijk van wat de wetenschapper wil onderzoeken, waarbij ideologie en cultuur wel degelijk een (grote) rol kunnen spelen.

Laten we nog eens naar de rol van kinderen in de verspreiding kijken: omdat men ervan uitging dat kinderen nauwelijks een rol speelden bij de verspreiding, werd een strategie gekozen waarbij kinderen niet of nauwelijks werden getest. Men vond het simpelweg niet belangrijk om de rol van kinderen daadwerkelijk in kaart te brengen. Besmetting onder kinderen wordt niet als onwenselijk gezien, hoewel men geen beeld heeft bij de (lange termijn) schade die het coronavirus aan kinderen toebrengt. Geen harde kennis dus, maar een aanname dat de schade aan kinderen meevalt en dat de verspreiding die samenhangt met transmissie in scholen, acceptabel is.

Welk onderzoek je wél of juist niet doet, maakt het verschil

Wie slechts het Nederlandse nieuws volgt, kan het idee krijgen dat er wereldwijd consensus is over de rol van kinderen in de pandemie: “the kids are ok”. Maar dit klopt niet met de werkelijkheid. In sommige Aziatische landen gaan scholen als eerste dicht als de verspreiding toeneemt en worden kinderen juist erg afgeschermd, omdat men niet weet wat het virus met hen doet. Er zijn ook redelijk wat studies gepubliceerd waaruit blijkt dat kinderen juist wel een grote rol spelen in de verspreiding.

Die verschillen hebben hun wortels in de visie die verschillende volkeren hebben op gezondheid, de gezondheid van kinderen en de kwaliteit van de beschikbare zorg. In Nederland vinden we het niet zo erg als kinderen besmet raken – wenselijk misschien zelfs – omdat zij veel minder risico lopen om in het ziekenhuis terecht te komen. Waarbij we dus definiëren dat iemand pas echt erg ziek is, als opname in het ziekenhuis noodzakelijk is. Wij gaan ervanuit dat covid-19 niet zo schadelijk is voor kinderen, terwijl er in andere landen wetenschappers zijn die constateren dat langdurige ziekte door covid-19 ook kinderen treft. Bovendien zien we zowel in de VS als in Indonesië dat momenteel veel kinderen op de IC terechtkomen, of zelfs sterven.

In Nederland is geen deugdelijk onderzoek gedaan naar verspreiding op basisscholen, de kinderopvang of de peuterspeelzaal. Wel werd onderzoek gedaan naar verspreiding op middelbare scholen en dan meer specifiek naar het effect van een teststrategie in combinatie met fulltime, fysiek, onbeschermd onderwijs. Er werd geen vergelijkende studie gedaan naar het verschil tussen volledig fysiek onderwijs en hybride onderwijs, bijvoorbeeld. Geen vergelijkende studie tussen scholen met uitstekende ventilatiemogelijkheden en scholen met nauwelijks ventilatiemogelijkheid. Er ligt geen vergelijkende studie tussen onbeschermd, onbelemmerd onderwijs en onderwijs met strikte opvolging van de anderhalve meter afstand. Of naar het gebruik van mondneusmaskers in de schoolsetting. Of de verschillen tussen het stoffen lapje, een chirurgisch masker en FFP2.

Om onduidelijke redenen is het niet denkbaar dat er op scholen echte voorzorg in acht genomen wordt, zoals door het dragen van een mondneusmasker, anderhalve meter afstand, ventilatie, hybride onderwijs en een uitgebreid testprotocol. We vinden open scholen zonder voorzorgsmaatregelen acceptabel. Zonder hard wetenschappelijk bewijs. Zonder inzicht zelfs, in het effect daarvan. Het behoeft geen betoog dat dit geen wetenschap, maar ideologie is. Geworteld in een cultuur waarin ‘weerstand opbouwen’ wenselijk is en ‘vrijheid’ betekent dat we geen gezichtsbedekking dragen.

Voortschrijdend inzicht

De verschillen in wetenschappelijke opvattingen wekken nogal wat verwarring. Niet zozeer omdat mensen niet begrijpen dat de wetenschap voortdurend in ontwikkeling is en het principe ‘voortschrijdend inzicht’ niet vatten, maar omdat wetenschappers (vaak zonder dat zij er zelf onderzoek naar deden) onwrikbaar vasthouden aan de eigen ideeën. Neem nu dat vermaledijde mondneusmasker. In Nederland lijkt er geen wetenschapper te vinden die gelooft in het nut van het breed inzetten van het ervan, terwijl bijna de hele wereld ze gebruikt. Hoe kan het toch dat de Nederlandse wetenschappers overal achteraan lijken te hobbelen? En waar is dat Nederlandse ‘eigen’ onderzoek dan dat bewijst dat mondneusmaskers inderdaad niet werken?

Steeds meer mensen struinen het internet af op zoek naar informatie. En informatie is er heel veel voor handen. Sommige mensen maken gebruik van de informatie die er van buitenlandse, gezaghebbende instituten komt, anderen vallen in de fuik van de complotwetenschap. En hoe langer deze verwarrende situatie voortduurt, hoe meer we gaan zoeken naar informatie die past bij onze eigen denkbeelden. Van de wetenschap in eigen land moeten we het niet hebben. Dan moeten ze maar luisteren naar andere landen. Maar in welke landen zitten dan die wetenschappers die het wel steeds bij het rechte eind hebben? En worstelen ze in andere landen niet net zo hard met deze problematiek als wij?

De wetenschap plooit zich naar de politiek

Laten we het niet te ver van huis zoeken om een vergelijking met andere landen te maken. We kijken naar een land dat zowel in geografisch, als in politiek ideologisch opzicht dichtbij ligt en waar bovendien een vergelijkbaar coronabeleid gevoerd wordt: het Verenigd Koninkrijk. De overeenkomsten zullen duidelijk zijn: beide landen gingen voor een strategie van groepsimmuniteit, dat werd bijgesteld om daarna over te stappen op uitsmeren totdat vaccins groepsimmuniteit zouden bieden.

Een kijkje in de keuken van het coronabeleid van het Verenigd Koninkrijk vinden we in het boek Spike van Jeremy Farrar. Farrar – directeur van Wellcome Trust en adviseur in SAGE, het Britse equivalent van het OMT – was een van de wetenschappers die vanaf het allereerste signaal uit Wuhan dicht op de pandemie zat. Spike is een spannend geschreven reconstructie van de eerste helft van de pandemie. Farrar vertelt niet alleen over de algemene ontwikkelingen, afgezet tegen een tijdlijn, maar ook over zijn eigen rol en overdenkingen. Hoewel het vaak leest alsof hij zijn eigen straatje schoonveegt, geeft hij toch een interessante inkijk in de verwevenheid tussen wetenschap en politiek die het lezen waard is.

De wetenschap was sneller dan we denken

Als geheugensteuntje eerst nog een voorbeeld van de corona-aanpak, om in het achterhoofd te houden. Maandenlang was het een enorm getouwtrek: testen zonder symptomen. Het zou zinloos zijn, van asymptomatische verspreiding was nauwelijks sprake. “Iemand die nog niet ziek is of nog niet hoest of niest, zal het virus niet verspreiden,” aldus het RIVM in maart 2020. Per 1 december 2020 veranderde dit plotseling. Als je in nauw contact was geweest met een coronapatiënt, mocht je je ook zonder klachten laten testen. En dat riep vragen op. Was er voortschrijdend inzicht? Op basis van welk onderzoek? Antwoord op die vragen kwam niet. Als je het 85e OMT advies erop naslaat lijkt het eerdere beleid meer ingegeven te zijn geweest door capaciteit dan door wetenschap. Maar dat is vooralsnog speculatie zonder bewijs. Terug naar Farrar.


Fragment uit Spike van Jeremy Farrar

Op 24 januari [2020] had de wereld alle informatie [over het nieuwe coronavirus] die het nodig had: een potentieel dodelijke, nieuwe luchtwegaandoening die zich tussen mensen zonder symptomen kon verspreiden.

Uit de reconstructie van Farrar maken we op dat asymptomatische verspreiding, waar zoveel om te doen is geweest, op 24 januari 2020 al bekend was. Ver voordat corona ooit in het VK (en Nederland) aankwam. Was Farrar de enige die dit wist? Nee. Farrar beschrijft hoe Thijs Kuiken, Hoogleraar Vergelijkende Pathologie op de afdeling Viroscience van het Nederlandse Erasmus UMC, werd gevraagd een paper te reviewen, daardoor deze informatie te weten kwam en besloot het te delen met de WHO.


Fragment uit Spike van Jeremy Farrar

Wetenschap en politiek zijn niet van elkaar te onderscheiden

Het is maar een voorbeeld, want in het boek staan meer opzienbarende zaken. Maar het is er één die veel invloed heeft gehad op de pandemie en waaruit de vermenging tussen wetenschap en politiek pijnlijk duidelijk naar voren komt. Niet alleen in het VK, maar ook in Nederland. Terwijl er inmiddels veel wetenschappers waren die niet twijfelden aan de impact van asymptmatische verspreiding en ook de WHO schatte dat ongeveer 40% van de transmissie verliep via personen zonder ‘klachten’, waren de experts die betrokken zijn bij het Nederlandse beleid er niet zo zeker van. En dus werd er geen actie op ondernomen. Nederland wilde niet testen, testen, testen en vond het niet zo’n probleem dat het virus zich – asymptomatisch of niet – verspreidde, zolang de ziekenhuizen niet overbelast raakten. De politiek hoefde niet extra te investeren in het uitbreiden van testcapaciteit, wat weer past bij de kosten-baten benadering van het kabinet. Maar hoe wetenschappelijk was die benadering dan eigenlijk? Of paste het meer bij de wensen van de politiek?

Intussen ontging het ook de bevolking niet dat er iets niet klopte. Asymptomatische verspreiding was een behoorlijke tijd het gesprek van de dag. Met een schuin oog keken we naar China, waar bij iedere kleine uitbraak vele miljoenen mensen in een paar dagen tijd werden getest en waar de boel daarna snel weer open kon. Waarom deden ze dat toch, die rare Chinezen? Mensen testen zonder klachten had immers geen zin? Overdreven aanpak en bovendien duur en belastend voor de bevolking. In Nederland deden we het liever zonder testen, testen, testen met een haast oneindige ‘intelligente lockdown’. Met veel meer zieken en doden dan in China. ‘s Lands wijs, ‘s lands eer. Als we maar niet te pas en te onpas gevraagd (of gedwongen) werden om te testen. Een maandenlange lockdown met heel veel schade was voor ons blijkbaar een veel acceptabeler offer.

Politici verschuilen zich achter de experts

In zijn boek vertelt Farrar uitgebreid hoe politici in het Verenigd Koninkrijk zich verscholen achter de experts. Hij beschrijft de situatie van begin maart 2020, toen belangrijke beslissingen werden genomen die niet alleen het verloop van de epidemie in het Verenigd Koninkrijk bepaalden, maar ook belangrijke consequenties hadden voor de hele wereld; immers, een half jaar later begon een nieuwe variant daar te circuleren (Alpha) die grote delen van de wereld in de greep zou houden.

Terwijl de wetenschappers in het adviesorgaan SAGE zich nog bogen over de beste combinatie van maatregelen, leek de Britse overheid al een vaststaand plan te hebben. Op 3 maart 2020 lag het Coronavirus Action Plan klaar. Het plan was opgedeeld in vier fases: beheersen, vertragen, onderzoeken en uitsmeren. Het doel van de Britse overheid: verspreiding die via geïnfecteerde personen werd gevonden beheersen, hen isoleren en hun contacten traceren. Als dat de verspreiding niet zou stoppen, wilde men de epidemie vertragen richting de zomer door de bevolking te vragen zelf maatregelen te nemen, zoals handenwassen. Mocht de uitbraak erger worden, dan zou over worden gegaan tot mitigatie.

“In de modellen van hoe de ziekte zich zou verspreiden, was mitigatie (matigen) synoniem voor kudde-immuniteit: het betekende dat we niet probeerden iets tegen te houden. Mitigatie betekent de verspreiding een beetje vertragen, dus je probeert de sterfte te verminderen, maar het is niet de bedoeling om de epidemie in zijn sporen te stoppen. … Het is iets anders dan onderdrukken, wat betekent dat je de verspreiding in de eerste plaats probeert te stoppen. … “

“Ik raadpleegde de notulen om te zien of we die vierfasenstrategie ooit uitgebreid hadden besproken. Het antwoord was nee.

De politici kwamen met die strategie en het was onze taak om het te laten werken.

Jeremy Farrar – Spike

Farrar beschrijft hoe verbaasd hij was dat de Britse overheid sprak over cocooning, wat wij in Nederland een beschermend muurtje om de kwetsbaren noemen. En dat Johnson in de media sprak over het bereiken van groepsimmuniteit door infecties. Geen van beide visies was afkomstig van SAGE, volgens Farrar.

Farrar laat het niet in het midden: het idee dat groepsimmuniteit door natuurlijke infectie haalbaar, laat staan veilig was, was toen – amper drie maanden na ontdekking van een nieuwe ziekte – niet het ‘volgen van de wetenschap’, maar juist tegen de wetenschap in. Omdat er maar heel weinig groepsimmuniteit bereikt wordt tegen circulerende coronavirussen die verkoudheid veroorzaken en omdat de wetenschap nog geen idee had of tegen het gerelateerde SARS-CoV-1 langdurige immuniteit bestond.

“Het idee dat je 20 procent van de samenleving, of meer, hermetisch zou kunnen afsluiten en zeggen: ‘We gaan je een paar maanden, misschien een jaar in een hokje stoppen’, was niet haalbaar, praktisch, wenselijk of ethisch.'”

jeremy farrar – Spike

Een terugblik naar de Nederlandse situatie, precies rond die tijd. In een historische speech kondigde Rutte aan dat veel Nederlanders ziek zouden worden, dat we een beschermend muurtje zouden bouwen rond de kwetsbaren en dat we op deze manier, door de epidemie uit te smeren, uiteindelijk groepsimmuniteit zouden bereiken. Het klinkt bekend. En waar Farrar heel duidelijk maakt dat het ‘de wetenschap’ simpelweg aan immunologische kennis ontbrak om zelfs maar te kunnen beoordelen of zo’n strategie überhaupt haalbaar was, stonden wetenschappers in Nederland gewillig klaar om de bevolking uit te leggen dat dit verantwoord was, haalbaar en eigenlijk de enige manier.

Of legitimeren experts juist gewillig het overheidsbeleid?

Jaap van Dissel legde bij Nieuwsuur uit hoe de strategie van mititgatie naar groepsimmuniteit werkte. Patricia Bruijning, arts-epidemioloog van het UMC Utrecht, maakte het in EenVandaag heel duidelijk en expliciet: het was de “verstandigste strategie” om met de epidemie om te gaan. Veel mensen zouden ziek worden, zo’n 60% van de bevolking, waarna groepsimmuniteit zou ontstaan. Voor Bruijning lag alleen de vraag open hoe lang immuniteit tegen het virus zou aanhouden, 1 jaar, 5 jaar? We hadden geen andere keus, dan deze strategie te volgen. Hoe zei Farrar het ook alweer? Dit was niet het ‘volgen van de wetenschap’, maar juist tegen de wetenschap in.

Farrar beschrijft dat hij zich vaak afvraagt of hij medeplichtig is aan het Britse coronabeleid. Hij verwijt het zichzelf dat hij er niet tegen in verweer kwam, hoewel hij toch op het punt heeft gestaan zijn adviesfunctie bij SAGE neer te leggen. Hij schatte zelf in dat hij, door aan te blijven als adviseur, nog enige invloed kon uitoefenen. Een onwetenschappelijk beleid een wetenschappelijke legitimatie te geven op primetime televisie, zoals dat in Nederland gebeurde, is een nog veel grotere stap verder. Dus wat is wat en wie is wie? Moeten de experts naar het overheidsbeleid toewerken? Of zijn er ook experts die betrokken zijn bij dat overheidsbeleid? En waarom houden experts die politici steeds zo stevig uit de wind?

‘Leven met het virus’. Een herhaling van zetten.

Nu steeds meer mensen gevaccineerd zijn, lijkt het cirkeltje rond. We staan weer op precies hetzelfde punt als in maart 2020. Met dezelfde onzekerheid en dezelfde vraagstukken. Is groepsimmuniteit wel haalbaar? Zijn de ‘kwetsbaren’ wel voldoende beschermd? En wat doen we met de (groepen) mensen die niet kunnen of willen gevaccineerd worden? Is het ethisch hen bloot te stellen aan dat virus? Sluiten we hen niet uit van deelname aan de samenleving? Wat heeft het voor consequenties? En hoelang bieden de vaccins eigenlijk een ‘beschermend muurtje’?

Hoewel leven met het virus werkelijk van alles kan betekenen, verstaan we er in Nederland bijna automatisch ‘loslaten’ onder. Het virus de vrije loop laten als iedereen die dat wil en kan gevaccineerd is. We kunnen niet eeuwig met maatregelen leven, klinkt het steeds luider. Maar kúnnen we überhaupt al nadenken over het overboord gooien van alle maatregelen, of accepteren we dat we nog veel teveel niet weten? De wetenschappelijke basis ontbreekt, zoveel is helder. Schattingen over benodigde groepsimmuniteit variëren tussen 80% en 100%. Het lijkt onhaalbaar. We weten nog niet hoe de vaccins ons gaan ondersteunen. Gaan we dan met de zevenmijlslaarzen, of nemen we kleine stappen op weg naar een veilige manier van samenleving, waarbij niemand wordt uitgesloten? Want wie weet hoe lang die uitsluiting duurt. Maanden? Jaren? Een decennium? Langer?

Patricia Bruijning is nu in ieder geval een stukje behoudender. Zij omschrijft dit als een overgangsfase: “De situatie rond het virus is nu nog niet stabiel genoeg. Te veel mensen hebben nog maar één prik. Testen, ook als je maar milde klachten hebt, is nu nog ontzettend belangrijk om het virus nauwkeurig te monitoren en onder controle te houden.” Maar ook volgens Bruijning moet het een keer stoppen.

Kunnen we leven met het coronavirus?

De vraag is overigens of we wel met het nieuwe coronavirus kunnen samenleven. Als je het wensdenken even overboord zet en van een afstandje naar de situatie kijkt, is het geen reëel scenario. Het grootste gedeelte van de wereldbevolking is nog niet gevaccineerd en de wereldwijde vaccinatie zal, als er niet snel iets aan gedaan wordt, pas in 2024 afgerond zijn. Nieuwe varianten ontstaan. Er zijn al aanwijzingen dat immuniteit door vaccinatie binnen een half jaar afneemt. Omdat de fabrikanten van die vaccins graag nog meer geld aan ons willen verdienen, weten we niet hoe betrouwbaar die informatie is. Het is vallen en opstaan.

In de tussentijd zien we in andere landen dat ook steeds meer kinderen ernstig ziek worden. Met onbekende gevolgen. En wat doen nieuwe varianten met hen? We willen er niet eens over nadenken en dat is kwalijk. Wij willen leven met het virus en daarmee dwingen we andere landen onze manier van leven op. Immers, de kans bestaat dat we het virus vrij spel geven om te muteren tot veel schadelijker varianten, waartegen wijzelf misschien nog wel beschermd zijn vanwege het vaccin, maar vele andere mensen ter wereld niet.

We exporteren het virus er lustig op los, waarbij we andere landen dwingen om óf op onze manier samen te gaan leven met het virus, óf zich hermetisch af te sluiten van de buitenwereld. Of dat redelijk is, of zelfs haalbaar, of het misschien enorme schade veroorzaakt in individuele levens, voor bepaalde groepen in onze eigen samenleving, of mensen in andere landen, het vormt niet eens onderwerp van gesprek.

We zijn allemaal met elkaar verbonden

Ieder land volgt zijn eigen strategie, passend bij de eigen cultuur en vormgegeven door de heersende politieke ideologie. We stellen onszelf centraal. Wij kunnen leven met zo’n virus, als we er maar voor zorgen dat bij ons niet teveel mensen tegelijkertijd gebruik maken van ziekenhuiszorg. Het past bij onze opvattingen over ziekte in het algemeen (het is maar een griepje) en onze denkbeelden over het doorgeven van besmettelijke ziekten. En laten we niet vergeten dat we echt bijzonder goede gezondheidszorg hebben.

Wij vinden het acceptabel dat we grote groepen mensen uitsluiten van deelname aan de samenleving, ook al is dat voor een hele lange tijd. Hun lot bespreken we niet. Het is een ongemak waar we het liever niet over hebben. We nemen aan dat de kinderen niet erg geraakt zullen worden, omdat het ons uitkomt. We nemen aan dat we op deze manier de ‘kwetsbaren’ beschermen, ook al zeggen die kwetsbaren bij herhaling (tegen dovemansoren overigens) dat zij helemaal niet beschermd, maar uitgesloten worden.

Gooi open, die samenleving

We denderen overal overheen. De samenleving moet open. We hebben het niet over de zieken en de doden. We hebben het niet over het leed van de nabestaanden, niet over de vreselijke strijd die sommige mensen voeren met langdurig covid, we hebben het niet over de hele moeilijke situatie waar veel gezinnen in zitten en zullen blijven zitten, vanwege hun banden met ‘kwetsbare’ personen.

We weigeren na te denken over de enorme druk die er nog steeds zal zijn op onze huisarts, omdat nog steeds veel mensen ziek worden van dat virus. En wat dat zal doen in combinatie met alle andere luchtwegvirussen en influenza komend najaar en winter. Hoe moet dat als je straks bij je ernstig zieke familielid op bezoek wil in het ziekenhuis? Blijft dat bezoekuur beperkt tot 2 verschillende personen? Of gaan we straks ook nog eisen dat we weer onbeperkt en onbeschermd dat ziekenhuis in mogen lopen?

Prioriteiten

Het meest pijnlijke is nog dat we het steeds hebben over vertier, feesten, festivals, grote evenementen, clubs, het nachtleven, als onze hoogste prioriteit. Als een stel hedonisten. Onze prioriteit ligt blijkbaar niet bij beschikbaarheid van zorg, niet bij kwaliteit van de zorg, niet op zuinig zijn op onze zorgverleners, niet bij onderwijs, niet bij het beschermen van de kinderen, daar heeft immers niemand het over. Onze prioriteit ligt bij de ongebreidelde vrijheid van het individu. Minus de individuen die risico blijven lopen op ernstig covid. Minus de rest van de wereld.

Onze cultuur heerst. Waarbij we vergeten dat de rest van de wereld ook in verbinding staat met ons, dat ook daar nieuwe varianten kunnen ontstaan die ons het leven moeilijk kunnen maken. Kunnen we ‘leven met het virus’? In ethisch opzicht is het antwoord volmondig nee. In verstandig opzicht ook trouwens. In cultureel opzicht is het antwoord ja. Dat zijn we zo gewend. Alleen is de situatie nu anders. Dit is een pandemie. Waarbij we blijkbaar nog moeten leren dat de ultieme vorm van egoïsme nu even saamhorigheid is.

‘s Lands wijs, ‘s lands eer

In Australië, dat tot nu toe een zero-covid beleid heeft gehad, stelt men zich dezelfde vraag als hier. Opvallend is, dat daar in de media meer aandacht is voor het lot van de ‘kwetsbaren in de bevolking’, waaronder ook de kinderen. ‘s Lands wijs, ‘s lands eer. Voor hen is het allerminst vanzelfsprekend dat het virus rond zou kunnen gaan. We vinden ze maar apart daar, in die zero-covid landen. En iedere opleving die ze daar hebben grijpen we aan om snel met onze vingers te wijzen: Zie je! Het werkt niet! Ook al duren hun lockdowns acht dagen versus onze halfbakkenlockdowns die maanden en maanden duren. In mediaberichten in Australië wordt vrijheid als iets voor de gehele bevolking beschouwd. Het is een schril contrast met ons. In onze cultuur dichten we kennelijk meer recht op vrijheid toe aan ‘fitte’ mensen. Terwijl we toch een grondwet hebben die ons tegen die willekeur moet beschermen. We hebben immers allemaal gelijke rechten en plichten.

In zijn boek wil Farrar als wetenschapper zijn verwevenheid met de politiek doorbreken. Het is een echte eyeopener. En ja, het boek is explosief te noemen, zeker als je het naast de ontwikkelingen in Nederland legt. Farrar schrijft dat, in het licht van de ontwikkeling van het virus, eliminatie – het verbannen van het virus door middel van maatregelen – mogelijk is. Wenselijk zelfs. Farrar behoort tot de allerbeste experts van de wereld. Net als onze eigen Marion Koopmans trouwens, die ook steeds vaker nadruk probeert te leggen op de wetenschappelijke onzekerheden versus belangen in de samenleving. Misschien kunnen we iets doen met die ‘wetenschap’.

Misschien kunnen we die uitspraak ‘leven met het virus’ eens kritisch onder de loep nemen. Is dat inderdaad wie wij zijn? Ondanks alle gevolgen voor onze eigen ‘kwetsbaren’? Ondanks de gevolgen voor de armere landen? En uiteindelijk ook ondanks alle mogelijke gevolgen voor onszelf? Als we nú maar lol kunnen trappen? Als we maar geen mondneusmasker hoeven te dragen want het zit zo lastig? Laten we daar nog eens goed over nadenken.

Ik wil afsluiten met de woorden van een relatief onbekende antropoloog: “Op het hoogtepunt van de ebola-epidemie in Sierra Leone verspreidden mensen ebola vooral omdat ze niet konden stoppen voor elkaar te zorgen. Hier verspreiden veel mensen corona omdat ze elkaar maar niet willen beschermen.”

Dwazenparadijs Nederland, zat van de pandemie

Dwazenparadijs Nederland, zat van de pandemie

“Anyone who thinks the pandemic is over because it’s over where they live is living in a fool’s paradise.”

Dr. Tedros, WHO – opening Olympische Spelen – 21 juli 2021

Bij het Olympisch Committee sprak Dr. Tedros, directeur generaal van de WHO, gepassioneerd over het verloop van de pandemie. De Olympische Spelen, sprak hij, hebben het vermogen de wereld samen te brengen. En dat is nodig, heel erg nodig, want hoewel sommige landen het idee hebben dat ze de eindstreep bijna hebben bereikt, is de pandemie eigenlijk erger dan ooit. Dit jaar is nog maar net halverwege en toch zijn er de afgelopen zes maanden twee keer zoveel mensen gestorven aan COVID-19 als vorig jaar. Twee keer zoveel. In de helft van de tijd. Het officiële dodental: 1,8 miljoen mensen in 2020, 2,2 miljoen in 2021. En dat is, weten we zeker, een grove onderschatting.

De nieuwe Delta variant is eigenlijk nog maar net op stoom gekomen. Het raasde al door India en Nepal en nu raast de storm door Indonesië, Myanmar en verschillende staten in de VS. Delta vindt razendsnel zijn weg naar de kwetsbaren en laat overal dood en destructie achter. Nou ja, niet overal woedt die storm even hevig: in sommige landen lijkt de eindstreep in zicht. Zo denken we ook in Nederland. Nederland, het dwazenparadijs, zoals Dr. Tedros het zo treffend omschrijft. Want al vele maanden waarschuwt de WHO dat de pandemie pas voorbij is, als het overal ter wereld voorbij is. Zoals de WHO ook waarschuwde dat de vaccins op zichzelf geen uitweg zouden bieden uit de pandemie.

We luisteren niet. We willen feesten, dansen met Janssen, vrijheid, leven, een zorgeloze zomer. Als iedereen die dat kan en wil gevaccineerd is, moet het maar eens afgelopen zijn met de maatregelen, zo klinkt het hier steeds luider. Pandemie over. Maar stiekem hebben we toch al wel door dat het niet zo werkt. Corona is geen storm in een glas water. Waar het zich vrij mag verspreiden, ontstaan nieuwe varianten. Sommige wetenschappers denken dat het virus zich uiteindelijk zo ver door zal kopiëren dat het minder schadelijk wordt, maar aan Delta zien we: dat moment is nog niet in zicht. Als het al ooit in zicht komt, want weer andere wetenschappers vrezen dat corona helemaal niet milder zal worden.

Leven met het virus

Niemand heeft het antwoord, maar dat willen we eigenlijk niet horen. Het is wel welletjes geweest met corona, tijd om te gaan leven met het virus. Oftewel: het virus de vrije loop laten, alles open, misschien nog wat basismaatregelen als hoesten en niezen in je ellenboog, handenwassen, maar dan is het wel genoeg. Wensdenken. Het zou goed kunnen gaan, het kan ook zomaar zijn dat het een vruchtbare bodem blijkt voor het ontstaan van nieuwe, schadelijkere varianten. Het is gokken. Maar ja, wat moeten we dan? We kunnen toch niet eeuwig met maatregelen leven? We vaccineren en hopen dat het in ons eigen landje dan tenminste goed gaat. En zo niet, kunnen we extra prikken om die immuniteit weer op te krikken. Niemand weet immers wanneer die pandemie gaat eindigen, dus tja, we moeten wel. Of eigenlijk, we willen het gewoon, dus het moet wel. En eigenlijk weet ieder mens, behalve wie het echt niet wil zien, precies wat er voor nodig is om de pandemie te laten eindigen. Het is allemaal niet zo moeilijk. Breek de keten van besmettingen. Dat kunnen we allemaal en als we het allemaal tegelijk doen, dan gaat die coronastorm vanzelf liggen. Dr. Tedros zei het treffend: “Wanneer zal de pandemie eindigen? Zodra de wereld wíl dat het eindigt. Het ligt in onze handen.”

We zijn geen eiland! Nederlanders zijn te eigenwijs! Dat past niet bij een democratie! Allemaal stupide, eenvoudige oneliners waarmee we het eindigen van de pandemie gemakzuchtig wegwuiven. We kunnen het gewoon niet. Niemand overigens, die het ooit echt de kans gaf, of nou eens echt onderbouwde waarom we dat niet zouden kunnen. Ieder land, ieder volk, iedere cultuur is in staat om gezamenlijk het hoofd te bieden aan een dreiging. Het is maar net hoe je aangestuurd wordt en hoe we met elkaar samenwerken. Het is dikke onzin, dat we dat niet zouden kunnen. Als een democratie betekent dat we niet voor elkaar en elkaars welzijn kunnen zorgen, moeten we ons misschien maar eens achter de oren krabben wat er zo goed is aan een democratie.

Het paradijs der dwazen

Heb je echt een dictatuur nodig om een virus eronder te krijgen? Nee. Dat bewezen meer landen. Het gaat ook niet om dictatoriaal handhaven, maar succesvol en gezamenlijk de juiste middelen op het juiste moment inzetten om het dat virus te belemmeren onze samenleving over te nemen. Dat we dat niet doen heeft niets te maken met niet kunnen, maar met niet willen. Dwazenparadijs. We gaan feestend ten onder, we kijken niet eens om naar de rest van de wereld, waar de grote rampspoed zich al voltrekt. Het interesseert ons weinig. Dansen met Janssen, naar een fieldlab-feestje, de kermis, voetbal, want dát is pas leven. Wij ‘leven’, terwijl meer en meer mensen om ons heen doodgaan. Dat dat gevoel ons nooit bekruipt dat we later, als onze kleinkinderen ons vragen wat we deden tijdens die pandemie die zoveel mensenlevens eiste, met droge ogen moeten zeggen dat het totaal aan ons voorbijging omdat we bezig waren met ons eigen kleine stukje wereld. Dat we wilden genieten van een zorgeloze zomer terwijl Delta de wereld om ons heen al voorgoed veranderde, met rouw, trauma, armoede en langdurige ellende tot gevolg.

Ik kan alle argumenten opnoemen over de onzekerheid die er nog is over de evolutie van het virus. Dat we niet weten wat Delta straks gaat doen onder de ongevaccineerden, waaronder de jonge kinderen. Dat we niet weten welke druk er op onze huisartsen en ziekenhuizen komt te liggen als Delta gezelschap krijgt van alle andere luchtwegvirussen, influenza. Dat straks meer mensen gezondheidsschade oplopen omdat er te weinig zorg beschikbaar is. Dat de kwaliteit van de zorg onherroepelijk zal afnemen en dat niemand weet hoe lang dat zal duren. Dat een behoorlijk deel van onze zorgmedewerkers op knakken staat. Dat we niet weten hoe goed de vaccins het doen bij het tegengaan van verspreiding. Dat we niet weten hoelang de vaccins bescherming bieden. Dat we niet weten welke varianten er nog aankomen. Dat de nabije toekomst mét corona echt heel erg onzeker is. Maar we kennen die argumenten wel.

Eén persoon kan een pandemie veroorzaken

We nemen een wilde gok. Nee, niet wij natuurlijk, maar de overheid. En eigenlijk, zie je steeds aan de peilingen, zouden we allemaal wel willen dat de overheid het iets rustiger aan deed. Vaak wil de meerderheid van de bevolking zelfs meer maatregelen en krijgen we versoepelingen. En het gekke is, hoewel we weten dat het onverstandig is, worden we dan zelf ook direct een stuk soepeler. We doen het gewoon. We nemen die risico’s. Maar misschien kunnen we dat zelf wel veranderen. Door elkaar te willen beschermen tegen besmetting. Door in te zien dat we zelf een rol spelen in de verspreiding. Dat als onze voorouders net zo hadden gedacht als wij, we nooit riolering zouden hebben gehad, of zeep, of andere hygiënische middelen.

Iedere overdracht van het virus, van het ene op het andere mens, is afhankelijk van onze keuze: komt de keten van transmissie bij mij ten einde, of veroorzaak ik een nieuw begin?

Misschien moeten we kijken of we anders kunnen gaan denken over het doorgeven van een besmettelijke ziekte. Is de eindstreep in zicht? Dat hebben we zelf in de hand. Want iedere overdracht van het virus van het ene op het andere mens is afhankelijk van onze keuze: komt de keten van transmissie bij mij ten einde, of veroorzaak ik een nieuw begin? Er is maar 1 besmettelijk persoon nodig om een pandemie te veroorzaken. Dat is goed om in het achterhoofd te houden als we in de herfst weer hoestend en proestend onder de mensen gaan.

Ze is 7 jaar

Ze is 7 jaar

Voor sommige mensen is het vaccin méér een zaak van leven en dood dan voor anderen.
Toch worden zij nu over het hoofd gezien.

Ze is 7 jaar. Vandaag is de 300e dag van haar gevangenschap. Haar misdaad? Ze heeft een moeder die in een COVID19-risicogroep zit en een flinke kans heeft te overlijden als ze geïnfecteerd raakt.

Het was 11 maart toen Oriana voor het laatst echt met andere kinderen gespeeld heeft. Dat ze voor het laatst in een klaslokaal zat. Dat ze de juf, een vriendinnetje of wie-dan-ook kon spreken zonder dat mama of papa ergens in de buurt was. Dat ze gewoon lekker buiten kon spelen. Dat ze in de buurt van anderen kon komen. Haar gevangenis is luxe. Met zomers een waterglijbaan en de rest van het jaar een trampoline. Met een slaapkamer met paardenposters en elfjesdecor. Met een keuken vol lekkere dingen en onbeperkt internet. Maar het blijft een gevangenis. Ze kan er niet uit en er mag niemand anders naar binnen.

Oriana is gevoelig, lief, de beschermengel van haar moeder, slim, grappig. Ze houdt van paarden en van lezen. En van wild doen. Als ze wild doet moet ze tegenwoordig altijd uitkijken, want bij mama kan dat niet, dat is gevaarlijk. En vriendjes om lekker wild mee rond te rennen, dat werkt niet zo goed via videochat.

Ze heeft een juf die er alles aan doet om haar deel van de klas te laten zijn. Ze heeft vriendinnetjes die na schooltijd af en toe met haar skypen. Haar ouders hebben gelukkig de mogelijkheid om alle boeken die ze maar wil voor haar te kopen. Oma zet soms cadeautjes voor de deur. Ze probeert er het beste van te maken, maar soms moet ze opeens huilen, omdat ze zo ontzettend graag even met andere kinderen zou willen spelen.

In al die maanden is ze één keer in een andere ruimte in contact met anderen geweest. Tijdens de begrafenis van haar opa, die COVID19 niet overleefd had. Haar oma kon niet bij de begrafenis aanwezig zijn omdat zijzelf nog in het ziekenhuis aan de zuurstof lag. Maar de pastoor, begrafenisondernemer en het gezin van haar tante waren er wel. Allemaal op extreem veel afstand van elkaar. De uitvaart van haar opa mocht niet tot die van haar moeder leiden.

Van de week vroeg ze of het etenstijd was. Nee, ze had geen honger, ze wilde weten of het voor andere mensen etenstijd was. Want dan was het vast rustiger in onze straat en zou ze dan misschien eventjes op de stoep voor het huis mogen fietsen. Ze had de hele dag steeds uit het raam gekeken en geconcludeerd dat het te druk was. Ze had niet eens gevraagd of het kon.

Beeld afkomstig uit Nieuwsuur

Oriana is niet alleen. Er zijn duizenden kinderen zoals zij die voor de veiligheid, om het leven van een ouder te redden, hun leven hebben moeten stilleggen. Hun ouders houden ze niet thuis omdat dat leuker of fijner of makkelijker is, maar omdat het alternatief ondenkbaar is. De keuze is thuis of risico, groot risico. Naar school of contact met vriendjes betekent dat ze het virus kunnen oplopen en meenemen. Dat ze hun ouder kunnen infecteren. Dat hun ouder daardoor nog extremere gezondheidsschade oploopt, of doodgaat.

Een dode ouder is erger dan een jaartje geen school. Sterker nog, mama kunnen knuffelen is al belangrijker dan vrijheid, zegt Oriana. Ze vertelde het aan Nieuwsuur. Ze wilde graag weer naar school maar mama knuffelen in belangrijker. Mama is belangrijker dan school. Dan vriendjes. Dan vrijheid.

De enige manier waarop mama weer veilig wordt en Oriana dus weer naar school kan, is als mama een vaccin krijgt. En wel het juiste vaccin.

Tekst gaat verder onder deze video

Ik ben Valerie, de mama van Oriana. Ik ben nierpatiënt.  Sinds 11 maart heb ik wel contact met de buitenwereld gehad. De eerste 8 maanden zo’n een keer per maand, maar nu wekelijks. Bloedprikken lukt namelijk niet via de videoverbinding met het ziekenhuis. En de operatie om mijn dialysekatheter te plaatsen kon ook al niet telefonisch. Ik ga met zelfbetaalde FFP2 of FFP3 maskers naar het ziekenhuis toe omdat ik koste wat het kost wil voorkomen dat ik besmet raak. Dat ik Oriana voor niks thuishou al die tijd. De maskers zijn duur, maar ze zijn het waard.

Beeld afkomstig uit Nieuwsuur

Als eindstadium nierpatiënt hoor ik tot de officiële categorie risicopatiënten. Zelfs het RIVM telt mij als kwetsbare, dan moet het dus echt wel erg zijn. Ik had afgelopen jaar getransplanteerd moeten worden, maar ja, Covid19 stelde zorg uit en nu zit ik toch met een dialysekatheter in mijn buik. Leuk is anders.

Als kwetsbaarste groep zou ik als een van de eersten aan de beurt moeten zijn voor het vaccin. Maar inmiddels vindt half Nederland dat ze wel voorrang op mij verdienen. Eerst de mensen in de acute zorg. Daar kon ik nog wel inkomen. Toen ook de huisartsen, pffff, ok. En toen riepen de apothekers, topsporters, politieagenten, BOA’s, supermarktmedewerkers, leraren, OV-medewerkers en eigenlijk gewoon iedereen die op de een-of-andere manier verenigd is, dat ook zij voorrang verdienden.

De kwetsbaren werden vergeten. Ok, de ouderen, daar moesten we aan blijven denken. Dat vond ook de Tweede Kamer, ook het kabinet. Maar die jonge kwetsbaren. Het lijkt er op dat ze vergeten zijn dat we bestaan.

In de vaccinatieplanning staan we wel genoemd. We zijn de eersten die de groep C vaccins mogen. Een groep vaccins waarvan de effectiviteit en veiligheid nog helemaal niet bekend is. Waarvan het nog helemaal niet duidelijk is of en wanneer die toegelaten worden, en het belangrijkste, die helemaal niet op kwetsbare groepen getest is. Op nierpatiënten als ik is alleen het Pfizer vaccin getest. Maar die mogen we niet. Die is voor de zorg. En de ouderen. Nouja, sommige ouderen. Als er wat overblijft.

Bestaan wij nog? Besta ik nog volgens de schema’s, volgens de planning? Heb ik bestaansrecht in Nederland? Heeft Oriana bestaansrecht in Nederland? Of willen we dat een lief, slim, grappig paardenmeisje haar leven tussen muren slijt?

Oriana bestaat. Ik besta. Mijn man bestaat, die zit ook vast om mij te beschermen. Ik ben een 41-jarige vrouw met een 7-jarige dochter die met haar gezin al 300 dagen gevangen zit.

Dat is Nederland.

Valerie van de Flier
@vvdf020

Politieke spelletjes met kinderen

Als zij de baas zouden zijn, geven kinderen en jongeren aan dat zorgen voor een veilig en fijn thuis het allerbelangrijkst is. Kinderen en jongeren zagen opvallend vaak de positieve kant van de gevolgen van het coronabeleid. Zo vonden ze het fijn om hun schoolwerk in hun eigen tempo te maken, ze hadden meer vrije tijd en zagen hun ouders vaker en nam de stress in hun leven af.

Vaak brengen rampen het beste in de mens naar boven. Mensen proberen elkaar te redden, te beschermen en te helpen. Aan het begin van de uitbraken in westerse landen las ik daar het ene lyrische stuk na het andere over. Over hoe de pandemie de mensheid voorgoed zou veranderen, onze manier van samenleven zou op een natuurlijke manier verbeteren, de wereld zou er alleen maar beter op worden. Tja. Rampen leggen haarfijn bloot wie we werkelijk zijn.

Even leek het erop dat de pandemie ons ‘beter’ zou maken. Even. Want al ruim een maand later, in april, sloeg de eerste schrik om naar dwang en drang: het samenleven moest zo snel mogelijk weer terug naar normaal. Nederland stond ergens vooraan in de rij. Eén van de eerste discussies? De kinderen. Instinctief zou je denken: dat is gek, er is een ramp van wereldformaat, er gaat een nog onbekend virus rond, de kinderen…die zouden we toch als eerste moeten willen beschermen.

Het tegenovergestelde was waar. We hebben allemaal van dichtbij kunnen zien hoe diep politiek en wetenschap met elkaar verweven raakten. Dat lag en ligt er duimendik bovenop. Maar als het om kinderen gaat, geloven we blijkbaar liever in de grootst mogelijke onzin. Naar school, ook al weet niemand ècht hoe veilig of onveilig het is.

RIVM onderzocht hoe besmettelijk kinderen waren, terwijl ze thuis zaten

Tijdens de eerste golf vroeg de Nederlandse overheid het RIVM te onderzoeken hoe het dan precies zat met die kinderen en hun bevattelijkheid voor SARS-CoV-2. En terwijl het in de Verenigde Staten flink mis ging onder de kinderen, in Indonesië het ene na het andere kind stierf, kwam het RIVM met een – tja, hoe moet je het eigenlijk noemen – ‘onderzoek’ onder kinderen (voornamelijk) van positief geteste zorgmedewerkers in Utrecht. De scholen waren gesloten, uitbraakgebied Brabant waar veel kinderen ziek werden werd uitgesloten van het onderzoek en de kinderen in Utrecht leefden in hoge mate geïsoleerd van de samenleving. Het zal dan ook geen grote verrassing zijn dat het RIVM tot de conclusie kwam: kinderen raken wel besmet, maar in veel mindere mate dan volwassenen en zijn zelden tot nooit het eerste geval binnen een huishouden. Niet zo gek als één van je ouders in de zorg werkt en daar zeker in de eerste golf veel medewerkers besmet raakten. Conclusie van het RIVM: “Kinderen dragen coronavirus nauwelijks over.” Dat zo’n onderzoek verre van wetenschappelijk is, dat hoef je een kind nog niet uit te leggen, maar opdrachtgever VWS vond het allang best. Het kwam de politiek handig uit.

Eind april maakte Ann Vossen in het programma van Eva Jinek duidelijk dat het juist de bedoeling was dat het virus zich zou blijven verspreiden, ook via de kinderen en de crèches. En dat geeft maar aan: ook in Nederland was het toen al niet onbekend dat kinderen bevattelijk en besmettelijk zijn. Onderwijsminister Slob hoefde de resultaten van dat RIVM ‘onderzoek’ dan ook niet af te wachten, het was een bewuste keuze om kinderen, ondanks alles, weer naar school te laten gaan. Dus dat gebeurde ook. Niet de al grote kinderen, maar de kleintjes. De kleintjes die op nul, niets, geen enkele manier voor hun eigen veiligheid en welzijn kunnen opkomen. Kleintjes die voor hun bescherming afhankelijk zijn van hun ouders, de school en de overheid.

Kinderen willen vooral een veilig en fijn thuis

Daar gingen ze begin mei, de kinderen. Als eersten weer de virussamenleving in, omdat kabinet, OMT en RIVM het risico aanvaardbaar vonden. Iedereen was er blij mee dat de kinderen weer naar school mochten, zo leek het. Schoolleiders en leerkrachten stonden te trappelen de kinderen weer te verwelkomen. (Thuis)werkende ouders haalden opgelucht adem. Zo. De eerste stap terug naar het oude normaal. Want dat was het eigenlijk hè? Als de kinderen niet naar school gaan, kan er niets terug naar normaal. En gelukkig maar, de meeste basisscholen zagen geen leerachterstanden door corona.

De Kinderombudsvrouw presenteerde een eerste beeld van hoe de kinderen de intelligente lockdown hadden ervaren en dat beeld was opvallend positief. “Als zij de baas zouden zijn, geven kinderen en jongeren aan dat zorgen voor een veilig en fijn thuis het allerbelangrijkst is”, hoewel bijna alle ondervraagde kinderen ook aangaven dat de spanningen waren toegenomen door de afgenomen bewegingsvrijheid. “Daar staat tegenover dat kinderen en jongeren opvallend vaak de positieve kant [zagen] van de gevolgen van het coronabeleid. Zo vonden ze het fijn om hun schoolwerk in hun eigen tempo te maken, ze hadden meer vrije tijd en zagen hun ouders vaker en nam de stress in hun leven af. Laat dit even goed tot je doordringen. Kinderen zagen opvallend vaak de positieve kant van de gevolgen van het coronabeleid. De stress in hun leven nam af. Print het uit, schrijf het op een post-it, hang het op de koelkast.

Intussen raakten in de Verenigde Staten veel kinderen besmet en kwamen er daar – in absolute aantallen – nog best veel kinderen in het ziekenhuis terecht. Bij hoge viruscirculatie bleek dat ook redelijk wat kinderen de ‘zeldzame’ complicatie MIS-C kregen. Maar Nederland is Nederland: uitsluitend gericht op eigen grondgebied. Hybride onderwijs was niet genoeg. Werkende ouders hadden last van thuislerende kinderen, dus hup, in juni moesten alle kinderen weer naar school. Onbeschermd. Zonder afstandsregels. Maar ook dat was niet genoeg, want toen klaagden de werkende ouders dat ze hun kind voor iedere snotneus op moesten komen halen en ho, dat kon de bedoeling niet zijn. Dus, naar school en opvang met die snotterende, kuchende kinderen.

Waarom er niet voor gekozen werd de snotterende kleintjes gewoon te testen bij symptomen, dat begrijp ik nog altijd niet. Teveel moeite? Geen zin in? Te duur? Of gaat dat af van de werktijd van de ouders? Een onbekend virus. Daar neem je toch geen risico’s mee? Dit gebeurde overigens allemaal terwijl Indonesië bekend maakte dat daar 28 kinderen waren gestorven aan COVID-19 en dat het er vermoedelijk zelfs meer dan 700 zouden zijn. Onder kinderen was er duidelijk wèl iets aan de hand. Och, wat niet weet wat niet deert. In Nederland haalde dit niet eens het nieuws.

Alles wat we moesten weten over kinderen en corona, was in mei al bekend

Maar wat was er dan eigenlijk wanneer bekend over covid bij kinderen? Begin mei was bekend dat kinderen vaak andere symptomen (vaak alleen darmklachten bijvoorbeeld) hebben dan volwassenen. Uit Bergamo kwam het verontrustende bericht dat er een link bestond tussen een vaak niet opgemerkte covid-infectie en een ernstige ontstekingsreactie bij kinderen (MIS-C). In de Verenigde Staten, in Frankrijk en ook in Nederland nam het aantal gevallen van deze ‘zeldzame’ aandoening bij hoge viruscirculatie in mei toe. Terwijl we er in Nederland vanuit gingen dat kleine kinderen nauwelijks besmet raakten met het coronavirus, waren er in Colorado uitbraken in kinderopvangcentra. En in Spanje, waar de kinderen na een strikte lockdown eind april mondjesmaat weer naar buiten mochten, zag men ook daar ineens een toename aan besmettingen onder kinderen.

Alles wat we moesten weten over kinderen en covid, was in mei eigenlijk al bekend. Tijdens een lockdown, raken kinderen nauwelijks besmet en besmetten zij hun gezinsleden nauwelijks. Dat is niet gek, aangezien ze dan ook in hoge mate geïsoleerd zijn van de samenleving en ouders vaker contacten hebben met personen buiten het huishouden dan de kinderen. In gebieden met veel transmissie, raken kinderen besmet en geven het virus door aan anderen. Ze raken zelf minder vaak en minder ernstig ziek, maar omdat ze vaker asymptomatisch besmet zijn en vaak meer intensieve contacten hebben (vooral met hun leeftijdsgenoten) geven ook zij het virus door. In welke mate? Afhankelijk van de besmettelijkheid van het individu.

In dezelfde periode raakte de rol van kinderen in de verspreiding van kinderen in hoge mate gepolitiseerd: uit onderzoeken in IJsland, Spanje en dat eigenaardige RIVM onderzoek in Nederland bleek dat kinderen minder vaak besmet raakten (allen tijdens lockdown), terwijl in Stockholm, England (VK), Zwitserland en Duitsland geen verschil werd gezien tussen kinderen en volwassenen. Begin juni vond men in Duitsland geen verschil in virale lading tussen kinderen en volwassenen.


In juni en juli steeds meer signalen: kinderen zijn bevattelijk èn besmettelijk

In juni publiceerde de gezondheidsorganisatie van Europa (het ECDC) een rapport waarin zij stelden dat besmetting op scholen weliswaar weinig voor leek te komen, maar dat onderzoeken uit Duitsland aantoonden dat kinderen (en zelfs pasgeboren baby’s) in een vroeg stadium van ziekte besmettelijk kunnen zijn en dat de viruslading bij kinderen jonger dan 5 zelfs hoger zou zijn dan bij oudere kinderen en volwassenen.

In Nederland was men nog altijd niet zo geïnteresseerd in de bevattelijkheid en besmettelijkheid van kinderen. Nederland liet als enige land ter wereld zelfs de kleintjes met snotneuzen naar opvang en school gaan. We zouden ‘s werelds beste proeftuin zijn geweest, maar we besloten het ouders te ontmoedigen hun kinderen te laten testen en ook werden kinderen niet opgenomen in het bron- en contactonderzoek. Nederland wilde zelfs zo graag níet weten of kinderen het virus het huishouden binnenbrachten, dat ertoe besloten werd kinderen helemaal niet te testen als een van de ouders ook symptomen heeft.

In Zweden, waar de scholen open waren voor kinderen in de leeftijden 7 – 15 jaar, werden er representatieve tests gedaan en daar bleek in juni dat kinderen vaker besmet raakten (7,5%) dan volwassenen (6,5%) en dat significante verspreiding via scholen wel degelijk mogelijk leek.

Tijdens de zomervakantie kwam uit de Verenigde Staten het ene bericht na het andere over de bevattelijkheid en besmettelijkheid van kinderen. In Florida bleek bijna 1/3 van de geteste kinderen positief, werd er longschade gevonden in asymptomatische kinderen en kwamen er steeds meer kinderen in ziekenhuizen terecht. Uit Chicago kwam een studie waar uit bleek dat kinderen zelfs tijdens lockdown hun ouders hadden geïnfecteerd. In Texas raakten 894 personeelsleden van kinderdagverblijven en 441 kinderen besmet, verspreid over 883 centra. Half juli maakten in Californië en Mississippi kinderen 10% van alle besmettingen uit.

In Zuid-Korea ontdekte men dat oudere kinderen even besmettelijk zijn als volwassenen en dat open scholen een significante bijdrage hebben aan de verspreiding. In Colorado stierven eind juli twee kinderen aan MIS-C. In Texas raakten veel heel jonge kinderen (jonger dan 2 jaar) besmet. En ook in Duitsland was de verhouding van positief geteste kinderen gelijk aan hun aandeel in de bevolking. In Chicago ontdekte men dat kinderen jonger dan 5 jaar 10 tot 100 keer meer virus in hun neus hebben als volwassenen, maar onderzocht men niet of ze ook meer of efficiënter verspreiden. Uit een nieuwe analyse van de situatie in Wuhan bleek dat kinderen, omdat ze meer contacten hebben, toch evenveel mensen kunnen besmetten als volwassenen en uit een studie in Massachusettes bleek dat kinderen het virus zelfs kunnen verspreiden als ze zelf asymptomatisch zijn. Uit een (bekritiseerde) BCO studie in Trento Italië bleek dat kinderen jonger dan 14 het coronavirus bijna 2x ‘efficiënter’ verspreiden dan volwassenen en uit een andere studie uit Zuid-Korea bleek dat kinderen het virus soms tot wel 3 weken in hun neus bij zich dragen. In Tennessee raakten tussen 18 en 28 juli (in 10 dagen tijd dus) 2,258 kinderen besmet met het coronavirus. Over de hele Verenigde Staten zagen artsen steeds meer ernstig zieke kinderen. En tijdens een zomerkamp in Georgia, raakte 75% van de aanwezige kinderen besmet (leeftijd 6-19, 260 kinderen).

De gezondheidsdienst van de Verenigde Staten (het CDC) verklaarde begin augustus: kinderen van ALLE leeftijden zijn bevattelijk en besmettelijk en kunnen een belangrijke rol spelen in de verspreiding van SARS-CoV-2. Zij hadden er een bittere ervaring mee opgedaan. Twitter en Facebook verwijderden een video van Trump, waarin hij stelde dat kinderen bijna immuun zijn voor corona en een sterker immuunsysteem hebben, wegens misinformatie. Dat is typisch, als je je bedenkt dat dat in Nederland eigenlijk nog steeds de ‘wetenschappelijke’ visie is.

Open-dicht-open-dicht beleid

Half augustus, toen het aantal besmettingen in Nederland weer gestaag begon te groeien, was – voor wie de ontwikkelingen in de Verenigde Staten volgde – al voorspelbaar dat ook in Nederland problemen zouden ontstaan op de scholen. Want hoewel er binnen de wetenschap nog nergens consensus over was, stond als een paal boven water dat in gebieden met lage transmissie (bijvoorbeeld door lockdowns) kinderen nauwelijks een rol spelen in de verspreiding en in gebieden met hoge transmissie (bijvoorbeeld waar de scholen geopend waren) kinderen zeker een rol bleken te spelen, in welke mate? Daar was nog discussie over. Daarom was het beter geweest de scholen te openen met de nodige voorzorgsmaatregelen. Nederland stond er niet voor open. Te moeilijk voor Nederlandse kinderen. Waarom het in Nederland precies te moeilijk is om voorzorgsmaatregelen te treffen en de veiligheid van kinderen, leerkrachten en hun familieleden voorop te zetten? Geen idee. In Nairobi kan het immers ook, om maar een voorbeeld te noemen.

Terwijl Jaap van Dissel steeds benadrukte dat kinderen en scholen geen risico vormden voor vesrpreiding, hadden andere OMT-leden daar andere ideeën over. Zo legde Gommers op Nu.nl uit dat scholieren het virus wel degelijk overdragen en pleitten OMT-leden Bruijning en Illy voor voorzorgsmaatregelen op scholen.

Vanaf eind september ging het overal in Europa hard op de scholen. Met name op middelbare scholen werden steeds vaker clusters gevonden. In Israël ging het tot twee keer toe mis met geopende scholen en bewees men tot twee keer toe: het sluiten van scholen helpt het meest om de R snel drastisch omlaag te brengen. In Nederland kwam de herfstvakantie net op tijd om een zwart scenario in de ziekenhuizen te voorkomen. Die ene week schoolvrij maakte een knip in de verspreiding.

Adviezen om de herfstvakantie te verlengen met een week zodat er ten minste 2 incubatieduren overbrugd zouden worden om daadwerkelijk een harde knip in de transmissie te geven, werden door het kabinet genegeerd. België verlengde de herfstvakantie wel en plukt daar nog altijd de vruchten van. Frankrijk en Oostenrijk hadden een vergelijkbare lockdown in november. Oostenrijk sloot alle scholen, Frankrijk niet. Nederland en het Verenigd Koninkrijk hielden de scholen open zonder voorzorgsmaatregelen en Nederland had als enige land een beleid waarbij kinderen jongeren dan 6 jaar met verkoudheidsklachten naar school en opvang mochten. De verschillen zijn duidelijk zichtbaar. Ook met de ‘oude variant” of zoals ze dat noemen ‘het ‘wilde type’.

Wat de Verenigde Staten in juli al wisten, begon in Europa langzaam door te dringen: kinderen spelen wel degelijk een rol in de verspreiding. Christian Drosten, adviseur van Angela Merkel, waarschuwde er in november voor dat het inmiddels wetenschappelijk duidelijk was dat zonder maatregelen, het virus zich explosief zou verspreiden in scholen. En in het Verenigd Koninkrijk was er blijkbaar eerst onderzoek van eigen bodem nodig om te weten wat Zuid-Korea in juli al wist: het virus wordt voornamelijk verspreid door kinderen die besmet zijn (70%), maar geen symptomen hebben. En het Amerikaanse CDC bevestigde in november met een nieuwe studie nogmaals: binnen huishoudens besmetten kinderen en ouders elkaar.

De nieuwe variant

Met die nieuwe variant die ook ontdekt werd bij een uitbraak op een Nederlandse basisschool, zou je denken dat het inmiddels ook in Nederland is doorgedrongen dat fysiek onderwijs in scholen, zonder voorzorgsmaatregelen een explosie aan nieuwe gevallen veroorzaakt. Niets is minder waar. In Nederland houdt men vast aan het oude beeld en beweert professor Annemarie van Rossum dat voor de oude variant data uit de hele wereld in 1 richting wijzen, namelijk dat er “vele malen minder transmissie is onder kinderen en van kinderen naar volwassenen”. “Geen ontkenning, maar op basis van veel data.” En ja, onderzoeken met dat soort data zijn inderdaad gepubliceerd. Er zijn, zoals in dit stuk aangehaald, ook vele onderzoeken gepubliceerd met hele andere data. En deden verschillende landen al veel ervaring op met die oude variant en de besmettelijkheid van kinderen.

Voor Nederland maakt het niets uit. We zullen het eerst moeten zien, op eigen bodem. Dat wij kinderen nauwelijks testen, zal veel helpen om het gewenste, oude beeld nogmaals te bevestigen. Wie niet zoekt, zal niet vinden, immers. En als 70% van de kinderen besmettelijk is zonder symptomen te hebben, dan wordt het sowieso heel lastig te achterhalen waar besmettingen vandaan komen. En dat blijkt dan ook wel uit het fantastische succes van ons bron- en contactonderzoek, want zelfs in perioden van heel lage transmissie kan meer dan de helft van de besmettingsbronnen niet worden achterhaald.

Maar goed, de nieuwe variant dus. Volgens minister De Jonge zou de Britse coronavariant zich dan wèl verspreiden onder kinderen. Ergens denk je, laat maar, zolang ze inzien dat kinderen een rol spelen is alles goed. Ook al komt zo’n nieuwe variant politiek gezien goed uit, het moet dan maar. Aan de andere kant: nee. Kinderen speelden altijd al een rol in de verspreiding en als een mutant besmettelijker is, dan worden kinderen ook besmettelijker. Des te meer reden om de situatie op scholen serieus te nemen. Om voorzorgsmaatregelen te nemen. Maar die reden bestond al met de oude variant. Ook nu er nog examenleerlingen naar school gaan en in sommige steden de kinderen van de groepen 8 nog naar school gaan, bijvoorbeeld. Het Verenigd Koninkrijk heeft inmiddels een landelijke lockdown afgekondigd tot half februari. Met de nieuwe mutant gaat het heel snel. In Nederland is de druk op de zorg ook ongekend hoog en dat terwijl de nieuwe mutant hier nog niet eens dominant is. Op welke ramp willen we afstevenen? En waarom praten we niet nu al over welke maatregelen op welk moment noodzakelijk zijn om fysiek onderwijs te geven aan kinderen, waarbij hun veiligheid, dat van de leerkrachten en hun familieleden op de eerste plaats staan?

Gedram over leerachterstanden

In Duitsland pleiten kinderartsen voor meer voorzorgsmaatregelen zodat lessen op school zo snel mogelijk weer doorgang kunnen vinden. In het Verenigd Koninkrijk vindt de grootste vakbond voor leerkrachten het ‘roekeloos’ de scholen te openen bij hoge viruscirculatie. Ook in Ierland wil de een na grootste vakbond het liefst dat de scholen voorlopig gesloten blijven. In Nederland pleit de kleinste vakbond Leraren in Actie al langer voor veilig onderwijs en bij de huidige hoge viruscirculatie voor sluiting van alle onderwijs. Ook vakbond Aob plaatste een oproep aan de minister om de examenleerlingen voorlopig online les te geven. Vakbond CNV lijkt zich liever helemaal op de vlakte te willen houden.

Misschien niet helemaal verwonderlijk dat deze vakbond het lef niet heeft op de strepen te gaan staan. Er is behoorlijk wat tegenwind in de politieke lobby rond de scholen. Zo pleit de vaste OMT adviseur/voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Kinderartsen er met 31 ‘onderwijsdeskundigen’ voor de kinderen zonder extra voorzorgsmaatregelen zo snel mogelijk weer naar de basisschool te laten gaan. En wie kan de strijd met een OMT-lid winnen? Dat is eigenlijk een wedstrijd armpje drukken tussen Klein Duimpje en de Reus. We hebben aan de vaccinatielobby van Gommers gezien dat actievoerende OMT’ers krijgen wat ze willen. Ga er maar aanstaan.

Dat kinderen meer behoeften hebben dan alleen fysiek onderwijs in een onderwijsinstelling en dat zij niet geïsoleerd zijn van de oudere generaties, heb ik hier en hier uitgebreid uitgelegd. Maar nu toch nog even over die leerachterstanden. Sinds het begin van het schooljaar gaat er geen week voorbij of de media maken melding van enorme leerachterstanden en de vreselijke thuissituaties waarin ‘de’ kinderen zich bevinden. Er kwam zelfs een mooi internationaal onderzoek waaruit bleek dat echt ALLE kinderen tijdens lockdowns enorme leerachterstanden zouden hebben opgelopen. Belangrijkste basis voor het onderzoek: de gegevens van het Nederlandse CITO. Nou. Daar heb ik wel iets over te zeggen. Want ook mijn dochter van 11 zou leerachterstand hebben opgelopen volgens diezelfde CITO. En klopt dat? Van geen kant. Kijkt u maar mee. Ze groeide juist enorm. En toch kreeg ik een brief dat ze bijles moest volgen. Op de donderdagmiddagen. Tijdens haar lunchpauze. Geen bijles bijles. Nee, een ‘strategie training’. Geld in de vuilnisbak dus, want uit haar resultaten blijkt wel dat ze met het thuisonderwijs eindelijk een effectieve strategie heeft gevonden.

Ik zeg niet dat leerachterstanden geen probleem zouden vormen. Het zal ongetwijfeld. Maar voor ALLE leerlingen? Nee. En kan je dat oplossen met cursussen mindfulness en strategietraining? Daar geloof ik echt helemaal niets van. Dat de scholen 900 euro per leerling aan subsidie kregen, heeft ongetwijfeld meegespeeld bij de selectie van de zogenaamde achterstandsleerlingen. Of misschien is er iets geks met het Leerling Volg Systeem. Of met CITO. Want in het geval van mijn dochter klopt het niet. En ook van vele andere ouders hoorde ik dit verhaal. Allemaal uit dezelfde gemeente, overigens. Voorlopige conclusie van mijn mini-onderzoekje: sommige scholen hebben alle leerlingen van bepaalde leerjaren aangemerkt met ‘leerachterstand’, ook als dat er niet was. En vraagt u nou eens echt goed na bij al die scholen wat voor soort bijlessen ze hebben ingekocht voor die 900 euro per leerling. Ik heb nog geen enkele leerling gehoord die er daadwerkelijk door bijgespijkerd wordt, maar dat kan natuurlijk ook een gebrek in mijn onderzoeksnetwerk zijn. Ik zou die cijfers wel graag boven tafel zien.

Ik ga uit van goede bedoelingen in het onderwijs hoor, maar de tearjerker dat het zo erg gesteld is met onze kinderen, nee, dat kan gewoonweg niet kloppen. Het is ook niet eerlijk ten opzichte van de kinderen die geen leerachterstand hebben opgelopen, voor de kinderen die juist extra aandacht zouden kunnen gebruiken en daar nu weer niet optimaal gebruik van kunnen maken en bovendien zonde van het geld. Van die bedragen had je misschien voor alle leerlingen een laptop kunnen aanschaffen om thuis goed mee te kunnen werken als scholen weer (tijdelijk) moeten sluiten. Of een extra leerjaar zonder stigma en consequenties. Of andere out of the box oplossingen waar ze wérkelijk iets aan zouden hebben.

Echt veel kinderen hebben het slecht thuis

Een ander veelgehoord argument om de scholen toch open te laten, koste wat het kost, is dat vele, vele kinderen het thuis zo ontzettend slecht zouden hebben. Ook dat lijkt me niet eerlijk ten opzichte van deze generatie kinderen. Niet voor de grote meerderheid van de kinderen die gewoon een fijn thuis heeft, maar al helemaal niet voor de kinderen die het thuis echt moeilijk hebben. Is les op school de enige vorm van ondersteuning die we die kinderen te bieden hebben? Of kijk je verder dan je neus lang is en pak je deze kinderen eindelijk eens écht op? Want na schooltijd zijn ze gewoon thuis, tijdens zo’n zelfde strenge lockdown en blijven de zorgen, de stress en dezelfde rotsituatie. Dit is een relatief kleine groep kinderen. Als we daar echt, oprecht zorgen om hadden, zouden we hun lot niet op alle kinderen plakken, ze ondersteunen op alle mogelijke manieren en juist voor hen zorgen dat onderwijs op school op een veilige manier doorgang kan vinden.

En dan wil ik ook nog even die post-it op de koelkast ter herinnering brengen: “Als zij de baas zouden zijn, geven kinderen en jongeren aan dat zorgen voor een veilig en fijn thuis het allerbelangrijkst is”, hoewel bijna alle ondervraagde kinderen ook aangaven dat de spanningen waren toegenomen door de afgenomen bewegingsvrijheid. “Daar staat tegenover dat kinderen en jongeren opvallend vaak de positieve kant [zagen] van de gevolgen van het coronabeleid. Zo vonden ze het fijn om hun schoolwerk in hun eigen tempo te maken, ze hadden meer vrije tijd en zagen hun ouders vaker en nam de stress in hun leven af. Onze kinderen willen een veilig en fijn thuis. Een veilig thuis is een gezond thuis in een functionerende samenleving, waar oog is voor alle behoeften die kinderen hebben.

Hoe zou u het vinden als u alleen nog naar uw werk mocht, er verder niets te doen was en u daarnaast steeds te horen zou krijgen dat uw generatie verloren is, u het allemaal niet goed meer kan doen want; achterstanden. Tijdens een pandemie. Tijdens de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. Wat is de boodschap die we onze kinderen brengen? Dat ze moeten presteren, wat er ook gebeurt? Dat presteren het enige belangrijke in het leven is? Dat we maling hebben aan al hun andere behoeften? Dat we weten dat scholen bijdragen aan verspreiding en er mede aan bijdragen dat lockdowns langer duren, maar dat we het belangrijker vinden dat ze les krijgen op school, dan dat we ze andere dingen in het leven gunnen?

Als het ons echt om het welzijn van kinderen ging, dan zouden we andere oplossingen bedenken. Dan zouden we kosten noch moeite sparen om ze die zogenaamde verloren jaren in te laten halen. Dan zouden we er oog voor hebben dat ze momenteel ook een heel waardevolle ontwikkeling doormaken buiten schoolwerk om. En dan zouden we er oog voor hebben dat ons onwrikbaar geloof in en verlangen naar het oude normaal het grote probleem is van de coronapandemie. Niet alleen voor ons, maar ook voor de rest van de wereld. Wij willen werkelijk helemaal niets hoeven aanpassen aan veranderende omstandigheden. We drammen door. We eisen. We willen maar van alles. Als we maar niets hoeven opgeven. Alles moet terug naar normaal. Nu. Ook al offeren we daar onze kinderen voor op.

Verloren generatie

We leggen een loden last op de schouders van onze kinderen. De kosten, die mogen zij straks ook nog betalen. En niet alleen zij. Of niet vooral zij. Want de werkelijke rekening, en dat weten we allemaal best, die komt te liggen bij de kinderen in arme landen. Landen in Afrika die het nu zoveel beter doen in de bestrijding dan wij. Die enorme offers moeten brengen om corona buiten de landsgrenzen te houden. Waar de hongersnoden al heel dichtbij zijn, omdat de wereldeconomie er slecht voor staat. Landen waar er voor kinderen werkelijk enorme consequenties vastzitten aan het onderbreken van onderwijs. Waar ouders de zorg voor die kinderen niet nog een jaar extra kunnen opbrengen. Waar schoolmeisjes tijdens lockdowns op jonge leeftijd zwanger worden, omdat ze hun lichaam verkopen om maar te kunnen eten. Wil je weten waar er door de pandemie echt een verloren generatie kinderen ontstaat? Kijk dan naar Afrika. Lees dit artikel in de New York Times. En vraag je dan af: zo’n rijk land als Nederland, zou zo’n land niet meer z’n best kunnen doen om dit virus te bestrijden? Andere oplossingen te zoeken om leerachterstanden later alsnog in te lopen? Kinderen te voorzien van laptops zodat ze mee kunnen doen met digitale lessen?

En misschien zouden de drammende ouders van die kinderen kunnen nadenken waar ze mee bezig zijn. “Kinderen vinden het vooral fijn als hun ouders wat meer tijd voor ze hebben.” Is het echt nodig om naar feestachtige demonstraties te gaan? Is het nodig om mensen te besmetten als je weet dat de pandemie zo alleen maar langer duurt en je er eigenlijk schuldig aan bent dat de scholen nu weer sluiten? En aan burgemeester Jan van Zanen van Den Haag, bijvoorbeeld: vindt u het echt normaal dat de kinderen nog langer thuiszitten omdat u een feestje op het Malieveld wel een goed idee vindt? Dat zij nu geen verjaardagsfeestje kunnen vieren? Dat ze geen kerst en geen oud en nieuw konden vieren? Dat ze geen uitvoeringen en musicals hebben? Waarschijnlijk niet op schoolreisje of kamp gaan dit jaar? Al die leuke dingen aan de schooltijd die echt een grote rol spelen in de ontwikkeling van kinderen, maar waar niemand oog voor lijkt te hebben. Heeft u daar eigenlijk bij stilgestaan?

Hoezeer ik ook vind dat het roekeloos is scholen open te laten bij hoge viruscirculatie, vind ik het volstrekte waanzin dat er dan nog feestjes voor drammende volwassenen gegeven mogen worden. Op kosten van de gemeenschap. Dat moet stoppen. En premier Rutte, vindt u het normaal dat onze kinderen nu thuis op het leven zitten te wachten, tijdens een peperdure lockdown, en dat het kabinet gewoon (weer!) met reces gaat? Dat het nog bizar druk is op de wegen en op straat? Dat mensen gewoon schijt blijven houden aan de coronaregels en dat uw kabinet niet eens investeert in simpele dingen als zeg…voorlichting? Dat u gewoon niets doet totdat het allemaal uit de hand loopt, dan de voordeur op slot gooit, de achterdeur wagenwijd openzet en zelf even ‘niet meer meedoet’?

Een lockdown zou een tijd van handhaving moeten zijn, van voorbereiding op veilige heropening van de samenleving én de scholen. Een tijd waarin plannen en strategieën worden herzien. In Den-Haag gebeurt er, behalve feesten, niets. U zadelt niet alleen Nederland en de Nederlandse kinderen op met een hoop ellende, maar ook kinderen in arme landen, die straks achteraan staan bij de vaccins en in ruil voor dure deals om de grondstoffen misschien wat noodhulp kunnen krijgen. Misschien kunnen de Nederlandse kinderen dan wel weer leuke sponsorloopjes houden, of postzegeltjes verkopen. Is alles toch weer terug bij het oude, nietwaar? Inderdaad. Rampen leggen haarfijn bloot wie we werkelijk zijn.

P.s. Als laatste nog een kleine waarschuwing. De ontstekingsreactie MIS-C treedt bij kinderen op 6 tot 8 weken na besmetting, vaak zonder dat het kind symptomen heeft gehad. De aandoening kan levensbedreigend zijn als niet tijdig medische zorg gezocht wordt. Volgens het RIVM komt deze complicatie vooral in het buitenland voor, maar in Nederland hebben tot nu toe al zo’n 50 kinderen deze ontstekingsreactie gehad. Zorg ervoor dat je de symptomenlijst van binnen en van buiten kent. Die kan je vinden op de site van de WHO of van het ECDC. Vind je engels moeilijk? Plak dan de hyperlink van de site in translate.google.com en je kan alles gewoon in het Nederlands lezen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee.

Sleutelmomenten

Sleutelmomenten

Laatste dag van 2020. De sleutelmomenten van Jaap van Dissel, die het AD artikel vandaag beschrijft, zijn voor mij ook een sleutelmoment. Want wat eens te meer naar voren komt: er zal niets aan het coronabeleid veranderen. De visie is er gewoon niet.

Vandaag precies een jaar geleden, op 31 december 2019, werd de Chinese Country Office van de WHO geïnformeerd over het nieuwe SARS Corona Virus 2. Wat de uitkomsten van de reconstructies in de toekomst ook mogen uitwijzen, één ding is duidelijk: de Chinese autoriteiten grepen te laat in. En al vrij snel was ook duidelijk hoe het virus succesvol bestreden kon worden: voldoende afstand tussen mensen was noodzakelijk, mondneusmaskers zouden wellicht helpen, hygiëne helpt, maar bovenal: (potentiële) dragers moeten in quarantaine om verdere verspreiding te voorkomen. Lockdowns volgden, waarbij iedereen – ook niet besmette personen – in quarantaine werden gezet. De reden: als je geen zicht hebt op verspreiding, kan iedereen potentieel drager van het virus zijn. Als je dat niet bij kunt benen met testen, traceren en isoleren van individuele gevallen, zit er niets anders op dan iedereen van elkaar te isoleren. Daarna volgde een zeer intensief testbeleid, waardoor China vrij snel zicht kreeg op de verspreiding en die met de hamer kapot kon slaan. Crushing the curve.

De rigoureuze aanpak van China werd in westerse landen met afschuw bekeken. Maar het werkte. Want welke verwijten je China ook mag maken: in vergelijking met ons, hadden ze de situatie relatief snel onder controle. Na 76 dagen lockdown ging Wuhan, waar de pandemie officieel begon, weer langzaam terug naar normaal. En sinds augustus functioneert daar alles weer (vrijwel) als vanouds.

Toen Nederland nog moest beginnen aan de bestrijding, was de succesformule dus al bijna kant en klaar. Groot was mijn verbazing dan ook dat Nederland het radicaal anders ging doen. Ik kan me nog bijna ieder woord van de toespraak van Rutte op 16 maart herinneren. Maar het woord dat nog steeds hard nadreunt en maar door blijft echoën in mijn hoofd: groepsimmuniteit. Nog verbaasder was ik misschien over het gejubel in de kranten en onder de bevolking over die onmenselijke strategie. Begreep Nederland het eigenlijk wel, wat dat zou betekenen: groepsimmuniteit? Dat mensen zo ontzettend enthousiast raakten van de mededeling dat we allemaal ziek moesten worden en dus besmet raken met een nog onbekend virus, als ik eraan terugdenk, ik kan het nog altijd niet plaatsen.

Dat absurde plan om voor groepsimmuniteit te gaan heb ik eerder geanalyseerd, dus dat laat ik hier verder onbesproken. Wel duidelijk is inmiddels dat Nederland de bestrijding begon met de verkeerde aanpak. En gaandeweg is het moeilijk gebleken die strategie daadwerkelijk te veranderen. Het bleek zelfs taboe om ‘groepsimmuniteit’ nog aan te kaarten. Jaap van Dissel vertelde er enthousiast over in Nieuwsuur, Patricia Bruijning in EenVandaag en Ann Vossen deed dat – zelfs nadat het kabinet officieel al van die strategie afgestapt was – eind april nog bij Jinek. Allemaal mensen die het kabinet adviseren. Mensen die Nederland indirect geregeerd hebben in 2020. Als Ann Vossen – vast OMT-lid en dus dicht bij het vuur – in april nog uitlegt dat groepsimmuniteit bereiken via de kinderen wenselijk is, stoppen we onze vingers in onze oren. We willen het niet horen. Zal ze vast niet zo bedoelen. Rutte heeft gezegd dat groepsimmuniteit niet het doel is en dus is het zo.

Gek genoeg staat niet het beleid – dat officieel dan wel gewijzigd was maar officieus eigenlijk niet – ter discussie, maar staan juist personen ter discussie die zich daar tegen uitspreken. In De Groene schreef Jop de Vrieze een mooi artikel over de rare twists in het coronadebat in Nederland en hoe het een taboe is geworden om uit te spreken dat Nederland nog altijd niet werkelijk is afgeweken van het groepsimmuniteitsbeleid en is wijzen op de succesvolle aanpak van containment in landen waar corona daadwerkelijk is bestreden, verworden tot activisme.

Mensen als Jaap Stronks en Michael Blok en de aanhangers van containment.nu die de strategie als een van de weinigen durfden te blijven bevragen, werden verguisd en in het verdomhoekje gezet. Het was zelfs zo erg, dat ik op het social media platform Twitter in mijn berichtenbox waarschuwingen kreeg niet te reageren op tweets van mensen verbonden aan containment.nu, om mijn eigen reputatie niet te besmetten. Volslagen idioot, want hoewel de toon van containment.nu vaak tegen zere schenen is, is de boodschap valide: Nederland zet niet in op bestrijding van het virus.

In de Nederlandse aanpak voerde semantiek dit afgelopen jaar sowieso de boventoon, misschien is het daarom niet verwonderlijk dat het in het debat ook vrijwel altijd over de toon gaat en nooit over de inhoud. Hoe dan ook: de boodschap landt nergens. In de media veel aandacht voor ‘dor hout’ en de tweestromensamenleving, vrijheid, jongere generaties de ruimte geven, maar zelden of nooit over groepsimmuniteit of de strategie. Aparter misschien is het dat het keer op keer weer Volkskrant redacteuren en columnisten zijn die bovenop iedereen zitten die kritisch naar het beleid en de strategie kijken. Als collega-journalisten kritisch zijn, zit er direct een Volkskrant redacteur in hun nek om hun integriteit en reputatie te beschadigen en ook RedTeam leden en mijn eigen persoon hebben er aan moeten geloven. Met Twitterlobby’s om deze critici in twijfel te trekken, snoerden zij al vaker journalisten en onafhankelijke experts de mond.

De Volkskrantmannen maken uit wie een échte expert is, of wie wetenschapper is, of wie adviseur. Om hun definities te rechtvaardigen, hebben ze het hele woordenboek nodig. Wie expert, adviseur of wetenschapper is, komt opvallend overeen met de wetenschappers die zij toevallig in de eigen rolodex terug kunnen vinden. En een mooie academische titel staat blijkbaar garant voor ‘waarheid’. Ik vraag me af: zouden deze journalisten de politiek binnen universiteiten wel in de smiezen hebben? Lang verhaal kort: wie onder de definitie ‘expert’ valt, dat maakt de Volkskrant uit. Op welke basis? Wetenschap? Was het maar waar. Want er is veel ‘wetenschap’ over SARS-CoV2 en is iedere dag in ontwikkeling, de wetenschapsjournalist maakt hier zelf een selectie uit. Hoe? Dat schijnt iets te maken te hebben met ‘achter de kabinetsaanpak staan’.

Ikzelf kreeg de brandende Volkskrant-toorts op me gericht omdat ik het waagde een blog van Maurice de Hond aan te halen om te laten zien wat kwalijke consequenties kunnen zijn van onduidelijk beleid en de houding van Cib-baas Jaap van Dissel. De ongelukkige uitspraken van de Cib-baas zijn vaak koren op de molen van complotdenkers. Als je daar op wijst, diskwalificeer je jezelf, blijkbaar. Maar zo kreeg ik daarna ook van anderen de waarschuwing dat ik niet mocht discussiëren met bepaalde personen, me er niet over mocht uitlaten, of er zelfs niet naar mocht verwijzen. Dat is gek, want als antropoloog zou ik een open blik moeten houden op alle spelers, ook de zogenoemde ‘complotwappies’. Waarom? Wat complotdenken in crisistijd zo aantrekkelijk maakt, is nu juist dat die complotten net genoeg waarheid bevatten om aannemelijk te zijn. In Sierra Leone deed ik daar tijdens ebola onderzoek naar en leerde al snel dat het goed is om te weten welke waarheden gebruikt worden, welke zwakke punten in het beleid ze aankaarten en hoe je die kunt verbeteren. Het biedt eigenlijk essentiële informatie over de tekortkomingen in beleid, communicatie en voorlichting. Alles wat je nodig hebt om gedrag doeltreffend te veranderen en te blijven bijsturen.

In Nederland willen we dat eigenlijk helemaal niet weten, heb ik in 2020 geleerd. Rutte zet beleid uit, we weten allemaal dat het fout is, we zwijgen en roepen ach en wee als het later uitkomt. Verontwaardiging! Toen het rapport ‘Ongekend onrecht’ over de kinderopvangtoeslagaffaire uitkwam, bleek hoe ontzettend groot die verontwaardiging in de samenleving was: de dag erna steeg de VVD – alweer – in de peilingen.

We wijzen haast neerbuigend naar landen als China. Wij kunnen corona niet bestrijden zoals China dat doet want ‘vrije democratie’ en dat wat wij doen is sowieso beter dan wat het slechte China doet. Jaja. Dat is maar zoals het uitkomt blijkbaar. Want intussen is er in China al sinds augustus meer vrijheid dan in Nederland, waar we van intelligente lockdown, naar gedeeltelijke lockdown, naar tamelijk totale lockdowns zijn gestrompeld, met heel veel meer zieken, doden en schade. Bovendien gaat het helemaal niet om het kopiëren van het autoritaire systeem, maar het overnemen van de succesvolle instrumenten van het TTI: Testen, Traceren, Isoleren.

Maar nu we het toch over onvrijheid en ondemocratische systemen hebben: hoe democratisch is Nederland eigenlijk gebleken? Wij blijken onder de nevel van de ‘Rutte doctrine’ te leven. De Rutte doctrine die ten eerste ongrondwettig is en ten tweede weinig te maken heeft met een democratische rechtsstaat. Maar veel meer dan een opgetrokken wenkbrauw brengt het nieuws over het bestaan van die doctrine niet teweeg. We accepteren het stilzwijgend. Want de Rutte doctrine gaat onverminderd door. Niet alleen de gewobte documenten over de kinderopvangtoeslagen staan vol met zwarte lak, ook in de documenten over de corona aanpak is de zwarte lak lustig gehanteerd. Geen haan die er naar kraait. Best gek, want wat zou er nou helemaal geheim kunnen of mogen zijn aan de corona aanpak die al onze levens kei- en keihard raakt? Zelfs de oppositie lijkt niet te willen weten wat het kabinet eigenlijk bedoelt met ‘gecontroleerd uitrazen’ en waarom de documenten over de door het RIVM uitgewerkte scenario’s onleesbaar zijn door de zwarte lak.

Niemand weet wat de strategie is, wat daar door wie over besproken is, wat de alternatieve scenario’s waren en waarom daar niet voor gekozen is, maar één ding weten we zeker: hoewel alles erop wijst dat groepsimmuniteit door infecties nog altijd wordt nagestreefd, is de strategie allesbehalve groepsimmuniteit. Nou. Nog maar een keer dan. De strategie is groepsimmuniteit, door infecties of eventueel vaccinatie. Bron: Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) RIVM 2020.

Als we kijken naar de sleutelmomenten van Jaap van Dissel, kunnen we al voorspellen dat de toekomstvisie niet gewijzigd is. Nederland blijft streven naar groepsimmuniteit. Als bij-effect of als doel, dat maakt eigenlijk maar weinig uit. Het zal langzamer moeten, want Van Dissel signaleert dat eerder ingrijpen als besmettingen stijgen misschien wel goed is. De signaalwaarden gaan in ieder geval omlaag, in de hoop dat het dan niet meer zo uitnodigt om die te overschrijden. Míjn signaalwaarde is er op tilt van geslagen. Niets, maar dan ook niets heeft zin. Zoals Rutte het 16 maart al zei: velen van ons zullen ziek worden. Dat dat ook voor onze kinderen geldt, maakt – als ik op de verbeten reacties die ik telkens als ik over de scholen begin via twitter en via het contactformulier op mijn site krijg – velen echt helemaal niets uit. “Door jou zit ik straks weer maanden met mijn kinderen opgescheept!” Tja. Nederland wil het blijkbaar zo. En wat onethisch is, dat vegen we gewoon onder het kleed. Net als de kinderopvangtoeslagaffaire. Weg ermee. We laten ons bereidwillig benevelen onder de Rutte doctrine.

Misschien wordt het in 2021, na 17 maart wel beter. Al ben ik bang dat daar eerst een paar sleutelfiguren op sleutelposities voor moeten verdwijnen. Tot dan wens ik Nederland veel sterkte in de strijd met ziekte, herstel, stress, burnout, trauma’s, conflict, polarisatie, faillissementen en armoedeval. Op de economie dan maar. Of wat er nog van over zal zijn als corona gecontroleerd is uitgeraasd. Het was hoe dan ook een leerzaam jaar. Ik heb veel geleerd over ‘wetenschapsjournalistiek’, politiek, propaganda, democratie, dictatuur, idealen en onmenselijkheid.

Vanavond om 0.00 uur proost ik op Nieuw-Zeeland, waar Oud en Nieuw gevierd wordt met festivals en vuurwerkshows. Dank je Jacinda Ardern, dat je de wereld hebt laten zien dat democratie en ‘het vrije westen’ ook samen kunnen gaan met het bestrijden van een virus, medemenselijkheid, compassie en empathie. Op Nieuw-Zeeland, waar een mensenleven meer waard is dan geld. Op Jacinda Ardern. Twintigtwintig was jouw jaar.

#CodeZwart

De herinneringen trekken langzaam voorbij vandaag. De wallen hangen ergens onder mijn kin. Als ik mezelf in de spiegel bekijk, zie ik een bleek gezicht en doffe grijze haren, die dit jaar spontaan zijn ontstaan. Misschien heb ik na vandaag een week vakantie. Misschien. Ik merk dat de hoop dat er werkelijk een week rust zal zijn eigenlijk al weg is. De vorige twee keer dat mijn vakantiedagen op het rooster stonden had ik er naartoe geleefd. Maar daar stond ik dan weer, op de werkvloer. Nu heb ik duidelijk mijn grens aangegeven. Ik ben alleen oproepbaar voor code zwart. 

Code zwart, bij die gedachte trekt mijn maag samen. Het is dichterbij dan ooit. Voor de meeste mensen begint code zwart pas als de IC’s de stroom aan patiënten niet meer op kunnen vangen. Maar eigenlijk begint dat scenario al vóór de poorten van het ziekenhuis. In de acute zorg. Bij de huisartsen. En dan de spoedeisende hulp. Er zijn meer patiënten dan middelen. Meer patiënten dan verzorgenden. We moeten kiezen. Bij die gedachte wordt het stil in mij. Het is te zwaar om daar nu over na te denken. Ik weiger dat zelfs omdat het belangrijker is om die situatie te voorkomen. Want ik weet: wie dit meemaakt zal nooit meer dezelfde zijn. Misschien zelfs nooit meer terugkeren in de samenleving. 

De samenleving. Als we dan toch terugblikken: wat is er van die samenleving over? Het was dit coronajaar weinig ‘samen’. Velen van ons waren heel alleen. Velen van ons zijn alleen maar bezig geweest met ‘overleven’. Met grote verbazing aanschouw ik de discussies over lockdowns, vaccinaties, sneltesten exitstrategieën. Technische, harde middelen die onafhankelijk van elkaar een virus niet laten verdwijnen. Geen van deze middelen kunnen de zieken genezen en al zeker de pijn en het lijden niet verzachten . We leggen al onze hoop in deze middelen, zonder te begrijpen dat ze ons eigenlijk niet echt beschermen. De muren zijn te hoog geworden om houvast te vinden. Wat begrijpen we eigenlijk van dat virus? Denken we er wel écht bij na dat een test je slechts vertelt of je wel of niet besmet bent geraakt, maar dat het jouw eigen besmetting niet heeft kunnen voorkomen? Want het lijkt wel, dat hoe meer hulpmiddelen er komen, hoe ‘losser’ we ons gaan gedragen. Coronamoeheid, het zit diep in onze aderen. We weten niet meer waar we het voor doen en overschrijden onze grenzen en daarmee ook de grens van een ander. En die middelen, die blijken keer op keer niet toereikend. Trouwens, hebben we daar nou serieus wéér een tekort aan? 

Veel mensen hebben gewoon geen zin meer in corona. Wie er hard om ‘vrijheid’ schreeuwt, lijkt nu zelfs van de grote kranten op veel aandacht te kunnen rekenen. Het is geen extremistisch-denken in de marge meer. Kijk maar naar het clubje zogenaamde ‘top-economen’ die de maatregelen willen opheffen. Zogenaamd willen ze de jongere generaties ontlasten van de zware restricties, maar uit de ideëen valt maar één ding duidelijk op te maken: de grote geldverslinders willen de economie weer op volle toeren laten draaien, zonder zelfs maar na te denken over de consequenties van hun immorele ideeën. Vóor deze crisis mochten de mensen die het moordende tempo van het neoliberale kapitalisme niet helemaal kunnen bijbenen al niet meer meedoen. Nu zouden ze, als we die plannen zouden implementeren, maanden- en maandenlang in een verplichte quarantaine zitten en zich volledig moeten afzonderen van de samenleving. Ze zijn de samenleving blijkbaar tot last.  

Iedereen draagt op zijn of haar manier bij in de economische cirkel van het leven. Laten we dit nooit vergeten. Wie zijn zij om te bepalen wie naar buiten mag en wie niet, verkapt in mooie woorden en onder het mom van keuzevrijheid? Ze hebben makkelijk praten. Zelf zullen ze de klappen immers niet opvangen en verantwoordelijkheid dragen ze al helemaal niet. Die zullen dan worden opgevangen door de mensen die we maar opsluiten in hun huizen maar ook door de mensen die niet kunnen overzien wat dit plan gaat doen. En denk maar niet dat de druk op de zorg daardoor vermindert. Laat dat virus uitrazen en de zorg wordt permanent overbelast. Dat staat allemaal niet beschreven in de plannen van onze zogenaamde topeconomen en bankiers. Voor hen gaat het gewoon, ordinair om geld. Voor sommige mensen lost geld blijkbaar alle problemen op, als sneeuw voor de zon. 

Ik vraag me af waarom dat soort idiote plannen keer op keer weer een podium krijgen. Dat kranten en talkshows de verwarring blijven voeden door dit soort holle praatjes keer op keer te promoten. Onze gezondheidszorg staat op instorten. Ondanks alle restricties. Ondanks intelligente, slimme, domme, gedeeltelijke, zware, harde lockdowns, hoe je ze ook noemt. Binnen nu en een paar weken stort het fundament van de samenleving in. En hoewel dit haast niet te voorkomen valt ga ik nu toch schreeuwen. 

Eens zien wie het horen wil. Want we weten allemaal dat het slecht gaat met de zorg en voor welke beproeving we komen te staan. We weten dat VWS hoort te leiden en dat niet doet. En toch accepteren we dat er geen plan is om de klap op te vangen. Denkt iedereen serieus dat we zo reddeloos verloren zijn dat er niks meer aan te doen valt? Dat wij zorgmedewerkers er straks, ondanks alle onvermogen onder politici en burgers, de schouders onder zullen zetten net als in maart?  Wees gerust, de wil is er. Geen paniek. Maar de samenleving kan niet meer doen alsof er niets aan de hand is. Veel zorgmedewerkers zijn ziek. Sommigen langdurig. Wie nog geen COVID-19 heeft gehad, loopt nog altijd het risico besmet te raken. Is het niet op de werkplek, dan wel privé, want het virus zit overal.

De covidzorg is intensief. Veel zorgmedewerkers draaien weer meer uren. De fysieke en mentale druk is enorm. We raken uitgeput. En dat waren we eigenlijk al voordat de tweede golf begon. Als veel zorgmedewerkers ziek thuis zitten, valt vroeg of laat het fundament onder de samenleving weg: de volksgezondheid. De tijd komt eraan dat je met redelijk eenvoudig te genezen aandoeningen, ernstige complicaties oploopt omdat je niet geholpen kan worden. Of dat de ambulance wanhopig rondjes rijdt op zoek naar een plek in het ziekenhuis, terwijl de patiënt achterin overlijdt aan een hartinfarct. Dat kan trouwens óók een zorgmedewerker zijn, die patiënt. Nog meer uitval. Waardoor er nog meer patiënten bijkomen die niet verzorgd kunnen worden. Een vicieuze cirkel, die we eigenlijk vandaag nog kunnen doorbreken. Dus waarom wachten op vaccinaties? 

Werken in de zorg is nog nooit zo stressvol geweest. Wat ík nu dringend nodig heb, is dat de overheid voor mij zorgt. Dat ik wat meer rust in mijn hoofd krijg, omdat ik in ieder geval in de allerbeste, allerveiligste persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) beschikbaar, die zorg kan verlenen. Het werk is zwaar, maar we willen het graag aankunnen. Daarom moeten we zelf gezond en sterk blijven. Ik zorg goed voor mezelf. Ik zorg dat ik niet besmet raak, zodat ik andere mensen kan verzorgen. Oók de mensen die, in tegenstelling tot mij, maar wat doen en ‘gewoon leven’ alsof er geen virus is. Ik zorg voor mensen als ze ziek worden, hoeveel ik mezelf in mijn privéleven ook moet ontzeggen. Ook als dat betekent dat ik de hand moeten vasthouden van een bankier of ‘econoom’ die ondanks alle waarschuwingen toch naar zijn werk ging en ‘vergat’ dat ook hij risico liep omdat hij eigenlijk niet zo gezond leefde als hij zelf dacht. Maar meer nog wil ik dat we nu laten zien te hebben geleerd dat het voorkómen van meer besmettingen en adequaat indammen zoveel meer leed bespaard. 

Ik schreeuw nog één keer. Voor mijn collega’s. Koester de zorgmedewerkers, zorg voor ons, zodat wij voor u kunnen zorgen als het nodig is. ‘Draagkracht’ moet er ook blijven in de zorg. Onder de mensen die die zorg verzorgen. Zorg voor de zorg. Begin bij de kleine stapjes die nu al gezet kunnen worden om mensen die in de zorg werken én elkaar, op de been te houden, te steunen en te beschermen. Na corona zullen we weer moeten gaan bouwen. Laten we er samen voor zorgen, dat er in de zorg nog genoeg mensen zijn die de nieuwe fundamenten kunnen dragen. Fijn kerstfeest. 

Nienke
Nurse practitioner/ verpleegkundig specialist huisartsenzorg
@Ipie

Beste Hugo de Jonge, mag ik ook even ‘gecontroleerd uitrazen’?

“Iedereen is dood. Kijk hier. IJskasten leeg. Alles is leeg. Alles moet in de container. Al die mensen zijn dood gegaan. … Deze hele gang is dood, dood, corona heeft ze allemaal meegenomen. Gezonde mensen zijn weg. Het kan niet. Onbegrijpelijk.”

Het zijn gek genoeg niet de filmpjes van de patiënten op IC’s of de naar adem happende mensen, die tijdens deze pandemie de meeste indruk op mij hebben gemaakt. Als ik denk aan de enorme impact van de coronacrisis, denk ik altijd aan de beelden die een medewerker van het Amsterdamse verpleeghuis Flevohuis maakte. Geen ziek mens in beeld. Alleen maar leegte. En daar ligt juist de pijn. Deze medewerker, dit mens, brengt het zo nuchter mogelijk. Hij is “niet boos, maar gefrustreerd”. Toch voel ik zijn boosheid. Zijn onmacht. Zijn onbegrip.

Toch kon het, minister De Jonge. Het kon. Het gebeurde. Op grote schaal. Het ene na het andere verpleeghuis. De ene dode na de andere. Halve dorpen raakten geïnfecteerd. Noord-Brabant moest plotseling afscheid nemen van “een leger aan geweldige opa’s, oma’s, vaders, moeders en geliefden”.

Gecontroleerd uitrazen
“Het treft vooral de ouderen”, ik kan me niet heugen hoe vaak ik dat heb gehoord in die beginfase van de pandemie. Die boodschap had een bijna sussende ondertoon. Een geruststelling. “Het virus oogst vooral verzwakten” waar iets goeds in zou schuilen, volgens de Volkskrant. Want al “oogst het virus wreed en zonder genade”, het zou een “geluk bij een ongeluk zijn dat jongere generaties en de ‘sterken’ worden gespaard”. Nou is dit – zeker voor een krant – een al te bizarre uitspraak, maar het is wel wat schuilgaat achter de strategie van het kabinet: het virus “gecontroleerd laten uitrazen” zodat groepsimmuniteit onder de bevolking ontstaat, waarbij de kwetsbaren zoveel mogelijk beschermd moeten worden en de zorg niet overbelast raakt. Een strategie – of moet ik zeggen tactiek – die afwijkt van werkelijk àlle andere landen ter wereld, waar misschien niet overal genoeg wordt gedaan om het virus terug te dringen, maar waar zeker nergens gekozen is verspreiding te accepteren.

‘Gecontroleerd uitrazen’, ‘groepsimmuniteit’. Oude mensen, jonge mensen, al zieke mensen, nog gezonde mensen, corona greep heel wat mensen weg uit onze samenleving. Veel mensen raakten besmet, mochten zich niet laten testen en moesten zich thuis – zonder medische begeleiding – door de ziekte heen slepen. Sommigen werden niet zo ernstig ziek dat ze moesten worden opgenomen, maar kampen nu nog met de gevolgen. Oude mensen, jonge mensen, kinderen, zorgmedewerkers, schoonmakers, politieagenten, opa’s en oma’s, vaders en moeders, broers, zussen, echtgenoten en echtgenotes. Mensen die van u afhankelijk waren voor hun gezondheid en hun veiligheid. Mensen die van de informatie van het RIVM afhankelijk waren om zichzelf te informeren en te beschermen.  Zorgkoepels maakten hun beleid op de RIVM adviezen, hun leden voerden simpelweg uit. Zorgmedewerkers hadden vaak geen keuze. Zij werden onbeschermd het strijdtoneel opgegooid. Een verantwoordelijkheid die u als minister had moeten overzien. U had op tijd moeten signaleren dat het niet goed ging.

Stefanie
Ik denk de laatste tijd vaak aan IC-verpleegkundige Stefanie. Ze is 36 jaar, vrouw van Robert en mama van 2 kindjes van 3 en 6 jaar. Zij vindt zichzelf niet zo belangrijk, maar ik wel. Ze plaatste een brief aan premier Rutte op YouTube. Een emotionele oproep eigenlijk, om haar pijn te zien en toch vooral in te grijpen. Zij begrijpt dat er moeilijke beslissingen gemaakt moeten worden en dat dat met de beste bedoelingen zou gebeuren. Ze heeft het als IC-verpleegkundige in deze tijd ontzettend zwaar, maar ze is nu – tijdens de tweede golf – minder gemotiveerd om nog alles te geven. Ze wordt geconfronteerd met mensen die lak hebben aan de covidregels, die geen mondkapje willen dragen in de supermarkt omdat ze toch niet onder een risicogroep vallen, omdat ze denken dat ze niets kunnen schaden.

“Het gaat niet goed in de ziekenhuizen, de verpleeghuizen. Zorgmedewerkers worden ziek, raken besmet met covid. Maar we gaan door,” zegt Stefanie. De snik in haar stem is duidelijk te horen. Ze is moe. En ze weet niet of ze het nog lang volhoudt.

Zij, daar in de zorg, gaan door omdat ze zich verantwoordelijk voelen. Maar zoals Stefanie het treffend zegt: ze heeft bewust gekozen voor het vak van verzorgende, maar ze heeft er niet voor gekozen “te strijden voor alles en iedereen, terwijl sommige mensen maar lak hebben aan de covidmaatregelen”.

Glazen bol
Ik heb me als gedragswetenschapper vaak afgevraagd hoe het toch kan dat de overheid het allemaal zo knullig aanpakt. Werkelijk álles wat je verkeerd kan doen om gedrag richting het voorkomen van besmetting te sturen, doet het kabinet verkeerd. Een overheid die dag in, dag uit niets anders doet dan burgers sturen, in toom houden, controleren, beïnvloeden en plooien. Ik wil mezelf niet onderschatten, ik vind mezelf een goede antropoloog, maar briljant ben ik allerminst. Ik zie dingen niet scherper of beter dan andere gedragswetenschappers. Gewoon gemiddeld, of misschien iets boven gemiddeld. Toch is me de afgelopen negen maanden heel vaak gevraagd of ik een glazen bol heb. Hoe weet ik toch wat er staat te gebeuren? Hoe kan ik dat wel voorspellen en de overheid niet?

Helderziend ben ik allerminst. Maar ik maakte eerder een epidemie mee. En wie het ooit eerder meemaakte, weet wel hoe het zich allemaal ontwikkelt. De meeste Nederlanders zijn zich na de eerste golf ook prima bewust van de dynamiek van zo’n epidemie. Het is allemaal niet zo ingewikkeld. Ik heb weleens gedacht dat de overheid moedwillig steeds precies dát doet, wat het gedrag van burgers richting het roekeloze stuurt. Maar zelfs in mijn meest waanzinnige nachtmerrie, zou dat wel heel kwaadaardig zijn. En toch zit hier een groot pijnpunt. De corona aanpak lijkt vooral veel op de wereldkampioenschappen ‘semantiek’. Werkelijke bedoelingen worden in verhullende taal verpakt en voilà, we blijven in het ongewisse.

In de overheidsdocumentatie werd ‘gecontroleerd uitrazen – groepsimmuniteit’ vertaald naar ‘maximaal controleren – kwetsbaren beschermen’. Prachtige taal, maar het uitgangspunt blijft hetzelfde: het is wenselijk dat de niet kwetsbare mensen in de samenleving de ziekte krijgen, om zo groepsimmuniteit op te bouwen. En als je dat wil bereiken, moeten mensen zich helemaal niet optimaal beschermen tegen infectie. Dan wil je dat zij blijven functioneren, de samenleving draaiend houden, naar buiten blijven gaan, stuur je zorgmedewerkers met minimale voorzorg op COVID-19 (verdachte) patiënten af en kinderen zonder voorzorgsmaatregelen naar school, de kleintjes naar de opvang en dan moeten we daar niet te onrustig van worden.

5.000 besmettingen per dag – Het nieuwe normaal
Strategie, of tactiek. We komen niet van dat virus af. Rond de vijfduizend besmettingen per dag is acceptabel, zolang de zorg het net aankan. Het nieuwe normaal. En ja, de bevolking accepteert het. Zelfs als zij af en toe toch die beschuldigende vinger naar zich gewezen krijgen, doen de meeste mensen gewoon mee. Het gedrag laat zich zeer nauwkeurig besturen, met een draai aan de knoppen bij het RIVM. Niet dat mensen er blij mee zijn, want de onvrede in de samenleving groeit met de dag, maar omdat de meeste mensen er nog steeds vertrouwen in hebben dat het kabinet het goed bedoelt, net als IC-verpleegkundige Stefanie.

Nu de beleidsstukken over de corona aanpak eindelijk vrijgegeven zijn, begrijpen we dat mensen als Stefanie willens en wetens in die positie zijn gezet. ‘Sturen op zorgcapaciteit’ noemen jullie dat zo mooi, terwijl het virus ‘gecontroleerd uitraast’. Maar wíe stuurt die zorgcapaciteit? U niet, minister De Jonge. Dat doen zíj, die mensen die werken in de zorg en de klappen opvangen, die strijden voor alles en iedereen, maar die er vooral – onbewust – voor lijken te strijden om het kabinet overeind te houden. Om een voor hen onbekende strategie overeind te houden. Om de fouten van het kabinet recht te zetten. Om in stilte gebukt te gaan onder de loden last van zogenaamde ‘schaarste’ in beschermingsmiddelen en tests. Terwijl er eigenlijk helemaal geen schaarste was. ‘Verkeerde planning’, ‘verkeerde inschatting’, schrijven de media. Maar eigenlijk, was het gewoon de verkeerde strategie. Een strategie waar geen enkel ander land voor koos. ‘Groepsimmuniteit’. Lang mocht dat niet eens hardop gezegd worden. Tot nu. Nu het vaccin in aantocht is. Perfecte timing. De documenten waar dat uit blijkt, mogen nu via de WOB naar buiten.

Groepsimmuniteit, terug van nooit weggeweest
Waar premier Rutte en u, minister De Jonge, een paar weken geleden nog door hoepels moesten springen om te ontkennen dat het kabinet voor groepsimmuniteit koos, is groepsimmuniteit ineens geen moeilijke strategie meer. Jaap van Dissel mag er weer openlijk voor uitkomen. Sterker nog, in de toekomstvisie van het RIVM mag het zelfs prominent gebracht worden.

Groepsimmuniteit, een strategie die de rest van de wereld nog altijd als onethisch beschouwt. In Nederland is het inmiddels ongemerkt geen taboe meer. Geen haan die er nu nog naar zal kraaien. De vaccins zijn in aantocht, als de hoogrisicogroepen gevaccineerd zijn – waar het volgens Gommers allemaal om te doen is geweest – krijgen we geen druk meer op de ziekenhuizen en kan de samenleving ‘losgelaten’ worden. Dan mag het virus blijkbaar ongecontroleerd gaan uitrazen, zoals het nu ook al op de scholen en de kinderdagverblijven doet.

Riskante strategie
Alweer kiest het kabinet voor een uiterst riskante strategie. Want voor het geval u het echt allemaal niet had zien aankomen minister De Jonge, dat het zo vreselijk uit de hand zou lopen in de ziekenhuizen, waarschuw ik maar dat ook dit weer op een ramp zal uitlopen. Veel nog niet gevaccineerde kwetsbare én niet kwetsbare mensen worden ziek. En wat doen we nu met de mensen die niet in het ziekenhuis komen maar wel thuiszorg en/of huisartsenzorg ontvangen? Dat grote geheime gapende gat zonder cijfers? De wijkzorg is duidelijk: ook hun capaciteit is op. U wilde dat niet geloven toen een verpleegkundige het u vertelde afgelopen zomer. Recht in uw gezicht. Het was, volgens u, “niet aan de orde”. U liep gewoon weg. De verpleegkundige en haar team bleven verbijsterd achter. 

Er komen nog genoeg mensen in de ziekenhuizen terecht. Er zullen veel mensen longcovid oplopen. Met hoeveel langdurig of chronisch zieken krijgen we straks te maken? Of misschien is er wel een andere manier om daar mee om te gaan, in de media worden de eerste stappen om deze aandoening als ‘psychisch’ af te doen immers al gezet.

Zo’n anderhalve week geleden presenteerde u de komst van de vaccins bij het programma Op1. De opluchting straalde van u af. Ik zei het al eens, stralend en misschien een tikkeltje zelfingenomen lijkt u er in dat programma klaar voor de om de coronacrisis achter u te laten, terwijl de mate en duur van bescherming tegen besmetting én de invloed op het ziektebeloop allerminst duidelijk zij. Ik herhaal uw eigen woorden: “De crisis heeft zo ongelooflijk veel lijden veroorzaakt, zo ongelooflijk veel leed veroorzaakt, verdriet.” U ziet in het vaccin onze beste troef om dat allemaal achter ons te laten. Ik niet. Ik zie in het vervangen van de driehoek Jaap van Dissel, Aura Timen, Jacco Wallinga de beste troef om alles achter ons te laten. Want met die vaccins zijn we er nog niet en blijven we die zo pijnlijke fouten herhalen.

Nederland is het slimste jongetje van de klas
Als we eerlijk zijn, minister De Jonge, is die opluchting er vooral, omdat u klem zit. Nederland dacht het slimste jongetje van de klas te zijn door voor groepsimmuniteit te gaan. Iets anders leek het kabinet niet haalbaar, omdat elimineren nóóit zou kunnen werken, zo blijkt uit de beleidsdocumenten. Het zou in China ook niet lukken. Maar wat blijkt? Het lukt China vooralsnog wèl. En niet alleen China. De lijst met landen die het lukt om het virus te bestrijden, wordt steeds langer. Met veel minder doden, leed en schade dan wij met onze groepsimmuniteit, die nog steeds maar zeer beperkt is. Die landen zullen straks ook een succesvolle vaccinatiecampagne kunnen voeren. Zij zijn er namelijk niet van afhankelijk. Het hoeft alleen maar een al succesvol beleid te ondersteunen: preventie. En ook van longcovid, stress, burnout en posttraumatische stress zullen deze landen veel minder last hebben.

In die landen zullen de bevolkingen minder gedesillusioneerd zijn dan hier. Hier is wanhoop, machteloosheid, stress, verdriet, leed en zijn veel mensen hun vertrouwen in de samenleving verloren. Omdat ze het niet begrijpen. Omdat ze hun medeburgers de schuld geven van de voortdurende verspreiding, terwijl het kabinet daar juist op aanstuurt. Dringende adviezen, de onwil om te handhaven, scholen open zonder voorzorgsmaatregelen, schaarste. Er lijkt werkelijk niets goed te kunnen gaan. En dat zullen we met z’n allen nog lang voelen. Vooral onder leerkrachten, die zich op een dag niet meer prettig voelen in hun beroep, onder zorgmedewerkers, die zich willens en wetens in gevaar gebracht zullen voelen. Onder hen mensen die in mentaal en fysiek opzicht veel te verduren hebben door uw strategie en die nog lang zullen moeten herstellen. In onze samenleving zijn meer complotdenkers dan waar ook ter wereld. En de discussie ‘dor hout’ wordt hier dramatisch veel vaker gevoerd dan in andere landen. Met de strategie ‘gecontroleerd uitrazen’ heeft het kabinet meerdere bedreigingen door de samenleving laten gaan. En dat valt moeilijk te verkroppen.

#wisselvandissel
Helemaal aan de politiek zou ik het niet willen wijten. Het kabinet heeft op de wetenschap willen vertrouwen en leunde daarbij volledig op de expertise van Jaap van Dissel. De vaderfiguur voor het onwetende kabinet. Een baken van kennis en rust, ongetwijfeld. In de documenten kunnen we in ieder geval terugzien dat er onder het kabinet een lacherige sfeer over de pandemie was, terwijl in andere landen de IC’s overstroomden met mensen die in hun longvocht verdronken. Drongen die beelden wel tot u door? Had u door dat andere landen al heel nare ervaringen opdeden met deze ziekte? Want hoe in hemelsnaam kwam uw kabinet tot de conclusie dat COVID-19 minder dodelijk zou zijn dan de griep?

Waarom toch, was het kabinet zo naïef te denken dat deze ene Jaap van Dissel het beter wist dan al die andere wetenschappers van al die andere landen bij elkaar? En waarom ging u, als minister van volksgezondheid, niet te rade bij andere wetenschappers. Zeker, omdat het kabinet zelf – volgens de overheidsdocumenten – al vroeg signaleert dat de Nederlandse aanpak duidelijk afwijkt en daarop zelfs het publiek wil kalmeren. U had toch nooit blind mogen vertrouwen op één persoon?

Veel mensen zeggen – al een tijdje trouwens – dat u zou moeten opstappen om schade voor uzelf én de samenleving te beperken. Ik hoop vooral dat u eerst het RIVM opschoont. Jaap van Dissel volgde niet alleen via het kabinet een eigen koers, maar gaat nu steeds vaker recht tegen het kabinetsbeleid in. Vergeet niet dat dat instituut ons straks moet gaan motiveren om een vaccin tegen SARS-CoV-2 te nemen. En hoe kunnen we nu nog op hun expertise vertrouwen?

Beste premier Rutte, wanneer neemt u eens ‘eigen verantwoordelijkheid’?

Tijdens de ebola epidemie in Sierra Leone hield ik me vaak staande met de gedachte aan Nederland. Ik was daar als hulpverlener, als onderzoeker, als voorlichter, als alles eigenlijk, want er was tekort aan alles en vooral aan mensen die konden helpen. Dus deed ik wat ik kon. Het was vaak een ware hel. Ik zei in die tijd misschien wel duizend keer op een dag tegen mezelf: “In Nederland had dit nooit kunnen gebeuren. In Nederland zouden ze dit meteen hebben aangepakt. In Nederland zou zo’n epidemie binnen no-time onder controle zijn geweest. In Nederland zou een mensenleven iets waard zijn geweest. In Nederland, zou iedereen samenwerken om te voorkomen dat mensen eenzaam moeten sterven. In Nederland zouden zorgmedewerkers nooit, maar dan ook nooit zonder adequate beschermingsmiddelen het hol van de leeuw ingestuurd worden. In Nederland, zouden we voor elkaar zorgen.” Het was mijn warme deken. Want de onmenselijkheid die ik daar zag, in de eerste fase van de ebola epidemie, kende zijn weerga niet. Ik was er kapot van.

Natuurlijk kwam dat deels omdat ik veel ernstig zieke mensen zag die buiten, op de grond, lagen te creperen. Omdat ik mensen zag sterven. Omdat ik mensen zag die andere mensen uitbuitten. Die voedsel stalen van mensen die in quarantaine zaten. Hoe soldaten binnen gingen bij jonge meisjeswezen in quarantaine, we kunnen alleen maar raden waarom. Het was één lange aaneenrijging van verschrikkingen. Maar vooral de politici die niet verhulden dat ze helemaal niet zo hun best wilden doen om ebola te bestrijden, maakten op mij een diepe indruk. De grove onmenselijkheid. De belangen die de boventoon voerden. Het leed. En de diepe, diepe wonden die onder de bevolking werden geslagen, waarvan de genezing nog lange tijd zal vergen. Dat gevoel dat je nergens veilig bent, niet voor je eigen veiligheid kunt zorgen, dat je je geliefden niet kunt beschermen. Dat niet alleen je gezondheid op het spel staat, maar je hele leven, in al haar facetten. En dat je gewoon machteloos bent. Het gaf mij – en vele anderen daar trouwens – zoveel stress en pijn, dat ik er een knoeperd van een Post Traumatisch Stress Syndroom aan overhield.

Veilig terug in Nederland, herstelde ik traag. Dagen, weken, maanden gingen voorbij terwijl ik staarde. Ik bracht mijn dochter om kwart over acht naar school, zette mijn alarm om tien voor twee ‘s middags – dan moest ik haar weer ophalen – ik ging zitten met mijn koffie en na wat voor mijn gevoel vijf minuten leek, ging dat alarm alweer. Zo ging dat vele maanden lang. Dag in, dag uit. Ik kwam er bovenop. Toen kwam corona. Beroerd, maar ik slaakte een zucht van verlichting dat ik in Nederland was. Wat had ik er vertrouwen in dat het hier binnen een mum van tijd onder controle zou zijn. En toen kwam Jaap van Dissel op televisie. “Zoals het er nu naar uitziet, lijkt corona het meest op de gewone griep.”

Bam. De pandemie drong inderdaad niet door tot Nederland, maar helaas niet op de manier zoals ik daar op gehoopt had. Het drong gewoon niet door. “Griep.” Met afgrijzen zag ik u, premier Rutte, grapjes maken over een potentieel dodelijk virus. Dat stomme handen schudden, wat best kon. Carnaval vieren, kon best. Op wintersport, allemaal geen probleem. De déjà-vu. En toen die historische toespraak over groepsimmuniteit. Hoe kon ik twee keer achter elkaar, in zo’n korte tijd, in zo’n nachtmerrie terechtgekomen zijn? Er zat bepaald geen empatische toon in die speech. De meesten van ons zouden corona krijgen, punt. Bepaald door de Nederlandse overheid. Punt. Een onbekend virus en een onbekende ziekte. Geen keuze. Geen enkele manier om jezelf ertegen te beschermen.

Het was nogal een moeilijke boodschap, maar u bleef nuchter. Goedlachs. Schalks. Nederland bleef ook nuchter en vond het prachtig. “Als één man achter Rutte!” De kranten stonden er vol mee: “Rutte is een echte staatsman.” “Hoeder van de natie.” “Een echte leider!” Hoe ironisch, want dat hele idee van ‘groepsimmuniteit’ was natuurlijk dé manier om juist géén leider te hoeven zijn. Om niet de touwtjes in handen te hoeven nemen. Om zo min mogelijk in te hoeven grijpen. Om niet de verantwoordelijkheid te nemen. Of zoals u het zo mooi zei op 8 mei “om niet de baas te hoeven spelen”.

“Nederland is geen kinderspeeltuin.” Zo min mogelijk dwang, geen strikte handhaving, ook al doen andere landen dat wel om het virus te bestrijden. U zou niet in zo’n land willen wonen. Dat zal allemaal best, maar sinds augustus laat peiling na peiling zien: dat is wel wat de meerderheid van de bevolking van u verwacht: “Meerderheid van Nederlanders voorstander van strenge en algehele lockdown“, “81 procent wil dat coronaregels verplicht worden”, “Twee op drie Nederlanders willen strengere aanpak” en volgens de laatste peiling van 19 november wil, ondanks de gedeeltelijke lockdown, nog altijd zes op de tien Nederlanders een strengere aanpak. U zegt: “eigen verantwoordelijkheid”. De bevolking zegt: “dat lukt met strenger beleid”. En laten we wel wezen: Als ik “maar niet zo stom moet zijn om tóch in het overvolle OV te stappen”, hoe moet ik dan naar mijn werk forenzen? Welke ‘eigen verantwoordelijkheid’ moeten we in dit geval van onze medeburgers eisen, die in die overvolle trein ook gewoon op weg zijn naar school of werk?

Kinderen en jongeren kunnen de risico’s helemaal niet vermijden, maar moeten van u zelfs naar scholen met besmettingen toe blijven gaan. Zij infecteren hun gezinnen en andere contacten. En weet u wat het wrange is? Dat veel mensen daar een schuldgevoel over hebben. En mensen die zichzelf meer zouden willen beschermen maar dat simpelweg niet kunnen, die lijden steeds meer onder dat gevoel van machteloosheid. Sommigen voelen zich niet meer thuis in hun land, hebben geen vertrouwen meer in de politiek en soms zelfs, voelen ze zich niet meer prettig bij hun eigen familieleden, die vinden dat zij zelf de risico’s mogen inschatten en daarmee ook anderen in gevaar brengen. Machteloosheid. Het verspreidt zich net zo snel als het virus. En die machteloosheid, premier Rutte, leidt tot depressieve gevoelens, trauma’s, overspannenheid, verdriet en burnout. Sommige mensen zullen er PTSS aan overhouden. Zeker die mensen in de zorg- en hulpverlening, leerkrachten en andere werknemers in vitale beroepen die zich niet veilig voelen en zich niet adequaat tegen dit virus kunnen beschermen, maar die wèl de samenleving draaiend moeten houden. Want die taak, rust voornamelijk op hún schouders. Wanneer neemt u daar, premier Rutte, eens úw ‘eigen verantwoordelijkheid’ voor?

De meerderheid van de Nederlanders heeft u nu zo vaak proberen duidelijk te maken niet met dit virus te willen leven. Ik ook niet. En misschien extra wrang voor mij dat Sierra Leone het tijdens deze pandemie nu juist zo goed doet. Gewoon, doordat er nu wel doortastend wordt opgetreden. Omdat de president het heft in handen neemt. Omdat men intussen geleerd heeft dat belangen van allerlei machthebbers en experts de samenleving veel schade toebrengen. Omdat men geleerd heeft wat empathie is. Dat een mensenleven waarde heeft, dat niet in geld uit te drukken valt. Ik kijk toe hoe nu in Nederland mensen in eenzaamheid moeten sterven. Hoe zorgmedewerkers zelf ziek worden, of de ziekte overbrengen op de meest kwetsbare mensen in de samenleving, gewoon omdat de overheid niet voldoende investeert in beschermingsmiddelen.

Ik zie toe hoe ieder greintje medemenselijkheid uit deze samenleving verdwijnt. Hoe er tweespalt ontstaat. Hoe de virusontkenners als kleuters in een speeltuin stampvoetend eisen dat de samenleving speciaal voor hen doordraait. En hoe u, beste premier, uw oren vooral naar hèn laat hangen, die minder maatregelen willen. Nog geen 12% van de bevolking.

Gelukkig kan ik er nu wat beter afstand van nemen. Posttraumatische stress zal ik er niet van krijgen. Ik weet inmiddels dat het kwartje op een dag toch zal vallen. Geen land ter wereld zal met zo’n virus kunnen leven en dan moeten we alsnog alles op alles zetten om corona te bestrijden. Het zal langer duren en behoorlijk pittig zijn de bevolking dan nog mee te krijgen, maar het zal lukken. Uiteindelijk.

Maar ik hou mijn hart vast voor alle Nederlanders die zich in een hoek gedrukt voelen door dit beleid. Voor de Nederlanders die al sinds maart in zelfisolatie zitten en nog geen woord van medeleven van u hoeven te verwachten. Ik hou mijn hart vast voor de jongere generaties, die zich op een dag zullen realiseren dat de pandemie op hun schouders rust en dat we hen willens en wetens aan risico’s blootstellen. Ik hou mijn hart vast voor de depressies en desillusies die komen voor de mensen in de cultuur-, evenementen- en horecasector, omdat zij vermalen worden onder de grove wielen van dit coronabeleid. Dat hun levens en hun toekomst ondergeschikt worden gemaakt. Omdat we een kabinet hebben dat geen verantwoordelijkheid wil nemen. Omdat we een premier hebben, die “de baas niet wil zijn”.

U heeft de mond vol van “eigen verantwoordelijkheid”, beste premier Rutte, maar wanneer gaat u het goede voorbeeld geven? U bent niet “bij gebrek aan een goed excuus op deze plek gekomen”. U bent op deze plek gekomen omdat veel mensen op u hebben gestemd. Omdat de rest van de bevolking u als ‘leider’ accepteert en u die taak ook heeft gegeven. Wanneer, beste premier Rutte, kunnen we verwachten dat u dáár eigen verantwoordelijkheid in neemt? Want we weten allemaal best, dat wat nu gebeurt met corona, in Nederland eigenlijk niet zou mogen gebeuren.

De Nederlandse keuze voor ‘groepsimmuniteit’ blijkt desastreus

China, Nieuw-Zeeland, Australië, maar ook landen als Sierra Leone, Liberia en Guinee laten zien dat het nieuwe coronavirus bestreden kan worden. Aan de eigenschappen van het virus ligt het dus niet. En het gedrag van mensen kan dus blijkbaar wèl doeltreffend ingezet worden om het virus terug te dringen. Dus, als het niet aan het gedrag van het virus ligt en ook niet aan het gedrag van de mens, dan speelt er iets anders. Wat hebben deze landen met elkaar gemeen, waardoor het hen wel lukt om het virus te bestrijden?

Landen die volgens de Global Health Security Index (GHSI) het best voorbereid waren op een gezondheidscrisis, tellen de meeste coronaslachtoffers en krijgen de situatie slecht onder controle. Nederland staat op plaats drie in deze index en scoort met ruim 10.000 sterfgevallen tegelijkertijd hoog in de wereldranglijst van COVID-19[1]. Op een 7e plaats doet Nederland het, ondanks de goede gezondheidszorgcapaciteit, ronduit slecht.

Opmerkelijk wellicht doen veel landen die lager scoren in de GHSI, het een stuk beter in de bestrijding van het virus. In Zuid-Korea (op nummer 10), Nieuw-Zeeland (35), Mongolië (46), Vietnam (50) en China (51) lijkt de crisis grotendeels onder controle. Analyses over het succes van deze landen lopen uiteen van ‘sterk leiderschap’ tot ‘ervaring met uitbraken van infectieziekten’. Nederlandse analytici verwijzen vaak naar gunstige ‘culturele factoren’ maar ook naar de geïsoleerde geografische ligging van sommige van deze landen, waardoor het voor hen makkelijker zou zijn ‘corona’ onder controle te krijgen.

Ligt het aan het virus, of aan het gedrag?

Voor Nederlandse politici vormen deze analyses, hoewel ze niet onderbouwd worden, genoeg reden om zich niet te verdiepen in de gemeenschappelijke werkwijze die deze landen hanteren en die hun successen goed kan verklaren. Want landen als China, Nieuw-Zeeland en Australië laten zien dat het virus zelf best teruggedrongen kan worden.

Aan de eigenschappen van het virus ligt het dus niet. En het gedrag van mensen kan dus blijkbaar wèl doeltreffend veranderen. Dus, als het niet aan het gedrag van het virus ligt en ook niet aan het gedrag van de mens, dan speelt er iets anders. De landen die SARS-CoV-2 wèl onder controle hebben lijken in verschillende opzichten helemaal niet op elkaar. Niet in geografisch opzicht, niet in cultureel opzicht en ook niet in politiek opzicht. Toch hebben die landen één ding met elkaar gemeen: ze zetten voornamelijk in op preventie.

Is zorgcapaciteit nodig voor de bestrijding van SARS-CoV-2?

Laten we de drie landen die het hoogst scoren in de GHSI nu vergelijken met landen die onderaan die lijst bungelen, landen met weinig gezondheidszorgcapaciteit, slechte infrastructuur en nauwelijks (bio)medische expertise, diagnostische tools en andere middelen om een uitbraak van een onbekende infectieziekte te bestrijden.

GHSI vergelijking
Global Health Security Index

Landen met hoge mobiliteit, evenveel buurlanden als Nederland en met een open economie, maar die in tegenstelling tot Nederland, tot de armste landen ter wereld behoren: Guinee, Sierra Leone en Liberia, de drie landen die in de meest recente geschiedenis (2014-2016) succesvol een enorme gezondheidscrisis (ebola) hebben bestreden.

Deze landen kunnen vanwege de beperkte gezondheidszorg niet sturen op ziekenhuiscapaciteit, zoals Nederland dat doet. Immers, ook Nederland bleek niet over voldoende mankracht en capaciteit te beschikken. Toen die landen te maken kregen met de eerste positieve COVID-gevallen op hun grondgebied, kozen zij dan ook direct voor een rigoureuze aanpak.

Hoe verschillend is de aanpak van deze West-Afrikaanse landen nu met de bestrijding van ebola in 2014-2016, toen de drie ebolalanden eigenlijk alle fouten maakte die Nederland nu in deze pandemie maakt: te traag ingrijpen, weinig investering in voorlichting, de bevolking werd niet betrokken om paniek te voorkomen en meer dan eens werd het bijltje er bijna bij neergegooid omdat men ervan overtuigd raakte dat ebola endemisch was geworden en de regio met de ziekte moest leren leven.

De ebolalanden streden twee jaren tegen dat virus. Hun landen werden van buitenaf hermetisch afgesloten en ook binnen hun landsgrenzen lag het leven er nagenoeg stil. Wijzer geworden door de bestrijding van ebola, namen deze landen met COVID-19 geen enkel risico. Alles wordt ingezet op preventie; dit virus zal geen voet aan de grond krijgen. Waar het in Sierra Leone tijdens de ebola-epidemie de grootste moeite kostte om overheid en bevolking ervan te overtuigen dat het mogelijk was ‘to Kick Ebola’: van ebola af te komen, werd ‘Kick Covid’ tijdens deze pandemie al snel de officiële slogan.

Met SARS-CoV-2 grijpen de voormalige ebolalanden rigoureus en hard in. Met resultaat. Waar Nederland bijna 60 sterfgevallen per 100.000 inwoners heeft, zijn dat er in Sierra Leone, Liberia en Guinee respectievelijk 1,2 en 1.

Vroeg ingrijpen maakt het verschil

In tegenstelling tot Nederland, kozen de voormalige ebolalanden voor een duidelijk doel: geen SARS-CoV-2 binnen de landsgrenzen. Met weinig zorgcapaciteit, (bio) medische expertise en hulpmiddelen, zeer slechte infrastructuur en uiterst kwetsbare economieën (nog herstellend van burgeroorlogen en de ebolacrisis) moesten deze landen het virus bestrijden.

Guinee registreerde de eerste besmetting op 13 maart 2020. Eind maart waren de besmettingen opgelopen naar 16, waarna op 4 april werd besloten de grenzen te sluiten, een vergaande lockdown en een avondklok in te stellen. Vergaande maatregelen, terwijl er nauwelijks sprake was van lokale transmissie.

Liberia registreerde de eerste COVID patiënt op 16 maart 2020 en het tweede geval gelijk de dag daarna. Scholen en universiteiten werden direct gesloten. Op 22 maart werd de noodtoestand uitgeroepen. Op 10 april volgde een vergaande lockdown, voor grote delen van het land.

En Sierra Leone riep de noodtoestand uit nog voordat het land de eerste besmetting registreerde op 29 maart 2020. Direct na de constatering van de tweede besmetting, volgde op 5 april een 3-daagse totale lockdown, werd reizen tussen de districten verboden, sloten de grenzen, werden mondneusmaskers dringend geadviseerd, werd er een avondklok ingesteld (tussen 21:00 en 06:00 uur) en gold ook na de driedaagse lockdown het dringende advies aan de bevolking zoveel mogelijk thuis te blijven. Besmette personen werden strikt geïsoleerd en contacten van besmette personen moesten direct in verplichte quarantaine.

In Nederland werd minder voortvarend gereageerd. Nederland registreerde het eerste COVID geval op 27 februari 2020. Op 6 maart volgde het eerste sterfgeval. Op diezelfde dag werd inwoners van Noord-Brabant geadviseerd hun sociale contacten te beperken als zij symptomen vertoonden. Drie dagen later adviseerde premier Rutte de bevolking geen handen meer te schudden en werd inwoners van Noord-Brabant gevraagd zoveel mogelijk thuis te werken. Op 10 maart werden evenementen in Noord-Brabant verboden. Pas op 23 maart, bij 4.749 positieve gevallen en 213 sterfgevallen, bijna een maand na de eerste besmetting, werd er een intelligente lockdown ingesteld: een gedeeltelijke lockdown waarbij winkels open mochten blijven en de grenzen open bleven. Isolatie van COVID patiënten was en is niet aan de orde en zelfquarantaine van zowel COVID patiënten als hun contacten is geheel vrijblijvend.

Doel en strategie

Waar men in Sierra Leone, Liberia en Guinee direct koos voor een zogenaamd ‘zero covid’ beleid, koos Nederland een andere route. Als een van de weinige landen ter wereld, accepteerde Nederland dat dit nieuwe virus onder de bevolking rond mocht gaan.

In Nederland werd dus niet gekozen voor bestrijding, maar voor gecontroleerde verspreiding, om zo groepsimmuniteit te bereiken. In zijn historische toespraak aan de Nederlandse bevolking liet premier Rutte weten dat hij geen gemakkelijke boodschap had: “De realiteit is, dat het coronavirus onder ons is en voorlopig ook onder ons zal blijven. Er is geen eenvoudige of snelle uitweg uit deze zeer moeilijke situatie. De realiteit is ook dat de komende tijd een groot deel van de Nederlandse bevolking met het virus besmet zal raken.”

In zijn eerste toespraak aan de bevolking legde president Condé van Guinee juist de nadruk op solidariteit tussen bevolking en politiek, om gezamenlijk de verspreiding te stoppen. Zijn belangrijkste boodschap: “In afwachting van een effectief vaccin is preventie het beste wapen dat we tot onze beschikking hebben.”

President Weah van Liberia zei: “We kunnen dit virus verslaan als we ons er allemaal toe verbinden alle beschreven maatregelen te respecteren. Als we ongedisciplineerd zijn, zullen we de oorzaak zijn dat het zich verspreidt. Maar als we ons netjes gedragen en alle voorschriften en gezondheidsmaatregelen naleven, kunnen we ook de remedie zijn die Corona in ons land zal stoppen.” In een speciale ‘corona virus song’ inspireerde de president zijn bevolking samen te “vechten voor Liberia” en gezamenlijk het coronavirus te bestrijden.

En ook president Maada Bio van Sierra Leone vertolkte deze boodschap van preventie: “We zijn vastbesloten om de incidentie en verspreiding van het virus te voorkomen.” In een samenwerking met populaire Sierra Leoonse artiesten, maakte de president in een intro van een covid song duidelijk, dat politiek en bevolking samen stonden in de “oorlog tegen corona”.

Het verschil in beleid tussen Nederland en de voormalige ebolalanden, tekent zich nu – na 8 maanden – duidelijk af. Waar Sierra Leone, Guinee en Liberia in stappen weer terug kunnen keren naar hun ‘oude normaal’ en daarbij de schade aan de economie en de volksgezondheid tot een minimum hebben weten te beperken, lijkt het erop dat Nederland tot maart in ‘gedeeltelijke lockdown’ zal moeten blijven – de tweede – met veel schade aan de economie en aan de volksgezondheid als gevolg.

Het geheime recept: Preventie, empathie, voorlichting

Wat zou Nederland kunnen leren van de voormalige ebolalanden? Ten eerste, dat snel en rigoureus ingrijpen het beste resultaat geeft. Waar in Nederland steeds de nadruk ligt op ‘wetenschap’ en ‘rationaliteit’ – voor de meeste mensen lijkt het op de gewone griep – wordt daar in de voormalige ebolalanden weliswaar een stevige basis gevonden in de wetenschap, maar ligt de nadruk vooral op empathie: van politiek leiders voor de bevolking, en van burgers voor elkaar. In overheidscommunicatie zit altijd een stevige dosis empathie en wordt de dodelijkheid van het virus altijd benoemd.

Empathie en voorlichting zijn noodzakelijk om de bevolking mee te nemen en te stimuleren de eigen vrijheden op te geven voor het collectief. Maar belangrijker nog: mensen moeten weten hoe ze kunnen voorkomen dat ze SARS-CoV-2 verspreiden, wat de (eerste) symptomen zijn van de ziekte COVID-19 en waarom het van belang is dat zij zich isoleren als ze besmet zijn. Voorlichting is de beste preventie. En daar zet Nederland weinig op in, terwijl voorlichting voor de voormalige ebolalanden nagenoeg het enige wapen is dat zij in kunnen zetten in de ‘strijd tegen corona’.

Hoe zet Sierra Leone voorlichting in om verspreiding te voorkomen? Zelfs voor kleine kinderen is voorlichtingsmateriaal beschikbaar om preventie te bevorderen en verspreiding tegen te gaan. Een nationale COVID-19 themesong legt alle preventie en symptomen op een heel eenvoudige en toegankelijke manier uit, in de meest voorkomende verschillende stammentalen. Sierra Leone is zich ervan bewust: je moet niet alleen alles van het virus weten, het gaat vooral om de mindset van de bevolking. ‘Lε wi kam tugεda … lε wi push am na do.’ Gezamenlijk corona eruit gooien. Weg met de onderlinge strijd. ‘Corona fεt na wi כl fεt.’ De strijd tegen corona, is een gezamenlijke strijd. De bevolking is bewust en goed voorgelicht. Van jong tot oud, iedere burger weet wat hem of haar te doen staat. Elkaar beschermen. Het doel: weg met corona.

Van de ervaringen die die landen hebben opgedaan met ebola, de fouten, maar vooral hoe zij de lessons learned inzetten en nu corona bestrijden, daar kan de wereld veel van leren. Nederland, waar corona vooral het domein is van experts en politici en waar de bevolking nauwelijks het verschil weet tussen een verkoudheid en COVID-19, zou kunnen leren wat preventie inhoudt, hoe je de bevolking bij de bestrijding betrekt en hoe belangrijk de mindset van de bevolking is[2][3].         

Op verkeerde voet begonnen

Dat het virus ‘gecontroleerd laten verspreiden’ niet de best mogelijke strategie was, erkennen politiek en de bij het beleid betrokken wetenschappelijk adviseurs inmiddels ook. En toch kiest Nederland nog altijd niet voor preventie. Waar ingezet zou kunnen worden op veel testen, doortastend traceren, stringent isoleren van besmette personen en consequent in quarantaine plaatsen van hun contacten, wacht Nederland af tot een vaccin groepsimmuniteit zal opleveren. Een uiterst riskante strategie, aangezien nog helemaal niet bekend is of de nu ontwikkelde vaccins daadwerkelijk immuniteit zullen geven. Nu inzetten op voorlichting en preventie biedt zekerheid en een snellere terugkeer naar het ‘oude normaal’. En misschien, als we daar vóór sinterklaas al mee beginnen kunnen we dan net als Wuhan – waar de pandemie begon – dan in de winter alweer beginnen met ‘leven’. In Wuhan is alles weer open. Zelfs grote evenementen kunnen doorgaan. De economie herstelt zich. Als we gewoon zouden kunnen toegeven dat we verkeerd begonnen zijn en bereid zouden zijn te leren van andere landen, dan zouden ook wij vrij van corona kunnen zijn. Op onze eigen manier, maar wel met hún succesformule: bestrijden, in plaats van verspreiden.

Dit artikel is gebaseerd op het onderzoekspaper ‘Opnieuw Bruggen Bouwen’ van Ginny Mooy, Myrna Over en Karlijn Roex. Het coronavirus verspreidt zich met name door gedrag. Niet alleen het gedrag van de bevolking speelt een belangrijke rol, maar ook dat van de overheid en haar adviseurs. Hoe beleidsmakers en burgers elkaar in gedrag beïnvloeden en versterken en daarmee de coronapandemie blijven opstoken, lees je in het onderzoeksrapport ‘Opnieuw Bruggen Bouwen’.


[1] Op 6 november 2020 (cijfers obv oversterfte)

[2] Hoe begrijpelijk is de corona communicatie voor laaggeletterden – Dorien van Linge – OneWorld.nl

[3] ’Chronische stress en uitstel van zorg: Coronamaatregelen treffen laaggeletterden harder’- Een Vandaag


Hoe de overheid complotdenken over corona aandrijft

Hoe de overheid complotdenken over corona aandrijft

Tijdens deze pandemie zien we wereldwijd een grote drang naar het vergaren van zoveel mogelijk informatie. Zeker als mensen een hoge mate van onzekerheid ervaren en niet makkelijk toegang hebben tot betrouwbare informatie, is de zucht naar het zoeken naar informatie groot. Veel mensen zijn actiever op de sociale media, lezen wetenschappelijke informatie buiten hun eigen vakgebied of begripsniveau en zoeken naar gelijkgestemden om ideeën en visies mee uit te wisselen. Het leidt tot meningsverschillen, ruzies, maar ook tot verbroedering en het vormen van complot- en actiegroepen. In landen waar overheden zelf belangrijke verspreiders van mis- of desinformatie zijn (zoals Nederland) is er meer impuls tot dergelijke bewegingen.

We worden overspoeld met informatie. Wie goed van alles op de hoogte wil blijven, heeft daar bijna een dagtaak aan. Het grote plaatje overzien, is voor mensen met een baan, school, het huishouden, sport, ontspanning en de zorg voor anderen welhaast onmogelijk. De meeste mensen kunnen zich daarom slechts ontfermen over hun eigen situatie. Zorgen en praktische problemen zijn voor velen acuut.

Overconsumptie van media informatie gerelateerd aan COVID-19 vergroot de onzekerheid: mensen ervaren meer ongerustheid, angst, stress en zelfs gevoelens van depressie. Om gevoelens van onrust en ongewenste gedragsverandering te beperken, moet de overheid meer de regie nemen en ervoor zorgdragen dat burgers altijd in begrijpelijke taal beschikking hebben over de nieuwste informatie; informatie die niet onverklaarbaar afwijkt van de dan geldende gangbare internationale denkwijzen en waarbij steeds duidelijk wordt uitgelegd waar nog onzekerheid over is en waarom dat zo is.

We begrijpen ‘corona’ helemaal niet

Wat wij in Nederland ‘corona’ noemen, is een nieuw virus welke een nieuwe ziekte veroorzaakt. Maar hoezo is ‘corona’ nieuw? Want coronavirussen bestaan al heel lang. Voor veel mensen is ‘corona’ gewoon een variant op de ons bekende coronavirussen (een zware verkoudheid) of een nieuw soort ‘griep’, voornamelijk gevaarlijk voor oudere mensen en mensen met een ‘zwakke gezondheid’.

‘Corona’ beheerst ons hele leven en toch begrijpen we er maar weinig van. Ergens logisch, want ook de wetenschap ‘weet’ nog niet veel van dit nieuwe virus. Maar de hele simpele basis zou toch eenvoudig te communiceren moeten zijn. Dit virus is inderdaad een coronavirus, maar een nieuwe variant. Deze nieuwe variant (SARS-CoV-2) veroorzaakt een nieuwe ziekte (COVID-19). Het ziektebeeld lijkt inderdaad op dat van een verkoudheid, maar dat wij het verschil tussen een ‘gewone’ verkoudheid en corona niet kunnen aanvoelen, begrijpen veel mensen niet, of willen dat niet begrijpen, wat ruimte biedt om de risicomarge wat ruimer te maken. ‘Het zal wel een verkoudheid zijn.’ Sommige mensen blijven thuis en laten zich testen, de meeste mensen echter niet.

Daarnaast is er een groep mensen die ‘niet meer mee wil doen’ en doelbewust met COVID-achtige klachten onder de mensen gaan. Sommigen van hen geloven niet in het bestaan van deze nieuwe ziekte en sommigen geloven niet dat ze daadwerkelijk een ander persoon zullen besmetten. ‘Het beschermende muurtje’ betekent voor hen dat ‘kwetsbare’ mensen zichzelf tegen besmetting moeten beschermen, als ze dat willen. Na negen maanden coronacrisis steekt in de Nederlandse media nog bijna wekelijks de kop op dat een tweestromensamenleving mogelijk en wenselijk zou zijn: kwetsbaren krijgen een veilige, covidvrije zone en de jongere, niet ‘kwetsbare’ burgers kunnen zich dan weer vrij in de samenleving bewegen.

Vele discussies en onrealistische denkbeelden zouden makkelijk te ontkrachten zijn, door meer informatie te geven. Nu blijft het leed van coronaslachtoffers in Nederland grotendeels verborgen: in de media, maar ook in overheidstoespraken wordt weinig aandacht besteed aan de (langdurig) zieken en gestorvenen. Aangezien nog veel Nederlands zelf niemand kennen die (ernstig) ziek is geworden van COVID-19, blijft de crisis voor hen ook ongrijpbaar.

Door weinig aandacht te besteden aan de gevolgen voor de mensen in risicogroepen en na te laten de grote onderlinge verbondenheid en verwevenheid tussen alle mensen in de samenleving uit te leggen, houdt de overheid de illusie dat een tweestromensamenleving überhaupt mogelijk zou zijn in stand. Het ‘beschermende muurtje’ is in de praktijk onmogelijk gebleken. Toch refereert de overheid hier in persconferenties nog steeds aan en geeft daarmee teveel stof tot discussie.

De overheid als verspreider van misinformatie

Niet alleen geeft de overheid teveel ruimte voor discussie en speculatie, de Nederlandse overheid en de overheidsinstituten zijn tijdens de epidemie in Nederland de grootste verspreiders van misinformatie gebleken. Toen wereldwijd over een pandemie werd gesproken en een virus met veel ernstiger ziektebeeld en gevolgen dan influenza, sprak premier Rutte in persconferenties nog altijd over ‘een griepje’. En waar vele landen vergaande maatregelen troffen om het virus buiten de landsgrenzen te houden, grapte de premier in een televisie interview dat handen schudden geen enkel gevaar opleverde. De behoefte aan meer informatie werd daar gecreëerd.

Sinds die eerste overheidsboodschappen over SARS-CoV-2 heeft de overheid vaker (via ministers, maar ook via de overheidsinstituten) informatie verspreid die haaks staat op internationale bevindingen en ervaringen. Op het gebied van mondneusmaskers voor het publiek bijvoorbeeld, in richtlijnen voor zorgmedewerkers en met betrekking tot de bevattelijkheid en besmettelijkheid van kinderen. De symptomenlijst op de website van het RIVM wijkt af van internationale lijsten. Datzelfde geldt voor de identificatie van risicogroepen. OMT-voorzitter Jaap van Dissel haalde tijdens kamerbriefings meermaals reeds ontkrachte wetenschappelijke onderzoeken aan, verschillende OMT-leden treden naar buiten met inzichten die afwijken van onderzoeken uit buitenlanden en de overheid zegt in persconferenties deze inzichten te vertalen naar beleid.

Zonder een onuitputtelijke opsomming te willen geven: het valt veel burgers op dat de
(wetenschappelijke) informatie in Nederland vaak afwijkt van kennis die in andere landen wordt opgedaan. Soms wordt informatie gaandeweg stilletjes aangepast op websites van de rijksoverheid, het RIVM en de LCI. Dit wekt de indruk dat dingen verborgen worden gehouden. Dit leidt bij veel burgers tot een drang naar het zoeken van ‘kloppende informatie’, waarbij informatie vaak als ‘kloppend’ wordt beschouwd als het de eigen vermoedens of inzichten bevestigt.

Het coronabeleid schept verwarring

Hoewel de schijnwerper sterk gericht staat op alle excessen, is het wantrouwen in overheidsinformatie over corona groter en verspreid over een veel meer diverse groep Nederlanders: een op de tien Nederlanders gelooft dat er vieze spelletjes gespeeld worden, 7% gelooft dat grote bedrijven binnen de farmaceutische industrie opzettelijk ziektes verspreiden om medicijnen te kunnen verkopen, nog eens 7% gelooft dat het coronavirus is ontwikkeld door de Chinese overheid. Ruim 4% gelooft dat samen met het toekomstige vaccin een chip zal worden geïnjecteerd om mensen permanent te blijven volgen en 2% gelooft dat het virus een manier is om de effecten van 5G-torens te verdoezelen[1].

De corona-aanpak van het kabinet zorgt voor veel verwarring. Wat is nu het doel en wat is de strategie? Wat is ‘maximale controle’? En wat is eigenlijk ‘sturen op ziekenhuiscapaciteit? En is het nu wel of niet de bedoeling dat ‘jonge, gezonde mensen’ besmet raken? Hoe bereiken we die groepsimmuniteit als we anderhalve meter afstand moeten houden? Waarom kunnen die ‘kwetsbare’ mensen zich maar niet afschermen? Moet de jongere bevolking daar echt onder lijden? Het leven zou gewoon door kunnen gaan, (bijna) zoals normaal, als die groepen ervoor zorgen dat zij niet besmet raken. Videobellen met opa en oma en in de tuin op bezoek en we zijn een eind op weg naar groepsimmuniteit. En ‘kwetsbaren’ moeten toch zelf kunnen bepalen of ze het risico op besmetting en ziekte willen aanvaarden?

Het beeld dat hier wordt geschetst is geen ‘eigenwijze’ misinterpretatie van ‘asociale mensen’, maar de officiële Nederlandse strategie. Rutte heeft geen tweede toespraak gehouden, waarin deze strategie herzien werd. Sterker nog; bij iedere persconferentie spreken premier Rutte en minister De Jonge nog altijd over ‘maximale controle’, beschermen van de kwetsbaren en ‘de zorg niet overbelasten’, terwijl premier Rutte tegelijkertijd ontkent ooit een toespraak te hebben gehouden over groepsimmuniteit. Het onderwerp was meermaals onderdeel van lange kamerdebatten en werd nooit duidelijkheid gegeven. Het blijft voor zowel de bevolking, als voor vele Tweede Kamerleden nog altijd onduidelijk welk doel de overheid nu nastreeft. Dit geeft aanleiding tot gevoelens van wantrouwen, of het gevoel ‘voorgelogen te worden’. Veel burgers hebben zelfs het gevoel gedwongen mee te werken aan een (bio)medisch experiment.

De infodemic risk

Het vergaren van online informatie zeker niet zonder risico’s: binnen echokamers en filterbubbels horen we steeds dezelfde perspectieven op de zaak, waarbij geruchten en ander onbetrouwbaar nieuws zich snel verspreiden. Vooral in deze tijden van stress en gevoelde schaarste zijn we minder in staat om informatie te beoordelen op hun betrouwbaarheid. We worden makkelijker beïnvloedbaar door desinformatie. Uit onderzoeken blijkt dat een meerderheid van de mensen vaak (online) wordt blootgesteld aan bekende geruchten over COVID-19. We worden geacht kaf van koren te kunnen onderscheiden en informatie goed in te kunnen schatten, zonder daarvoor hulpmiddelen te krijgen of met gedragswetenschappelijk ingericht communicatiebeleid.

In de overheidscommunicatie lijkt er amper aandacht voor de rol van digitale communicatie in de verspreiding van foutieve informatie (de zogeheten ‘infodemic risk’). Sterker nog, de overheid schiet zelf tekort op een aantal kernregels van risicocommunicatie: bijvoorbeeld erkennen wanneer je iets nog niet goed weet, duidelijk toegeven als je vergissingen hebt gemaakt, en het bieden van enig perspectief.

In een samenleving die zo sterk streeft naar duidelijkheid, geven informatiegaten hoge ‘infodemic risks’. Informatiegaten (of ‘data voids’) zijn plekken waar in snel tempo veel zorgen ontstaan, terwijl er nog weinig feiten online staan. Hier verspreiden geruchten zich snel, of erger: bewuste desinformatieverspreiders springen in die gaten. Er wordt momenteel gebouwd aan dashboards die snel dit soort plekken op het internet lokaliseren, zodat tijdig kan worden ingegrepen. In Nederland is de naar informatie zoekende burger grofweg in drie categorieën onder te verdelen:

  1. Mensen die voornamelijk kabinetsbeleid ondersteunende informatie lezen en delen.
  2. Mensen die voornamelijk informatie delen en lezen waaruit blijkt dat overheidsbeleid te laks is en de ernst van de situatie wordt onderschat.
  3. Mensen die voornamelijk informatie delen en lezen waaruit blijkt dat overheidsbeleid te streng is en de ernst van de situatie wordt overschat.

‘Complotwappies’

Met name de laatste categorie heeft een onevenredig groot aandeel in de verspreiding van desinformatie en wordt dit door hen tevens ingezet als propagandamiddel om zich te verzetten tegen coronabeleid van het kabinet. In de volksmond wordt aan deze groep gerefereerd onder de term ‘complotwappies’ of ‘covidioten’. Dit zijn paraplutermen voor zowel ontkenners van het virus (corona is een hoax) als voorstanders van ‘uit laten razen’ (‘corona is geen killervirus’).

De ‘complotwappies’, complotdenkers of ‘kritische denkers’ vallen uiteen in een aantal groepen:

  1. Mensen die overheidsinformatie wantrouwen en zelf naar alternatieve informatie zoeken.
  2. Mensen die via social media actief campagne voeren tegen de coronamaatregelen. Deze groep vindt vooral aansluiting bij de burger/expertgroep RedTeam, de actiegroep Containtment.nu (actiegroep voor een indambeleid) (mensen die vinden dat de overheid te weinig doet om het virus te bestrijden) of bij coronabetrokkenen met een ‘alternatieve visie’ als Maurice de Hond, Ira Helsloot, Robin Fransman, Wouter Keller, Hans Koppies, Robert Jensen, Lange Frans en Wybren van Haga (mensen die vinden dat de overheid het virus vrij moet verspreiden, zonder maatregelen te treffen), die een alternatieve visie bieden op de gangbare wetenschappelijke visies op SARS-CoV-2.
  3. Mensen die sympathiseren met of lid zijn van de actiegroep Viruswaarheid onder leiding van Willem Engel. Deze groep ontstond uit corona-sceptici, die onder de slogan ‘liefde en geduld’ bezwaar aantekende tegen de in hun ogen vergaande maatregelen
    coronamaatregelen, zich wilde verzetten tegen ‘het nieuwe normaal’ en de macht van de ‘Big Pharma’. De groep organiseerde demonstraties en protesten die in de loop der tijd meer gingen lijken op door de overheid verboden evenementen uit de party scene, dan een ideologische missie. De actiegroep won met name in de zomermaanden veel sympathisanten, maar moest daarna aan invloed en bereik inleveren omdat de groep duidelijker de overtuiging naar buiten bracht dat corona een overheidscomplot zou zijn en in verband werd gebracht met hooligans en radicaal rechtse organisaties. De groep kwam in opspraak door radicale acties zoals telefonische doodsbedreigingen en scheldpartijen aan een woonzorgcentrum, het fotograferen en lastigvallen van mensen in GGD teststraten en het fysiek en telefonisch lastigvallen van schoolbestuurders vanwege de mondkapjesplicht in sommige middelbare scholen.

Polarisatie en verbinding
Wanneer gelijkgestemden onderwerpen met elkaar bespreken, hebben ze de neiging extremer te worden in hun overtuigingen, in plaats van gematigder. In Nederland zien we deze ontwikkeling met de golfbewegingen van de pandemie meebewegen. De aantallen mensen met een uitgesproken standpunt vóór of tegen maatregelen neemt toe. De samenleving polariseert: de ‘kwetsbaren’ die zich afschermen en de ‘niet kwetsbaren’ die doen of er niks aan de hand is. Je bent voor óf tegen mondkapjes. Voor óf tegen Rutte. Om de samenleving bijeen te houden, is het belangrijk deze polarisatie – net als het virus zelf – direct, snel en efficiënt te bestrijden. Preventie is de beste methode. Tussen twee uitersten zit de verbinding. We moeten het samen doen. Iedereen zit in hetzelfde schuitje. Voor een nog altijd onbekend virus, lopen we eigenlijk allemaal risico.

Een kleine groep verzet zich actief tegen het coronabeleid en probeert dit met kleine en grote acties te ondermijnen. Veruit de meeste sceptici echter houden zich aan de maatregelen, of hebben er respect voor als anderen zich er wel aan willen houden. Bij hen komt de argwaan vooral voort uit het gevoel dat er iets niet klopt, of doordat zij een grote discrepantie zien tussen de Nederlandse informatie over SARS-CoV-2 en informatie uit andere landen, of er een leefstijl op nahoudt waar risico-acceptatie een belangrijk onderdeel van uitmaakt.

Onderzoek tijdens de ebola epidemie in Sierra Leone leerde dat complotdenken vaak samengaat met een zwak vertrouwen in de overheid/overheidsinstanties, deviantie, angst voor inkomstenverlies en angst voor ontwrichting, vaak in combinatie met risico-acceptatie (‘ik accepteer het risico’ want ‘alles moet bij het oude blijven’ dus verwacht ik dat ‘iedereen het risico moet accepteren’). De situatie in Nederland toont grotendeels dezelfde motivaties, terwijl in Nederland ook de onderschattende rol en boodschappen van de overheid een belangrijke rol lijken te spelen. “Het is maar griep.” “Griep is net zo dodelijk.” De boodschappen van het allereerste uur, die met zoveel stelligheid werden gebracht[2], worden nu tegen de beleidsmakers gebruikt. De ernst  van de situatie is niet meer over te brengen.  

Goede informatievoorziening, zeker vanuit de overheid, is zeer belangrijk om de infodemie tegen te gaan. Maar ook wanneer de informatie gemakkelijk beschikbaar en beter te begrijpen zou zijn voor iedereen, zouden er complottheorieën ontstaan. Conspiracies over vaccins bijvoorbeeld, ontstaan meestal niet door een gebrek aan informatie. Vaak gaan ze niet over de immunologische feiten achter vaccins, maar over macht, identiteit, natuur en geschiedenis.[3] Besteed aandacht aan die diepere existentiële thema’s, in plaats van mensen met een betweterige toon te onderwijzen – wat vooral verzet oproept.

Transparantie en uitleg over het beleid, het doel en de strategie, is van wezenlijk belang. Waarom doen we wat we doen? Waarom doen we bepaalde dingen niet? Waarom verlaten we nu de routekaart en nemen we een afwijkende beslissing? Waarom wijkt informatie in Nederland af van informatie uit andere landen? Neem de zorgen van burgers serieus en ga erover in gesprek. Een relatief kleine investering, die veel verschil maakt. Mensen die begrijpen waarom bepaalde regels gelden, kunnen ook anderen erop wijzen en zo kan er een gedeelde gedragsnorm ontstaan ten gunste van de bestrijding van het virus.

Auteurs:
Ginny Mooy, Myrna Over, Karlijn Roex

De informatie in dit artikel is gebaseerd op antropologisch onderzoek naar de invloed van gedrag op de ontwikkeling van de coronapandemie. Het coronavirus verspreidt zich met name door gedrag. Niet alleen het gedrag van de bevolking speelt een belangrijke rol, maar ook dat van de overheid en haar adviseurs. Hoe beleidsmakers en burgers elkaar in gedrag beïnvloeden en versterken en daarmee de coronapandemie blijven opstoken, lees je in het onderzoeksrapport ‘Opnieuw Bruggen Bouwen’. Raadpleeg dit document tevens voor meer brontoelichting.


[1] Kieskompas: zin en onzin over het coronavirus (onderzoek van eind april tot begin mei 2020). 15 augustus 2020

[2] Expert overconfidence

[3] Eula Biss (2014). On Immunity. Graywolf Press.

Met Sinterklaas verspreidt corona zich ‘oh zo snel’

Met Sinterklaas verspreidt corona zich ‘oh zo snel’

Op 12 oktober begon de herfstvakantie in vakantieregio noord. De tweede coronagolf dreigde toen als een tsunami de ziekenhuizen te overspoelen. De vakantie kwam net op tijd. De overheid stelde een gedeeltelijke lockdown in per 14 oktober en toen ook de vakantieregio’s midden en zuid op 17 oktober herfstvakantie kregen, daalde het aantal besmettingen vliegensvlug. De exponentiële groei leek gestopt, daling in de groei leek ingezet. Kabinet en media lonkten al snel weer naar ‘versoepelingen’.

Het optimistische gevoel dat kabinetsmaatregelen zouden hebben gewerkt verspreidde zich, exponentieel. Hoop doet leven. En toen ook twee vaccinontwikkelaars afgelopen week aankondigden dat hun vaccins meer dan negentig procent betrouwbaar zijn en op korte termijn geleverd kunnen worden, raakten met name kabinet en de media in jubelstemming. Bij het praatprogramma Op1 vertelde minister De Jonge, stralend – en misschien een tikkeltje zelfingenomen – dat dit de pandemie ineens totaal verandert. Hoewel het vaccin er nog niet is en zowel de mate als de duur van bescherming tegen besmetting èn de invloed op het ziektebeloop allerminst duidelijk zijn, zit de minister al in de volgende fase: de coronacrisis achter zich laten.

De minister probeert zijn enthousiasme over het vaccin over te brengen aan de bevolking: De Jonge vindt dat ook wij tegen elkaar moeten zeggen dat we in een hele bijzondere fase zijn aanbeland. Maar terwijl de minister op de drempel staat van “de volgende fase in de aanpak van de crisis”, stijgt het aantal positief geteste personen verder en lijkt de verspreiding zich weer te versnellen. Vanaf het hoogtepunt op 30 oktober (ruim 11.000 positieve tests op 1 dag) was er in 10 dagen tijd een razendsnelle daling (ruim 4,5 duizend op 9 november) om daarna weer te stijgen naar ruim 6 duizend (op 21 november) besmettingen per dag. Toch zijn kabinet en adviseurs met hun hoofd vooral in de fase waarin ‘we de coronacrisis achter ons kunnen laten’.

Het kabinet zegt wel te waken voor optimisme, maar kan toch niet onder stoelen of banken steken dat het zelf wel ‘klaar’ is met maatregelen nemen. Afgelopen woensdag zei De Jonge nog dat versoepelingen na 8 december mogelijk zijn, mits er maximaal 1200 besmettingen en 3 IC opnames per dag zijn. Op vrijdag bleek die ondergrens al fors opgeschroefd naar het hogere aantal van 3600 besmettingen en 10 IC opnames per dag. En terwijl de ziekenhuizen een nieuwe toename in patiënten pas over een week of 2 à 3 kunnen verwachten, mogen de restaurants vanaf half december waarschijnlijk weer open. En intenisivist Diederik Gommers mag dit jaar voor Sinterklaas spelen: hij mocht ‘voorspellen’ dat in februari waarschijnlijk evenementen en volle voetbalstadions weer mogen. Het kabinet en zijn adviseurs zijn de route van het perspectief ingeslagen, een zijweg op de pas geïntroduceerde routekaart blijkbaar, waar een dergelijk optimistisch scenario niet op terug te vinden is. Daarmee lijkt het kabinet in de fase van het delirium terecht te zijn gekomen: er is geen besef dat de daling met name door de herfstvakantie zo snel ging, het vaccin er helemaal nog niet is en we nog een feestmaand vol uitdagingen tegemoet gaan.

Helemaal blind voor de ontwikkelingen in de samenleving is het kabinet niet. De premier herinnerde ons er bij de laatste persconferentie aan dat ons gedrag wel een stuk beter kan. Maar hoewel het kabinet beweert zich zorgen te maken over de “spankracht van de samenleving”, maak ik me intussen bijzonder veel zorgen over de ‘spankracht’ bij het kabinet en zijn adviseurs. En terwijl De Jonge nog wat bezorgdheid uit dat we elkaar weleens een derde golf cadeau zouden kunnen geven met kerst, ben ik bezorgd dat het kabinet ons – met cadeautjes in de vorm van nog weer kortere quarantaineperiodes en een te aanstekelijk enthousiasme over vaccins die er nog niet zijn en met nog onbekende (bij)werking – een nieuwe opleving cadeau geeft met sinterklaas.

De scholen zijn open, zonder restricties. Dat het aantal positieve tests na een korte periode van daling, opnieuw toeneemt en vooral onder jongeren, wil ons zeggen dat de aanvankelijke neergang van de tweede golf vooral te danken was aan de herfstvakantie.

Pakjesavond is nog geen twee weken van ons verwijderd. Dat is op sommige plekken goed te zien in de winkelstraten. Zeker na een langdurige periode van stress, onzekerheid en restricties hebben mensen behoefte aan zo’n zalig avondje. Met alle positieve ontwikkelingen en de feeststemming bij sommige politici en adviseurs, groeit bij velen het gevoel: het kan wel. Dat het aantal besmettingen weer toeneemt ontgaat velen. We horen vooral wat we willen horen. Veel mensen zijn coronamoe. Zo ook het kabinet, lijkt het. En hoewel het allemaal zo logisch is en dat er gewoon bij hoort tijdens zo’n pandemie, heeft die coronamoeheid wel invloed op ons gedrag. Het kabinet zou zich moeten realiseren dat gedrag besmettelijker is dan het SARS-CoV-2 virus en dat het optimisme van politici ook zeer aanstekelijk werkt. Voor wie coronamoe is, lijkt de pandemie eigenlijk al voorbij. Zij zijn zich steeds minder bewust van de dreiging. Het naleven van gedragsregels wordt zo steeds makkelijker ‘vergeten’. Als we om ons heen zien dat anderen het niet zo nauw nemen met de regels, zijn we geneigd zelf ook meer risico’s te nemen. Zo komen we samen eens te meer terecht in een neerwaartse spiraal, waar het virus goed van kan profiteren.

Veel mensen zullen pakjesavond samen vieren. Met besmettelijke kinderen, waarvan men denkt dat dat niet zo’n kwaad kan, omdat zij het virus nauwelijks over zouden dragen. Met besmettelijke jongeren, die het overdragen aan hun ouders, kennissen en vrienden en grootouders die ‘het risico wel willen nemen’. Of andersom. En dan nemen jongeren het op hun beurt mee de scholen in. De ouders nemen het mee naar hun werkplek.

De ministers zijn bezig met het vaccin, Gommers is bezig met Feyenoord en de bevolking gaat op pad om de kerstinkopen te doen. Vóór kerst kunnen families en collega’s deze nieuwe, hoopvolle fase in de coronacrisis nog vieren met een hapje in de pas weer geopende restaurants. In de periode van pakjesavond en de weken daarna, verspreidt het virus zich dan ‘oh zo snel’. En wie weet hoeveel mensen Kerstmis en Oud en Nieuw dan kunnen vieren op de IC. Gelukkig voor de zorgmedewerkers, kunnen zij door het zeer doortastende vuurwerkverbod de brokstukken van het kabinetsbeleid dan in alle stilte op hun schouders torsen.

Het coronavirus verspreidt zich met name door gedrag. Niet alleen het gedrag van de bevolking speelt een belangrijke rol, maar ook dat van de overheid en haar adviseurs. Hoe beleidsmakers en burgers elkaar in gedrag beïnvloeden en versterken en daarmee de coronapandemie blijven opstoken, lees je in het onderzoeksrapport ‘Opnieuw Bruggen Bouwen’.

Opnieuw bruggen bouwen (Onderzoekspaper)

Opnieuw bruggen bouwen (Onderzoekspaper)

Hoe gedrag de coronapandemie beïnvloedt
Onderzoekspaper (samenvatting)
Ginny Mooy, Myrna Over, Karlijn Roex
Download het volledige paper hier

Gedrag van mensen die gedurende een lange periode blootstaan aan stress en onzekerheid, is moeilijk beheersbaar. Toch leunt het Nederlandse coronabeleid bijna volledig op ons gedrag. De strategie van ‘maximale controle’ leidt onvermijdelijk steeds weer tot lockdowns en lange perioden van restricties. Dat leidt niet alleen tot langdurige overbelasting van de zorg maar ook tot langdurige ontwrichting van de samenleving. Bovendien leidt het tot veel economische schade, mentale problemen, sociale onrust en kan het tot een nationaal trauma leiden. Ons advies is de strategie te wijzigen naar preventie, een gezamenlijk doel te formuleren (‘nul’ corona), samen eerst een tussendoel te bereiken (samen kerst vieren) en in de lente als samenleving weer tot bloei komen[1] [2].

Hoewel de coronacrisis voor velen van ons de grootste langdurige ramp is die we in ons bestaan meemaken, voelt de situatie vlak en weinig urgent. Bij een echte ramp horen veel sirenes, zorgelijke en afgetobde leiders en een bepaalde mate van saamhorigheid. Tijdens de eerste golf kwam die saamhorigheid en verbinding razendsnel op gang, maar ebde ook even zo snel weer weg. Naast thuiszitten, konden burgers maar weinig bijdragen om de situatie te verbeteren.

Het kabinet, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Outbreak Management Team (OMT) hebben alle touwtjes in handen. De persconferenties zijn gaandeweg steeds minder empathisch geworden. Over het lot van de vele zieken en doden, spreekt premier Rutte zich nauwelijks uit. Het gaat vooral om cijfers, modellen, welke uiterste risico’s we kunnen nemen en af en toe wijst een belerende vinger richting de burgers. Veel mensen voelen zich in de steek gelaten. En waar de één besluit dat het dan allemaal wel mee zal vallen met corona, besluit de ander zich maandenlang op te sluiten in huis, terwijl dat misschien niet eens altijd zo strikt nodig is.

Burgers kunnen niet alleen niet daadwerkelijk iets doen om te helpen, maar doen daarnaast blijkbaar in het niets doen ook veel niet goed. En dat is verwarrend. Het kabinet geeft ‘dringende’ adviezen. We mogen zelf bepalen of we daar gehoor aan geven. We worden teruggeworpen op onszelf en het is dan ook niet gek dat veel burgers zich vooral laten leiden door hun eigen behoeften en belangen.

Een leider die één van ons is en voor ons werkt, versterkt het gevoel van saamhorigheid en geeft ons een gezamenlijk doel. Een premier die niet op de IC komt maar wel regelmatig uitspreekt dat hij naar de kroeg snakt, stimuleert een frivole, zorgeloze houding. Onder een deel van de bevolking althans. Maar er zijn ook veel burgers die dit als ongepast ervaren. Zij voelen zich in de steek gelaten. Het kabinet is weinig empathisch en lijkt alleen oog te hebben voor een minderheid in de samenleving die knokt voor de ‘vrijheid’ en het liefst zo snel mogelijk van de coronamaatregelen af wil. Van hen mag het virus rondgaan. Terwijl tweederde van de bevolking graag ziet dat het kabinet sneller en harder ingrijpt. Zij vinden geen gehoor. In Nederland ontwikkelt de pandemie zich daardoor niet alleen tot een gezondheidscrisis, maar ook tot een politieke en maatschappelijke crisis. Er ontstaat een gevaarlijke tweespalt in de samenleving. Onduidelijk blijft wat hierin de positie van het kabinet is en welke doelen het kabinet met zijn daden nastreeft. Er lijkt een groot verschil te zijn tussen wat het kabinet zegt te doen en wat het werkelijk doet.

De vrees bij het kabinet om paniek te veroorzaken als nadruk op de gevaren van dit onbekende virus wordt gelegd, werkt onderschatting in de hand en zorgt ervoor dat mensen geen reële risico-inschatting kunnen maken. Door weifelend en inconsistent beleid is de politiek de bevolking onderweg kwijtgeraakt. Onze ‘volksaard’ vormt geen verklaring voor de kloof die is ontstaan tussen kabinet en burgers bij de bestrijding van het virus. Maatregelen lijken in toenemende mate arbitrair en kunnen op steeds minder steun en begrip rekenen. Burgers raken het spoor bijster, terwijl zij in een crisis juist meer dan anders houvast nodig hebben.

Gedrag is geen knop waar naar believen aan gedraaid kan worden, het moet steeds gefinetuned worden. De grootste uitdaging bij een gezondheidscrisis, is de bevolking steeds bewust te houden van de dreiging en burgers te blijven stimuleren gewenste gedragsregels na te leven. Het voelt heel onnatuurlijk de persoonlijke vrijheid op te offeren. Zeker als de boodschap steeds wisselt: het ene moment is het wenselijk dat een deel van de bevolking grote risico’s neemt en besmet raakt, het volgende moment is dat ineens onwenselijk gedrag.

Het ‘beschermende muurtje’ van premier Rutte wekt de indruk dat groepen in de samenleving afgeschermd kunnen worden. Daarmee is het ongrijpbaar en onbegrijpelijk geworden om in te schatten hoe ons persoonlijk belang samenhangt met het algemeen belang of met andere mensen in de samenleving. We houden ons aan de gedragsregels die voor ons als individuen het meest logisch lijken. Dat ligt niet aan de cultuur, of aan de volksaard, maar aan onze menselijke behoeften. Bovendien hebben burgers zelf het idee weinig invloed te hebben op het verloop van de uitbraak. Het is de overheid die (in bepaalde mate) risicovol gedrag stimuleert, zoals door het openhouden van de scholen, het toestaan van reizen naar risicogebied zonder quarantaine verplichting, of werken in de zorg zonder adequate beschermingsmiddelen. De samenleving moet draaien. Het is dan ook niet meer dan logisch dat burgers die risico’s ook zullen nemen. In veel gevallen is er zelfs geen keuze; niet alle gedrag is vrijwillig, soms kunnen we – door werk, school of andere verplichtingen – niet ontkomen aan risicovolle situaties.   

De mate waarin mensen denken dat ze risico lopen om de ziekte op te lopen en door te geven aan anderen (vatbaarheid) en hoe ernstig zij de gevolgen daarvan inschatten (om zelf besmet te raken en het vervolgens doorgeven aan anderen), wordt ook beïnvloed door gedrag waar men niet aan kan ontkomen. Zo zullen zorgmedewerkers die zonder mondneusmasker zorghandelingen uitvoeren, het risico op besmetting vaak onjuist inschatten. In hun privéleven hanteren zij dezelfde risico-inschatting. Daarnaast wordt hiermee ook een signaal aan de samenleving gegeven: wat is het nut van het dragen van een mondneusmasker als zorghandelingen bij (potentiële) COVID-patiënten onbeschermd doorgang kunnen vinden? Veel burgers komen tot de conclusie: het zal dan toch niet zo besmettelijk zijn. Mede door de duur van de crisis, wordt het voor mensen steeds moeilijker hun eigen aandeel in de verspreiding van het virus te begrijpen[3]. Daarnaast blijkt dat mensen klachten slecht herkennen of een verkeerde inschatting maken (‘het zal wel een verkoudheidje zijn’).

Van de eerste golf hebben we kunnen leren dat met name snelheid en reageren met adequate maatregelen, de voornaamste succesfactoren zijn om het aantal besmettingen snel terug te dringen. We leerden van andere landen, met een succesvolle aanpak, dat daarna het actief opsporen, testen en isoleren van alle gevallen, de enige manier is om de verspreiding laag te houden en de samenleving zo min mogelijk te belemmeren. In Wuhan, waar de uitbraak eind december 2019 begon, kon men in augustus weer terugkeren naar een bijna-normaal bestaan.

Ook in Nederland leek dat – na een ‘intelligente lockdown’ van bijna 3,5 maand – eind juni binnen de mogelijkheden te liggen. De verspreiding was toen zo laag dat we binnen 3 weken, volgens de prognoses, vrijwel virusvrij zouden zijn geweest, als we de intelligente lockdown nog even hadden voortgezet. Kabinet en bevolking waren, begrijpelijkerwijs misschien, ongeduldig. Ondanks vele waarschuwingen, volgden op 1 juli versoepelingen. Dat bleek inderdaad te vroeg. Bovendien waren de maatregelen om het opnieuw opvlammen van het virus te voorkomen (intensief testen, bron- en contactonderzoek en quarantaine) niet op orde. Eind juli had het kabinet zo snel mogelijk in moeten grijpen, om een nieuwe cyclus van exponentiële groei in de kiem te smoren. Een tweede golf had voorkomen kunnen worden. Maar net als bij de eerste golf nam het kabinet een afwachtende houding aan en greep pas in toen medio oktober de ziekenhuizen weer alarm sloegen.

Doordat de overheid nauwelijks inzet op preventie, voorlichting, voorzorgsmaatregelen en een reële risicoperceptie onder de bevolking, zijn we na de zomervakantie weer in een nieuwe golf aan besmettingen terechtgekomen. Door te laat in te grijpen terwijl er weinig naleving van (gedrags)regels was en de verspreiding in de gemeenschap al hoog was, was een acuut signaal nodig om mensen te motiveren het nalatig gedrag direct om te zetten naar nalevend gedrag. De overheid greep medio oktober pas op het laatste moment in en had toen als laatste redmiddel enkel nog een gedeeltelijke lockdown in de aanbieding.

Een lockdown is het sterkste middel dat de overheid kan inzetten om een onmiddellijk gedragseffect te bewerkstelligen. Eigenlijk is een lockdown niets anders dan het zoveel mogelijk in quarantaine plaatsen (van delen) van de bevolking. Hoe minder mobiliteit en hoe minder nabije sociale contacten, hoe minder kans op overdracht. Dat daarbij niet besmette(lijke) personen ook steeds gehinderd worden in hun sociale en economische levens, moeten we op de koop toenemen. Het lijkt een onevenredig grote investering als het ook anders kan.

Verspreiding voorkomen is niet heel moeilijk als het besmettingsniveau na een eerste lockdownperiode weer heel laag is. Tenminste, als de overheid goede voorzorgsmaatregelen zou treffen op plekken waar mensen zichzelf niet tegen besmetting kunnen beschermen. Op plekken waar zij dat wel kunnen, moeten mensen weten hoe ze besmetting kunnen voorkomen en zich daarnaar gedragen. En waar burgers dat niet kunnen, zou de overheid hen moeten helpen. Door bijvoorbeeld te faciliteren dat mensen dichter bij huis kunnen testen of de preventieve quarantaine financieel en praktisch haalbaar te maken. Maar ook door hen te beschermen tegen andere burgers, die het niet zo nauw nemen met de maatregelen. Want (de mensen uitgezonderd die echt een verhoogd risico op een ernstig ziektebeloop hebben) we zullen bijna allemaal wel momenten hebben dat we denken ‘dat het wel even kan’. Zeker als een besmetting onszelf niet zo hard treft, of het risico gewoon niet zo groot lijkt. Er is daarbij altijd sprake van de inschatting van het persoonlijke risico en het risico dat ons gedrag oplevert voor de ander.

Ook wanneer de overheid zware restricties opwerpt om gedrag te beïnvloeden en sociale interacties te beperken (zoals een lockdown), zal zij moeten blijven investeren in het stimuleren van een juiste risico-inschatting. De behoefte aan sociaal contact en fysieke nabijheid zal juist door maatregelen die sociale isolatie bevorderen, toenemen. Familieleden zullen elkaar bezoeken en juist bij elkaar gezelligheid, steun en troost zoeken. Door veel te investeren in preventie en het vergroten van de intrinsieke én extrinsieke motivatie (regels en handhaving), kan de overheid een derde golf voorkomen. En daarmee ook een derde lockdown.

Nederland kan het roer omgooien en net als landen als China, Vietnam, Japan, Nieuw-Zeeland, Taiwan, Mongolië, Guinee, Liberia en Sierra Leone binnen afzienbare tijd terug kunnen naar ‘het oude normaal’: een samenleving waar af en toe nog wat kleine uitbraken zullen zijn die direct uitgedoofd kunnen worden, zodat er slechts sporadisch en zeer plaatselijk nog beperkende maatregelen noodzakelijk zijn. Het jojo-effect van verwerven en inleveren van vrijheden, met als dieptepunt terugkerende lockdowns, zijn te wijten aan het huidige Nederlandse beleid. Een strategie van ‘maximale controle’ door pas bij te sturen als de IC’s overspoeld dreigen te raken, zal telkens opnieuw leiden tot hoge viruscirculatie, waarbij (gedeeltelijke of intelligente) lockdowns nog de enige manier vormen om de virusdruk omlaag te brengen. Wie accepteert dat het virus rondgaat, leunt bijna volledig op constant alert en risicomijdend gedrag van de bevolking en dat is praktisch niet haalbaar. Bovendien zet de overheid weinig in op dat bewustzijn onder burgers. Veel mensen zullen in verband met werk, school en zorg voor anderen immers wel risico’s moeten nemen. En als zij in de ene situatie geen andere keuze hebben dan risico’s nemen, zullen zij dat in andere situaties ook doen. Zij beïnvloeden anderen met hun gedrag en op die manier komt de samenleving steeds weer in een neerwaartse spiraal terecht. Met andere woorden: uitgaan van risicomijdend gedrag en eigen verantwoordelijkheid gedurende een lange periode, is niet haalbaar.

Een snelle terugkeer naar een volledig functionerende maatschappij, met veilige scholen, economisch herstel en een sociaal en maatschappelijk leven zoals we dat kennen van vóór het coronatijdperk, is absoluut noodzakelijk. Dit is een haalbaar doel als we de lasten van de bestrijding evenredig – met zijn allen – dragen. De overheid kan hiertoe draagvlak creëren door een duidelijk doel aan de huidige lockdown te stellen: samen opnieuw beginnen en vervolgens een duidelijk doel en strategie hanteren, waarbij mensen een betere inschatting van hun eigen aandeel kunnen maken.

De overheid kan een saamhorigheidsgevoel kweken door ieders verschillende behoefte aan veiligheid aan elkaar te koppelen. Dat kan en dat moet, want zo zit onze samenleving in elkaar. We zijn allemaal met elkaar verbonden en onderling afhankelijk van elkaar. De gezondheid van ‘mijn’ kapster is van belang, evenals dat van de leerkracht van ‘mijn’ kinderen, dat van ‘mijn’ huisarts, ‘mijn’ ouders die helpen bij het oppassen en ‘mij’ mentaal ondersteunen en het sociale en liefdevolle vangnet geven dat ieder mens nodig heeft. De gezondheid van de bouwvakker is van belang, dat van de politicus, van de brandweer, de caissière en de kantoormedewerker. Door mensen inzicht te geven in onze onderlinge verbanden, kan de overheid deze crisis ombuigen naar een gezamenlijke strijd tegen ‘corona’. Wat de burger zelf kan maar toch echt ondersteuning bij nodig heeft? Dichte ruimten, drukke plekken en dichtbij elkaar zijn vermijden. Op vele verschillende manieren zal de overheid dat nog moeten faciliteren. Zoals ervoor zorgen dat er betere ventilatie in binnenruimten komt, dat we vanwege school of werk niet verplicht worden om op drukke plekken te komen en dichtbij elkaar komen ook daadwerkelijk kunnen vermijden.

De overheid zorgt dat alle instrumenten om verspreiding tegen te gaan klaarstaan om na de lockdownperiode bij heropening optimaal te functioneren en investeert tegelijkertijd in een betere informatievoorziening en het creëren van een samenleving met een reële risicoperceptie: zowel op het gebied van de eigen gezondheid als de daarmee samenhangende volksgezondheid en het welzijn van de samenleving als geheel. Investeer in alle pijlers van het TTI: snel en laagdrempelig kunnen Testen. Stimuleer mensen goed mee te werken aan het Traceren van de keten van verspreiding en zorg dat er steeds ruim voldoende menskracht is om dat bron- en contactonderzoek uit te voeren. En bovenal: stimuleer mensen zich zoveel mogelijk te Isoleren als zij besmet zijn en in quarantaine te gaan als zij in contact geweest zijn met een besmet persoon. Want testen en traceren geven wel een beeld van de verspreiding, maar voorkomt het natuurlijk niet. Help mensen de isolatie- of quarantaineperiode door te komen, in de breedste zin des woords. Kapsel het virus in en houd het buiten de grenzen. Ook letterlijk: zorg ervoor dat er vanuit het buitenland geen nieuwe besmettingen kunnen binnenkomen. Dat kan door steeds aan alle gaten in de lagen van de respons te blijven sleutelen. En door ons er bewust van te worden, dat ‘een beschermend muurtje’ rond bepaalde groepen een bijzonder slechte verdedigingslinie is gebleken.

Een muur die ons allen beschermt en het coronavirus zoveel mogelijk buiten houdt, is de enige manier waarop de samenleving zoveel mogelijk onbelemmerd door kan draaien. Dat een muur bouwen wat tijd en investering kost, zou ons allemaal duidelijk moeten zijn. Maar als we dat samen doen, kan het een klus zijn die naast veiligheid ook verbinding oplevert.

In het onderzoekspaper ‘Opnieuw bruggen bouwen’ geven we een uitgebreide analyse van de coronacrisis in Nederland en beschrijven we hoe beleid en gedrag elkaar wederzijds beïnvloeden. In dit paper worden aanbevelingen gedaan om gedrag beter te begrijpen en in te zetten om de uitbraak in Nederland tot een minimum te beperken.

Gebaseerd op onderzoek van: Ginny Mooy
Auteurs: Ginny Mooy en Myrna Over
Met bijdragen van: Karlijn Roex


[1] In China, Where the pandemic began, Life is starting to look…normal – New York Times, 23 augustus 2020

[2] Is crushing the curve methode de oplossing voor Nederland tegen coronavirus? – De Nieuws BV, 14 oktober 2020

[3] Effectivity response

Waarom we niet met corona kunnen leven

Misschien is er bij het kabinet geen moed om toe te geven dat er een verkeerde inschatting is gemaakt door groepsimmuniteit na te streven en in te zien dat ‘de beste experts van de wereld’ ook fouten kunnen maken. 

“Eindelijk goed nieuws over corona”, meldde het nieuwsprogramma Nieuwsuur op 9 november. “Een sprankje hoop in deze pandemie”, noemde nieuwszender Al Jazeera de berichtgeving over het veelbelovende coronavaccin van Pfizer. Het ‘hoopgevende vaccin bracht de beurzen direct in juichstemming’, omdat het in de derde en laatste onderzoeksfase 90% effectiviteit laat zien. Het einde van de pandemie zou daarmee in zicht komen.

Het optimisme rond het vaccin is prematuur te noemen. Zo is nog niet duidelijk welke personen op welke manier voor welke duur door het vaccin beschermd kunnen worden. Tevens is het de vraag of het vaccin voldoende effectiviteit zal bieden als het virus muteert. Maar het enthousiasme is begrijpelijk; het biedt perspectief en hoop. De samenleving zou weer zonder restricties kunnen draaien. De hunkering naar een vaccin legt haarfijn bloot: met het nieuwe coronavirus valt niet te leven.

Volgens Minister De Jonge moeten we “inzetten op alles wat perspectief biedt op teruggaan naar het oude normaal.” De minister ziet vaccinatie daarbij als “onze beste troef”, wat in combinatie met “betere behandelingen” en “het veel intensiever testen” in de loop van het nieuwe jaar een teruggang naar het oude normaal moet inzetten. De drie routes naar perspectief, zoals premier Rutte het noemt. De premier en de minister lijken te accepteren dat een derde golf wellicht niet meer te voorkomen is. Misschien is dat te wijten aan het uitgangspunt achter het kabinetsbeleid sinds de uitbraak in Nederland in februari begon: de gedachte dat slechts groepsimmuniteit een einde kan maken aan ‘corona’. Dat een vaccin – in deze fase – niet per se langdurige groepsimmuniteit oplevert, maar misschien eerder collectieve preventie biedt die ook op andere manieren bereikt kan worden, ziet het kabinet over het hoofd.  

De Nederlandse bevolking is nog niet enthousiast over het vaccin. Bijna veertig procent van de bevolking wil zich niet laten vaccineren. Het kabinet staat voor een grote uitdaging om deze burgers van gedachten te laten veranderen. Geen enkele strategie werkt immers, als mensen niet meewerken. Zelfs collectieve vaccinatie niet. Er is geen wondermiddel. Om mensen mee te laten werken, zullen zij er van doordrongen moeten zijn dat preventie noodzakelijk is. En juist daarin is in Nederland weinig tot niets geïnvesteerd.

Om mensen ‘mee te laten werken’ is het noodzakelijk dat zij weten waaraan ze moeten meewerken. En die visie ontbreekt in Nederland. Eigenlijk is de boodschap steeds sussend geweest. Dat het virus verspreidt is niet zo erg, zolang de ouderen en ‘kwetsbaren’ in de samenleving maar niet massaal ziekenhuiszorg nodig hebben. Zij mogen de ‘zorg niet overbelasten’. Het kabinet stuurt op ziekenhuiscapaciteit, iets waar burgers zonder verhoogd risico op een ernstig ziektebeloop weinig invloed op hebben. Niet iedereen wil offers brengen om de ‘kwetsbaren’ te ontzien. Dat is terug te zien aan de verminderde mate waarin burgers zich tijdens de tweede golf aan de maatregelen houden. Om de verspreiding van een virus ‘maximaal te kunnen controleren’ (premier Rutte) is het kabinet afhankelijk van het gedrag van de burger. Zeker in tijden van grote onzekerheid is het op lange termijn sturen van gedrag een hele uitdaging. 

Het kabinet heeft tot nu toe een weifelend en inconsistent beleid gevoerd. Premier Rutte verzekerde de bevolking er steeds van met ‘de beste experts ter wereld’ aan het roer te staan en steeds ‘maximale controle’ te hebben over het virus, terwijl werkelijk alles mis ging. Zo was en is er nog steeds niet afdoende testcapaciteit en bij lange na niet genoeg (competente) menskracht om het bron- en contactonderzoek uit te voeren. Onder de bevolking is er weinig bereidwilligheid tot testen en – erger nog – het naleven van de quarantaine. Testen, traceren, isoleren, dé pijlers onder succesvol bestrijdingsbeleid. Nederland scoort, na negen maanden, nog altijd een matig op alle onderdelen. Het kabinet ging de bestrijding in met een onduidelijk doel: het virus gecontroleerd laten verspreiden in afwachting van groepsimmuniteit – ofwel door middel van natuurlijke infecties of in afwachting van een vaccin. De strategie: het virus maximaal controleren, de meest ‘kwetsbaren’ beschermen tegen infectie, de ziekenhuiszorg niet teveel overbelasten en de samenleving zo min mogelijk te belemmeren. 

Nederland is een van de weinige landen ter wereld waar verspreiding onder de ‘niet kwetsbare’ personen van de bevolking als niet problematisch beschouwd wordt. Ons land kwam met deze strategie op een zevende plaats in de wereldranglijst met de meeste corona-sterfgevallen per honderdduizend inwoners te staan en heeft het, in vergelijking met andere landen, bijzonder slecht gedaan. Het besef dat de strategie niet werkt en het doel juist veel schade aanricht aan de volksgezondheid, de economie en de samenleving, lijkt langzaam in te dalen bij het kabinet. In de kamerbrief van Hugo de Jonge van 17 november jongstleden, wordt voorzichtig een ander doel geschetst: heel Nederland moet terug van risiconiveau 4 (‘zeer ernstig’) naar risiconiveau 1 (‘waakzaam’), waarbij weliswaar nog teveel verspreiding van het virus wordt toegestaan, maar waarbij er toch een breuk gemaakt wordt met de acceptatie dat het virus zich op hoog niveau mag verspreiden.

‘Voorzichtig’ want het kabinet lijkt nog niet bereid zich volledig te committeren aan dit doel. Als het aantal besmette mensen blijft dalen, hoopt en denkt het kabinet dat half december een eerste voorzichtige tussenstap gezet kan worden en stelt daarbij als voorwaarde dat heel Nederland dan binnen de signaalwaarde van risiconiveau 2 moeten zitten. Het einddoel, heel Nederland weer in risiconiveau 1 krijgen, hoopt het kabinet dan in de tweede helft van januari te bereiken. Een strategie om daadwerkelijk en snel terug te keren naar risiconiveau 1, is er niet. Met de huidige maatregelen (zoals afgekondigd op 17 november) en de te verwachten toename in nabije sociale contacten in de feestmaand december, lijkt het doel (het bereiken van niveau 1 in de tweede helft van januari) bij voorbaat onhaalbaar.

De route naar perspectief: vaccin, medicatie en testen. Het voorkomen van verspreiding en een niveau 0, waarbij er nog amper verspreiding is zodat geen maatregelen meer nodig zijn, staat nog niet op de routekaart van het kabinet. Het kabinet weifelt nog altijd en houdt – ook nu er afgetast wordt om over te stappen naar een strategie van minder verspreiding – de deur op een kier om toch sneller te kunnen versoepelen en verspreiding op hoog niveau toch toe te staan. Misschien heeft het kabinet nog niet voldoende geleerd dat ‘golven’ komen en gaan door versoepelingen en aanscherpingen en dat het toestaan van verspreiding onvermijdelijk weer zal leiden tot escalatie. Of misschien is er geen moed om op de schreden terug te keren, toe te geven dat er bij het begin van de uitbraak een verkeerde inschatting is gemaakt door groepsimmuniteit na te streven en in te zien dat ‘de beste experts van de wereld’ ook fouten kunnen maken. 

Om ervoor te zorgen dat we – in afwachting van een vaccin – niet met de ene golf na de andere een derde lockdown in jojo-en, zou het kabinet nu al in moeten zetten op preventie. “Als je een ziekte niet kan krijgen dan kan je het ook niet overdragen op anderen. Als niemand meer de ziekte kan krijgen, dan kan niemand het meer overdragen en kan de ziekte zelfs verdwijnen.” Daar kan een vaccin bij ondersteunen. Het bereiken van blijvende groepsimmuniteit – ofwel door middel van natuurlijke infecties, ofwel door middel van een van de vaccins die nu in ontwikkeling zijn – is nauwelijks haalbaar. Collectieve preventie lijkt het maximaal haalbare, zoals dat ook geldt voor de vaccinaties tegen influenza, bijvoorbeeld. Een vaccin is echter zeker niet de enige manier om verspreiding te voorkomen. Andere landen bewijzen dat door volledig in te zetten op preventie, zoals een vaccin dat ook doet, verspreiding voorkomen kan worden.

Er is geen beter moment om voor een nieuw doel en een nieuwe strategie te kiezen dan in de daling van de tweede golf. Ons eerste vooruitzicht: samen Kerstmis kunnen vieren en de verspreiding toch op een heel laag niveau houden. Ons tweede vooruitzicht: in de lente is de uitbraak in Nederland onder controle. Iedere nieuwe besmetting kan achterhaald en geïsoleerd worden. Alle nieuwe brandhaarden kunnen opgespoord en geblust worden. Nederland is grotendeels vrij van ‘corona’ en de samenleving kan weer tot bloei komen. De bevolking kan rustig wennen aan het nieuwe vaccin en een nieuw kabinet kan zich dan buigen over het samenbrengen van het oude en het nieuwe normaal.

Dit artikel is onderdeel van het onderzoekspaper ‘Opnieuw bruggen bouwen’ (download hier).

Alleen school is belangrijk voor kinderen. Vinden volwassenen.

Toen ik een paar weken geleden opriep de kinderen een extra week herfstvakantie te geven zodat er een harde knip in de transmissieketen gegeven kon worden, kreeg ik met veel verbale agressie te maken. Scholen moeten hoe dan ook openblijven. Wat me nog het meest verbaasd heeft: dat heel veel mensen denken dat kinderen in mentaal of psychisch opzicht voor het leven beschadigd raken door één extra week herfstvakantie.

De New York Times kopt vandaag: “Het lijkt onwaarschijnlijk dat kinderen de verspreiding van het coronavirus aanjagen.” Voor jonge kinderen in het basisonderwijs wordt Nederland in het artikel daar als voornaamste bewijs voor opgevoerd. In Nederland zijn – in tegenstelling tot andere landen – de scholen open zonder restricties. Volgens Brooke Nichols, modelleur infectieziekten aan de Boston University School of Publich Health, blijkt uit de Nederlandse gegevens dat kinderen het virus nauwelijks aan volwassenen overdragen. Een redenering die we eerder hebben gehoord van het RIVM en het OMT, waar de wetenschappelijke bewijsvoering voor ontbreekt. Het is een aanname, want kinderen jonger dan 13 worden nauwelijks getest.

De situatie op scholen en onder kinderen is in Nederland een grote zwarte doos. Het bron- en contactonderzoek ligt in zijn algemeenheid vrijwel stil, maar ook toen het nog functioneerde, werd er onder kinderen nauwelijks bron- en contactonderzoek uitgevoerd. Bovendien werd toen het BCO nog ‘optimaal’ functioneerde slechts 30% van alle bronnen opgespoord. We weten dus maar bitter weinigo over de verspreiding. Wat we wel weten: kinderen en jongeren worden zelden ernstig ziek. Of er kinderen zijn met long-covid, is onbekend. Er wordt niet over gerapporteerd en er is geen centrale registratie. Besmet raken kinderen in ieder geval wel. In welke mate? Niemand kan daar antwoord op geven. Uit het percentage positief geteste kinderen uit de RIVM rapportage van afgelopen dinsdag kunnen we maar 1 ding concluderen: onder kinderen wordt veel te weinig getest. En verhoudingsgewijs basisschoolkinderen momenteel de groep die het meest vaak positief getest wordt.

Niet alleen in Nederland maar wereldwijd, is de discussie rond de rol van kinderen in de coronapandemie, zeer gepolitiseerd geraakt. Het is misschien wel het heetste hangijzer van de pandemie. Wetenschappelijke onderzoeken zijn bijna zonder uitzondering gebaseerd op verkeerde uitgangspunten, scheve selecties en te harde conclusies. Tijdens de eerste golf, waren bijna overal ter wereld de scholen gesloten. Waar ze niet snel werden gesloten, waren er toch relatief veel zieke kinderen. In New York City alleen werden 89 kinderen in ziekenhuizen opgenomen met de zeldzame ernstige complicatie MIS-C. Nederland rapporteerde ‘ongeveer’ 20 gevallen van MIS-C, terwijl de kinderen hier tijdens de ‘intelligente lockdown’ toch in relatieve afzondering leefden.

Pas deze herfst, tijdens de tweede golf, zullen we meer inzicht krijgen in het ziektebeloop onder kinderen die voltijds en zonder restricties naar school gaan. Nederland is de proeftuin van de wereld. Logisch, vinden wij, want school is het allerbelangrijkst voor kinderen en restricties op scholen, daar blijven we ver vandaan. De school vormt een belangrijke sociale basis voor kinderen en jongeren. Maar daarnaast vrezen we vooral de veronderstelde leerachterstanden die kinderen zouden oplopen door hybride of afstandsonderwijs.

Toen ik een paar weken geleden opriep de kinderen een extra week herfstvakantie te geven zodat er een harde knip in de transmissieketen gegeven kon worden, kreeg ik met veel verbale agressie te maken. Scholen moeten hoe dan ook openblijven. Wat me nog het meest verbaasd heeft: dat heel veel mensen denken dat kinderen in mentaal of psychisch opzicht voor het leven beschadigd raken door een extra week herfstvakantie. Eén extra week. Die je dan – als het echt moet – ook makkelijk van de zomervakantie af kunt halen. Eén week extra, voor of na de herfstvakantie. Als het ons om leerachterstanden zou gaan en het welzijn en de gezondheid van de kinderen hierbij centraal zouden staan, zouden we dat idee toch moeten omarmen.

Het belangrijkste argument waar ik mee om de oren geslagen wordt: op scholen is er geen corona. Alleen af en toe een incidenteel geval. Zal wel van een feestje zijn. Of van contact buite school. Daar lijken kinderen het dan wel aan elkaar over te dragen, maar zodra ze de school binnenlopen, is dat risico op overdracht blijkbaar op het schoolplein achtergebleven. De werkelijkheid: We weten simpelweg niet wat er gaande is op de scholen. Er is veel onrust, onder leerkrachten, maar ook onder leerlingen. Er is veel verzuim. Kinderen raken ook besmet. Vooral jongeren. In hoeverre ze elkaar aansteken? Onbekend. Bron- en contactonderzoek wordt niet gedaan. Sommige scholen moesten al de deuren sluiten. Klassen worden naar huis gestuurd omdat leerkrachten in quarantaine moeten of besmet zijn geraakt. Hoe het zit met verspreiding van kinderen en jongeren naar hun ouders is onbekend. Niemand heeft daar gegevens over. Niemand heeft zicht, of grip. En dat zou je nou toch juist wél willen hebben.

School is het allerbelangrijkst voor kinderen. Daar lijkt niemand aan te twijfelen. Om verspreiding van kinderen naar ouders tegen te gaan, raadt het RIVM aan om thuis zoveel mogelijk 1,5 meter afstand te houden. Naar opa en oma kunnen ze niet meer. Dat geldt tenminste voor de families die zich dat kunnen permitteren. Iets meer dan de helft van de ouders met baby’s en kleuters die gebruik maken van kinderopvang namelijk, laten de grootouders zeker 8 uur per week oppassen. Een derde van de ouders met kinderen in de basisschoolleeftijd, laten de grootouders 8 tot 12 uren per week oppassen. En vanwege de woningnood zijn er ook behoorlijk wat alleenstaande ouders die na een relatiebreuk samen met de kinderen bij de (groot)ouders op zolder hun intrek moesten nemen. In achterstandswijken wonen vaak meerdere generaties onder 1 dak.

Het is dus niet altijd even makkelijk, die 1,5 meter afstand. En de risicogroepen komen zo onvermijdelijk toch binnen het bereik van het coronavirus. Tenminste, áls kinderen dat überhaupt zouden kunnen verspreiden. En dan nog in welke mate. Met welke viral load. Want ze hebben vaak milde klachten, niezen en hoesten niet zo hard en dan zou het mee kunnen vallen. Buiten Nederland blijkt dat kinderen vaak een ander ziektebeeld hebben dan volwassenen en zou covid-19 bij hen zich vaak uiten in buikklachten en diarree. In Nederland lijkt dat niet het geval te zijn, althans niet volgens de website van het RIVM.

Intussen zijn de scholen in regio noord na de herfstvakantie alweer begonnen. De andere vakantieregio’s volgen vanaf volgende week. De tweede golf lijkt de ziekenhuizen als een tsunami te overspoelen. Alles wat met recreatie te maken heeft, is gesloten of draait met allerlei beperkingen door. Trainen mogen kinderen nog wel, maar wedstrijden spelen niet. De sportkantines zijn gesloten. Een middagje shoppen is niet de bedoeling. Ergens anders dan op school ergens in een binnenruimte samenkomen ook niet.

Op school draait alles door als normaal. En voor veel kinderen is dat prettig. Maar tegelijkertijd ook, maken veel kinderen zich zorgen. Sommigen piekeren dat ze hun ouders zouden kunnen besmetten, of hun grootouders. Of hun leerkrachten. En is er dan in de ziekenhuizen wel plek? Een meisje van 17 vertelde me dat ze ‘s nachts vaak wakker ligt omdat haar vader herstellend is van een hartoperatie en ze iedere dag moet wikken en wegen of het nog verstandig is om naar school te gaan. Moet ze dit jaar als verloren beschouwen en haar eindexamen maar volgend jaar doen?

Groep 8’ers maken zich zorgen over hun niveau, want door uitval van de leerkracht zitten ze dan plotseling weer thuis en loopt het afstandsonderwijs niet zo gesmeerd meer, als tijdens de intelligente lockdown. Gaan de open dagen op de middelbare scholen wel door? Hun eindmusical? Schoolkamp? En hoe lang gaat de pandemie duren? Kunnen ze ooit weer normaal met opa en oma omgaan? Wordt het Sinterklaas zonder familie, in een gedeeltelijke lockdown? En hoe gaat dat met Kerstmis en Oud en Nieuw. Hun verjaardag? Wordt het leven ooit weer normaal?

Hoe zit het met de mama met ‘onderliggend lijden’ die zich zoveel mogelijk in haar slaapkamer moet afzonderen? En met de papa die het huis heeft moeten verlaten omdat hij tot een risicogroep behoort en ze alleen van afstand, buiten, kan zien? En dan zijn er de samengestelde gezinnen die onder spanning leven omdat het ‘andere gezin’ het niet zo nauw neemt met de regeltjes. Sommige kinderen komen klem te zitten in onderlinge ruzies en spanningen, die de botsende levensstijlen met zich meebrengen. Hoe gaat het met het kind van die alleenstaande moeder die als ZZP’er werkt en nu al voor de derde keer door haar kind werd aangestoken met een corona-achtige ziekte? Zij moet in afwachting van een test thuis blijven en weet niet meer hoe ze haar rekeningen kan betalen. En omdat de kinderen ineens weer, van de ene op de andere dag, dagenlang thuis kunnen komen te zitten, wordt het ook moeilijk met het aannemen van nieuwe opdrachten. Sport wordt opgezegd, in de uitgaven moet worden geschrapt. Het wringt en het schuurt overal. En de kinderen van horeca-ondernemers maken zich al langere tijd zorgen dat het gezin met faillissement en langdurige financiële sores te maken zal krijgen. En dan zijn er nog de kinderen met ouders in de cultuursector of de evenementenbranche, die intussen niet meer weten hoe ze de eindjes aan elkaar moeten knopen.

School is belangrijk voor kinderen. School is belangrijk voor de ouders. School is belangrijk voor de economie. School is belangrijk, punt. Maar er is meer dan school en dat lijken we wel heel makkelijk te vergeten. Het welzijn van kinderen hangt van meer af, dan van alleen leren en het sociale leven in een schoolgebouw. Ook, of juist buiten die muren, leren kinderen over het leven. Bouwen ze relaties op met anderen en verruimen ze hun horizon in contacten met andere generaties. De wereld gaat niet aan ze voorbij. Zullen we ook hun andere zorgen en verdriet serieus nemen? Kunnen we oog hebben voor hun gehele welzijn, zonder alles aan fysieke aanwezigheid in een schoolgebouw op te hangen? Kunnen wij volwassenen ophouden voor kinderen te beslissen dat voor hen enkel naar school gaan zonder maatregelen er tijdens deze pandemie toe doet? Wat voor kinderen belangrijk is, is een compleet bestaan, mèt school, maar ook met gezonde ouders, ouders met werk en redelijke financiële draagkracht, sporten zonder restricties, shoppen, schoolreisjes, Sinterklaas en Kerst met familie, knuffelen met oma en vooral ook: de garantie dat hun gezondheid voor ons op nummer 1 staat.

De wetenschapper is vertrokken. De mens blijft.

De wetenschapper is vertrokken. De mens blijft.

Marino van Zelst, promovendus organisatiewetenschappen aan Tilburg University, analyseert al een aantal maanden de dagelijkse coronacijfers. Harde data, zoveel mogelijk objectief, maar toch ook voor interpretatie vatbaar. Zijn belangrijkste les tijdens de coronacrisis: “De wetenschappelijke methode is objectief, maar de mens die de methode gebruikt is dat niet. Het is beter om daar open en eerlijk over te zijn, dan het nastreven van het onmogelijke doel om objectief te zijn.”

Half mei bel ik met een vriend over het nieuwe testbeleid en het bron- en contactonderzoek dat vanaf 1 juni van start gaat. We spreken hardop uit dat we er niet volledig van overtuigd zijn dat het beloofde beleid goed uitgevoerd kan worden. Ik hang op en lees nog een keer een onderzoek over het leren van prestaties door organisaties. En ineens schiet me iets te binnen. Ik app mijn vriend. “Ik heb nog eens nagedacht over ons gesprek en dit wordt de enige voorspelling waar ik geld op in durf te zetten: het aantal besmettingen zal in juni sterk dalen. Aan het eind van juni wordt de BCO afgeschaald en vanaf 1 juli krijgen we nog meer vrijheid. Het aantal besmettingen loopt eind juli omhoog, waarna de BCO het niet meer aankan. En in augustus gaat iemand zeggen ‘dat het ze is overkomen’.” 

Op 23 juli publiceert Trouw een interview met Sjaak de Gouw, directeur van de GGD-GHOR Hollands Midden, waarin hij stelt: “We zijn verrast door deze uitbraak”. Mijn vriend stuurt me het artikel en belt: “Bijna perfect, alleen is het twee weken eerder begonnen dan je dacht. Hoe wist je dit nou?” Ik ben even stil en zeg: “Dit is wat ik onderzoek en doceer.”

’s Avonds zit ik thuis op de bank en ik beproef enige irritatie naar aanleiding van het artikel. Het kan toch niet waar zijn dat we eind juli de controle alweer verliezen? Het is niet de wetenschapper in mij die de irritatie voelt, maar de mens Marino. Die een burger is, die zich zorgen maakt over de gevolgen van corona voor de samenleving. Die een werknemer is die na augustus misschien geen baan meer heeft. Die een broer is en met grote regelmaat zijn broer spreekt die in de frontlinie staat te ‘knallen’ voor ons. Die een zoon is met ouders die in de risicocategorie vallen. Die een kleinzoon is en zijn laatste grootouder al zes maanden niet heeft gezien. Het gevoel is persoonlijk, maar de kennis wordt gedreven door wetenschap. 

Ik realiseer me opnieuw: de wetenschapper en de mens zijn lastig te scheiden. Uiteraard wist ik dit al wel: tijdens de opleiding hebben we uitgebreid gesproken over hoe ons wereldbeeld ons onderzoek beïnvloedt. Dat we ons bewust moeten zijn van onze waarden en normen omdat ze onze manier van onderwijs geven beïnvloeden. Ik heb geleerd dat een onderzoeker objectief moet zijn; op zoek naar de beste modellen van de realiteit, zonder persoonlijke voorkeuren. Ik heb als mens geleerd om een onderzoeker te zijn. Maar nu moet de onderzoeker leren accepteren dat hij ook een mens is. En dat voelt verkeerd.

Als ik het nieuws kijk wissel ik constant tussen de mens en de wetenschapper. Ik ben gefascineerd omdat ik alle theorieën die ik bestudeer tot leven zie komen in de besluitvorming rondom de coronacrisis. Gefascineerd omdat ik bestudeer waarom managers en beleidsmakers irrationele besluiten maken, aan de lopende band. We hebben de eerste golf meegemaakt, maar het bron- en contactonderzoek wordt toch afgeschaald, ondanks dat de kans hoog is dat het virus zal terugkomen. En toch zie ik beleidsmakers op tv uitleggen dat niemand had verwacht dat het virus zo snel zou terugkomen. Net zoals niemand in den Haag of bij de adviesorganen zich publiekelijk oprecht zorgen maakte over een nieuw virus in China: “Er is geen reden om je zorgen te maken.”

Terug naar begin april: iemand op Twitter vraagt me of ik die oversterfte analyses van het CBS begrijp en dat eens zou kunnen nalopen. Ik begin te rekenen en raak gefascineerd door de analyses, omdat het een objectieve manier is om de impact van corona uit te rekenen en de vergelijking tussen landen te maken. In mijn hoofd denk ik: dit lijkt een goede manier om de ‘prestaties’ van landen te vergelijken. Ik sluit me dagenlang op totdat ik ervan overtuigd ben dat ik begrijp wat ik doe. Ik publiceer een oversterfte analyse op Twitter en nu wordt gevraagd of ik dit elke week kan doen. De wekelijkse analyses worden opgepikt door journalisten en in de tussentijd blijf ik zelf lezen over de coronacrisis. Over ons beleid. Het beleid in andere landen. Ik blijf geduldig de analyses uitleggen aan burgers die zoeken naar informatie. De onzin die soms onder mijn draadjes wordt gepost, door ontkenners of ‘grieproepers’, blijf ik geduldig pareren. De data die het RIVM en het CBS leveren stellen me in staat om dagelijks zelf op de hoogte te blijven en andere mensen te informeren over de gevolgen van het virus.

Eind juni kondigt het RIVM ineens aan dat ze stoppen met de dagelijkse updates. Ik begin code te schrijven om de dagelijkse cijfers zelf te kunnen volgen. Ik plaats het op Twitter en merk dat veel mensen de behoefte hebben om deze informatie te weten. Meer data en meer code volgt. Aantal positieve tests, grafieken van het aantal ziekenhuisopnames, een dagelijkse rapportage. De updates groeien langzaam uit de hand. Ik begin ook steeds vaker actief te tweeten over onderzoek, over beleid, mijn perspectief op de cijfers. In de weken die volgen bouw ik samen met Edwin Veldhuizen ‘de dagelijkse update’ en ons aantal volgers blijft groeien. Ik krijg steeds vaker berichten van bezorgde mensen die vragen wat ik van de cijfers vind. Eind juli word ik lid van het Red Team, een groep constructief-kritische mensen die vanuit hun eigen expertise een interessante blik hebben op het beleid.

Het is, als wetenschapper, een heerlijke ervaring om een groep gelijkgestemde mensen te vinden met wie je kunt sparren over ideeën. Samen proberen we de situatie te begrijpen, onze zorgen en vragen te formuleren over het huidige beleid en die delen we openlijk op Twitter, in de media, en richting de beleidsmakers. Mijn rol als ‘de datanerd’ groeit en ik verzamel steeds meer cijfers. Aan de ene kant om uit te leggen wat er gebeurt aan iedereen die mij volgt op Twitter, aan de andere kant om de inhoudelijke discussies te voeden die we met elkaar hebben. Ik word uitgenodigd om op radio en televisie de cijfers toe te lichten. Ik koers steevast aan op een inhoudelijk vertrekpunt: het gaat om het systeem, niet om de individuele verhalen. En tegelijkertijd sturen mensen me hun persoonlijke verhalen in de DM, in een email, en zie ik ze op televisie. Van echte mensen die geraakt worden door corona en van echte mensen die geraakt worden door het beleid. Maar ik dwing mezelf om te focussen op de feiten en het systeem.

Sommige dagen lukt het me niet meer. Er wordt gedraaid. Wetenschap, de politieke realiteit, en de echte wereld lijken soms losgezongen van elkaar. Ik lees over adviezen rondom mondkapjes in de ouderenzorg die niet aanbevolen worden want ‘er is geen sluitend bewijs’. Onze Duitse vrienden in Nordrhein-Westfalen gebruiken ze vanaf maart en ze hebben na zes maanden nog steeds geen noemenswaardige oversterfte gehad. Ik schrijf op Twitter een paar gewogen en genuanceerde tweets hierover. Ondertussen kook ik van binnen. Maar ik schrijf zonder emotie in de tweets hoeveel oversterfte er is, enige uitleg over de methode, en wat interpretatie. Ik schrijf niet over de verpleeghuisdoden. De risicogroepen die zich al maanden isoleren omdat ze geen onderdeel willen worden van de oversterfte statistieken. De verpleegkundige die in drie maanden tijd 50 mensen eenzaam heeft zien sterven: genoeg oversterfte voor de rest van je leven. Ik blijf genuanceerd, want ik ben een wetenschapper. Maar vlak nadat ik mijn draadje heb gepost schiet me een gedachte te binnen: Fuck de nuance. Ik zie de beelden van de volle IC’s en de lege verpleeghuizen aan de binnenkant van mijn ogen en ik huil. De wetenschapper is vertrokken en de mens blijft achter. 

Fuck de nuance. En toch: de ratio komt weer snel naar boven drijven. Ik moet genuanceerd blijven. Moet. Genuanceerd. Blijven. De behoefte aan objectieve informatie die ik zelf ervaar is te groot. Van mijn trouwe volgers krijg ik regelmatig een berichtje dat ze blij zijn met het constante uitleggen van ‘de cijfertjes’. Ik verschuil me ook graag achter de wetenschap: het is makkelijker om de objectieve bril op te zetten en kil naar de cijfers te staren.

Half september is er een uitzending in Nieuwsuur over moeders in de risicogroep die een haast onmogelijke afweging moeten maken: stuur ik mijn dochter naar school met het risico dat ze corona oploopt en mij mogelijk besmet of vermijd ik het risico door ze maandenlang thuis te houden? De verslaggever ter plaatse vraagt aan de kleine Oriana (6) of ze het zou kunnen opgeven om haar moeder niet meer te knuffelen. Glimlachend kijkt ze haar moeder aan en zegt “nee, omdat ik teveel van haar hou.” Ik breek opnieuw. Diezelfde avond denk ik terug aan de gesprekken en colleges over ethiek en integriteit. Over waardenvrij onderzoek doen. De eindeloze missie om de feiten op tafel te krijgen en objectief een oordeel te vormen. Maar ik sta stil bij de belangrijkste les die ik toen al geleerd heb: de wetenschappelijke methode is objectief, maar de mens die de methode gebruikt is dat niet. Het is beter om daar open en eerlijk over te zijn dan het nastreven van het onmogelijke doel om objectief te zijn.

Verslagen blijf ik achter. Moet ik definitief opgeven dat ik niet compleet objectief kan zijn? Nee. Maar ik moet er wel eerlijk over zijn. En dus zet ik alle data die ik gebruik openlijk online voor iedereen. Alle code die ik gebruik kan door andere mensen nagekeken worden. Ik wik en weeg argumenten om een positie te kiezen. Mensen, waar ik het hartgrondig mee oneens ben, blijf ik helpen met het verzamelen van ‘de cijfers’. En ik stel mezelf kwetsbaar op, door dit dilemma openlijk te delen. Maar in mijn hoofd hoor ik de kleine Oriana nog een keer zeggen: “omdat ik teveel van haar hou”. Na een half jaar strijd in mijn hoofd leer ik eindelijk te accepteren: De wetenschapper is niet vertrokken, maar de wetenschapper is een mens.

Marino van Zelst
Volg Marino op Twitter

Corona is vooral heel ongezellig

Gisteren werd mijn oudste dochter 11 jaar. Net als vele andere moeders, zijn de verjaardagen van mijn kinderen ook momenten dat ik nog terugdenk aan de bevalling. Voordat je bevalt, vertellen andere vrouwen je geruststellend dat je de pijn ‘zo vergeten bent’. Dat ligt dan misschien aan de pijn, want ik ben het niet vergeten. Het was een dramatisch gebeuren. Ik werd ingeleid. Een gel werd op mijn baarmoedermond gesmeerd, waarmee de bevalling werd opgewekt. Ik voelde dat mijn lichaam er niet goed op reageerde. ‘Onzin,’ zei de co-assistente die me bijstond. Mijn kind lag in een stuit en het was maar de vraag of ze er wel via het geboortekanaal uit zou kunnen. Toch gingen we het proberen. En natuurlijk was ik zenuwachtig. Reden genoeg om aan te nemen dat het gewoon de zenuwen waren, opgeteld bij het voor mij onbekende gevoel van bevallen.

Verhaal in versnelling: er volgde smeerbeurt na smeerbeurt en mijn baarmoedermond brandde, trok, gaf me vreselijke krampen, maar ging niet open. Na 12 lange uren van hevige pijn, constateerde de co-assistente dat ik dan ineens op 9 van de 10 centimeter ontsluiting zat. Voor mij voelde het niet zo. Toch moest ik doorzetten, terwijl ik het gevoel had dat mijn baarmoeder ieder moment kon exploderen. Ik hield me groot, maar hoe groter ik me hield, hoe minder er gebeurde.

Na 12 uren zeuren, smeken en pleiten mocht ik dan eindelijk wat pijnstelling. Maar het hielp geen donder. Ten einde raad, zette ik het op een schreeuwen. Dat viel niet in goede aarde. Ik werd niet gecontroleerd op lichamelijke problemen, maar terechtgewezen op mijn aanstellerij. Omdat ik echt niet meer wilde stoppen met schreeuwen, werd de gynaecoloog er da toch bijgehaald. Mijn vermoeden bevestigd: ik had nog geen beetje ontsluiting. Mijn bed werd naar de OK gerend en mijn dochter werd korte tijd later met een keizersnede gehaald.

Pas om elf uur ’s avonds vond ik de rust om mijn eerste kind uitgebreid te inspecteren. Gejoel en geschreeuw ergens verderop in het ziekenhuis. Het ging door merg en been. Het kwam me bekend voor. Het typische Afrikaanse gehuil als iemand overlijdt. De verpleegkundige kwam het uitleggen. De beveiliging zou ingrijpen. Niets om me zorgen over te maken, maar ergerlijk was het zeker, in haar ogen. Ze gebruikte woorden als ‘dramatisch gedoe’, ‘overlast’, ‘overdreven’ en ‘belachelijk’.

Ik probeerde de verpleegkundige uit te leggen dat sommige volkeren dat doen om de overledene te behoeden voor boze geesten of slechte krachten in de reis naar het hiernamaals, of uit respect voor de nabestaanden, of om de rouw op gang te brengen door gevoelens juist niet op te sluiten, maar eruit te schreeuwen. Wat hier precies aan de hand was kon ik door deuren en wanden natuurlijk niet inschatten, maar een functie heeft het altijd. Het was aan de verpleegkundige niet besteed. Rouwen doe je in alle rust en stilte. En boze geesten en kwade krachten bestaan niet.

Tijdens mijn zwangerschap verbleef ik voor mijn werk in Sierra Leone. Omdat ik ‘veilig’ wilde bevallen was ik teruggekomen naar Nederland. Eenmaal terug in Sierra Leone, deed mijn gynaecoloog daar de nacontroles. Hij stond perplex. Ik had een ingegroeide placenta, dat stond ook in het dossier dat ik meenam naar Nederland. Ik had nooit op de natuurlijke manier kunnen bevallen. Het risico was onaanvaardbaar. Hij vond het een ‘goedkope’ manier om onder een veel duurdere keizersnede uit te komen. En dat ik dat zovele uren zonder pijnstilling had moeten doorstaan, vond hij onmenselijk. Dat vond ik tijdens het bevallen zelf ook, maar ik heb het niet durven zeggen. Ik verbeet me, hield me flink, zoals je dat in Nederland hoort te doen. Het had me mijn leven kunnen kosten. En toch heb ik me dat lange tijd niet gerealiseerd. Ik was de afgelopen jaren, iedere verjaardag weer, vooral trots op mijn ‘flinkheid’.

Ziekte is cultureel

Wat heeft zo’n persoonlijk bevallingsverhaal met corona te maken? Ogenschijnlijk niets, en tegelijkertijd zegt het alles over hoe we met gezondheid, pijn en sterven omgaan. Hoe we tegen die zaken aankijken, staat niet gegoten in ijzeren natuurwetten. We benaderen het vooral vanuit een sociaal en cultureel perspectief. Daar heb ik in Sierra Leone ook andere ervaringen mee opgedaan.

Doorlopen met ziekte vinden ze daar helemaal niet ‘stoer’ of ‘flink’, maar oliedom en onverantwoordelijk. Toen ik eens met een verkoudheid aan het werk wilde gaan, werd ik vrij resoluut terug naar huis gestuurd. Had ik door dat ik anderen kon besmetten? Ik geef toe, nee, dat had ik niet echt door. Ik keek vooral naar mezelf. Ik voelde me niet heel slecht en ik had werk te doen. Ik vond de reacties overdreven.

Ik leefde toen al een tijdje onder de allerarmsten. Ik had het idee dat ik me goed in hen kon verplaatsen. Maar hoewel ik leefde van een klein budget, kon ik me gezondheidszorg veroorloven. En een paar dagen ziek thuisblijven lukte ook. Dat dat voor andere mensen een ondenkbare luxe was, zag ik niet. Het ging mij om mijn eigen gezondheid en die kon wel een verkoudheidje hebben. Dat ik een lange keten van besmettingen op gang bracht die uiteindelijk zou eindigen bij iemand die er ernstige complicaties van kan krijgen, ik was er blind voor. Het ongemak van dagenlang ‘gezond’ thuiszitten woog voor mij zo zwaar, dat ik helemaal niet aan andere mensen dacht.

Een problematische kijk op ziekte en gezondheid

Velen, zo niet een meerderheid van de Nederlanders, zullen zich in mijn verhaal herkennen. Een griepje houdt ons niet zo makkelijk thuis. Dat zit diep in onze cultuur verweven. Niet alleen bij de bevolking. Ook bij de gezondheidsinstituten en de overheid zitten die denkbeelden ingebakken. En daarom zijn uitgerekend wij extra vatbaar voor een virus als corona.

Toen corona net nieuw was in Nederland, veroorzaakte het een nog onbekende ziekte. Hoewel. Onbekend? Niet helemaal. Het ziektebeeld lijkt voor de meeste mensen op dat van een stevige verkoudheid of een griep. Zo werd het nieuwe virus door het RIVM dan ook aan Nederland gepresenteerd. Een ander type griep, waar de bevolking nog weerstand tegen op moest bouwen. Steeds klonk de boodschap; ‘het treft vooral ouderen’. Voor velen onder de jongere generaties was dat een geruststellende gedachte. De ouderen moesten zich maar beschermen, terwijl de jongere generaties gewoon door konden leven. En in Nederland leek dat ook mogelijk, omdat wij met name in kleinere gezinsverbanden met elkaar samenleven. Opa en oma hebben hun eigen woning, of zitten in een verzorgingshuis.

Toch bleek de werkelijkheid complexer. Terwijl de Intensive Cares in Italië overspoeld raakten met corona patiënten en Italiaanse artsen Europa waarschuwden voor de impact van het virus, was er in Nederland geen gevoel van urgentie. Als we allemaal hygiënemaatregelen in acht zouden nemen, en voorlopig even geen handen zouden schudden, zou corona niet zo’n vat op ons krijgen. En zo kon corona zich ongemerkt al onder een groot deel van de bevolking in Noord-Brabant verspreiden.

Veel mensen raakten besmet omdat we het in Nederland ‘normaal’ vinden om gewoon naar buiten te gaan met verkoudheidsklachten of griepverschijnselen. En blijkbaar vinden we het ook normaal om in besmettelijke toestand dichtbij anderen te komen, waar we het aan doorgeven en die het op hun beurt weer doorgeven aan anderen. De anderhalvemeterregel trad in werking: ziek of gezond, alle mensen die geen huishouden met elkaar vormden, moesten zeker anderhalve meter bij elkaar uit de buurt blijven. Want hoewel het lijkt dat je het meest besmettelijk bent als je veel symptomen hebt, kan je toch al voordat je daadwerkelijk ziek wordt een ander mens besmetten.

Het was allemaal niet genoeg. De overheid riep de bevolking op 11 maart op om thuis te blijven bij klachten. Maar in een uitzonderlijke toespraak aan het volk bracht de Minister-President de verwarrende en tegenstrijdige boodschap dat Nederland immuun moest worden. Met een beschermend muurtje om de ouderen en de kwetsbaren heen, moest dan overbelasting van de Intensive Cares worden voorkomen. Nog geen week later belandden we met z’n allen in een ‘intelligente lockdown’. Wie niet per se het huis hoefde te verlaten, moest zoveel mogelijk binnenblijven. Zorgpersoneel, brandweer, politie en medewerkers van het openbaar vervoer moesten met milde klachten door blijven werken. Zonder middelen om andere mensen tegen besmetting te beschermen, ook al kwamen zij in contact met die ouderen en mensen met een kwetsbare gezondheid.

Dat het in Nederland van maart tot en met juni duurde om corona weer enigszins onder controle te krijgen en dat het sociaalmaatschappelijke leven over het hele land nagenoeg stilgelegd moest worden, spreekt boekdelen. Vier maanden zoveel mogelijk thuisblijven om een ziekte met een gemiddelde incubatieduur van 5 dagen terug te dringen. Dat waren niet de besmettingen van het eerste uur die er lang over deden om symptomatisch te worden en een ziektebeeld te veroorzaken.

Mensen bleven te dicht bij elkaar in de buurt komen. Soms om elkaar te verzorgen bij ziekte, elkaar te troosten bij lijden, soms omdat er geen andere keuze was, bijvoorbeeld in de zorg. Maar toch ook, omdat veel mensen nog altijd ‘schijt aan corona‘ hadden. Hun ‘goed recht’, vonden zij. Het voelt tegen-intuïtief om een gezond lichaam te isoleren. Als het eigen lichaam ‘gezond’ voelt, naar de eigen maatstaven, mogen we kennelijk doen wat ons goeddunkt. Dat we met een besmettelijk virus in ons midden afhankelijk van en verantwoordelijk voor elkaar zijn, is abstract en ver weg. Eigen verantwoordelijkheid. We beslissen zelf over ons lot en schatten onze eigen risico’s in. Dat veel roekeloze mensen daarmee de hele samenleving gegijzeld hielden, leek totaal aan hen voorbij te gaan.

Gezondheid en vrijheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden

Nu Nederland weer ‘van het slot’ is en we helemaal zelf verantwoordelijk zijn voor ons gedrag, blijkt uit gedragsonderzoeken van het RIVM keer op keer dat we nog altijd niet terugdeinzen voor sociaal contact. Slechts 10% van de mensen met klachten blijft daadwerkelijk thuis in quarantaine. Ongetwijfeld zijn daar soms dringende redenen voor te bedenken, zoals de essentiële boodschappen of mantelzorg. Maar bijna de helft van de mensen met klachten blijft doorwerken en gaat nog naar de horeca en ruim 70% gaat nog bij familie en vrienden op bezoek.


Bron: RIVM

Hoe komt het dat Nederlanders zo weinig urgentiebesef hebben, terwijl er een pandemie over de wereld raast? En welke denkbeelden liggen aan deze houding ten grondslag? Een RIVM onderzoek uit 2011 geeft een kijkje in het gezondheidsgedrag van de Nederlander.

Uit dit onderzoek blijkt vooral dat gezondheid voor Nederlanders vooral betekent dat je je gezond voelt, niet zozeer dat je gezond bent.



‘Het interne aspect van gezondheid betreft de belevingskant, het ‘goede gevoel’. Het gaat erom dat je tegen jezelf kunt zeggen ‘ik voel me gezond’ en dat kan ook als je een (chronische) ziekte onder de leden hebt. Dat gezonde gevoel bereik je gemakkelijker als je je fit voelt, uitgeslapen bent, als je genoeg energie hebt en als je je geestelijk goed voelt (bijvoorbeeld ‘rust in je hoofd’). Als al deze wijzertjes de goede kant op staan. dan zit je lekker in je vel, dan ‘kan je de wereld aan’, zoals iemand zei. Eveneens geldt voor beide begrippen dat de toestand die als ‘gezond’ wordt omschreven van meer afhankelijk is dan van gezondheid in engere zin. De onafhankelijkheid en vrijheid die bij het externe gezondheidsbegrip hoort, wordt ook bepaald door persoonlijke en sociale omstandigheden. Dat zie je ook bij het interne gezondheidsbegrip. Daar waar het ‘gezonde gevoel’ over gaat in ‘lekker in je vel’ en ‘welbevinden’ zien we een vergelijkbare verbreding naar een gewaarwording waar eveneens tal van persoonlijke en sociale omstandigheden een rol spelen.’

Het gaat Nederlanders in hun gedrag dus vooral om de beleving van gezondheid. Een goed gevoel hebben en de dingen kunnen doen je die je wilt doen. Een kwestie van ‘mentaliteit en instelling’: “‘niet bij de pakken neerzitten en kijken wat je nog wel kunt’.” Ongezondheid zijn betekent dat je niet kunt doen wat je wilt doen. ‘Geen vrijheid, geen energie maar isolement en afhankelijkheid.’ Dat is het gevoel wat de maatregelen tegen de verspreiding van corona bij veel mensen oproepen. Liever met klachten naar buiten, dan voel je je gezond, dan met klachten thuis, dan voel je je ongezond.

Opvallend is ook dat veel Nederlanders hun gezondheid eerder zien als een ‘accu die je af en toe moet opladen’ dan een ‘generator, iets waarin je investeert’. Corona werkt als een schakelaar die ‘elk moment kan omklappen’ en veel onrust met zich meebrengt. Volgens dit RIVM onderzoek veroorzaakt zo’n schakelaar onrust die het moeilijk om je gezond te voelen.

Investeren in gezondheid door middel van preventie, voorkomen dat je ziek wordt, is voor veel Nederlanders geen overheersende factor. ‘Iets voor je gezondheid doen, is vaak iets doen voor het lekkere gevoel. En dat doe je met sporten, met een strandwandeling, door veel water te drinken of door voldoende te slapen. … Veel mensen die met gezond gedrag bezig zijn, doen dat omdat het min of meer moet.’

Corona is vooral ongezellig

Soms horen we verhalen van mensen die ondanks klachten door hun werkgever onder druk gezet worden om te komen werken. Maar van besmettingen via de werkplek horen we weinig. En misschien is het wel tekenend dat net iets meer mensen met klachten nog wel naar horecagelegenheden gaan en veel mensen nog familie en vrienden blijven bezoeken. We zoeken blijkbaar vooral gezelligheid. Ook als we klachten hebben.

In bovengenoemd onderzoek wordt aangehaald dat het blijkbaar zo is dat ‘gezellig zijn en gezond leven moeilijk samengaan en dat je druk vanuit je omgeving voelt als je niet mee wilt doen en voor een gezonde leefstijl wilt kiezen’. De ‘aanzuigende kracht van gezelligheid (bijvoorbeeld op feestjes, maar ook op de werkplek)’ is iets ‘waar je je moeilijk aan kunt onttrekken’. Mensen willen zich als ‘individu niet op een zogenaamd ongezellige manier afzijdig houden’.

Besmettingen vooral ‘in de privésfeer’

Dat ‘gezelligheid’ misschien wel een van de grote bottlenecks is in de bestrijding van corona, valt misschien op te maken uit het bron- en contactonderzoek. Sinds de versoepelingen van 1 juli blijkt Nederlanders vooral besmet raken in de privésfeer: bij familiebijeenkomsten, bruiloften, verjaardagsfeestjes, buurtborrels en recent ook in de horeca. Terwijl men in buurland België vooral besmet raakt op school en werk.

Het bron- en contactonderzoek is in beide landen nog verre van effectief en met name clusters worden gevonden, waardoor het beeld op de keten van besmettingen nog incompleet is. Toch is het verschil tussen de landen veelzeggend. Waar Nederland sinds 1 juli vooral inzet op de terugkeer naar een ‘normaal leven’ zonder al te veel beperkingen en een herstel van sociale contacten, leven onze zuiderburen in sociale bubbels. Per gezin mogen de gezinsleden met maximaal 5 andere personen buiten het eigen gezin samen in een ‘bubbel’ zitten. Afstandsregels gelden dan niet.

Hoewel het in de praktijk niet altijd even goed werkt, lijkt het wel effect te hebben op het verantwoordelijkheidsgevoel. Als je buiten die bubbel onvoorzichtig bent, lopen de mensen binnen je bubbel het risico via jou besmet te raken. Dat maakt je direct verantwoordelijk voor de gezondheid en de levens van je bubbelgenoten. En dat is een inzicht dat in Nederland mist. Bij ons is een besmetting met corona vooral ‘individueel’. En helaas blijkt, in vele gevallen ook een ‘keuze’.

Ondanks een pandemie met verstrekkende consequenties blijft voor de meeste Nederlanders blijkbaar gelden dat je gezond voelen boven gezond zijn staat en dat we de dingen kunnen blijven doen die we willen doen. Dat we onafhankelijk en vrij willen zijn. Dat we dat boven het beschermen van onze eigen gezondheid en dat van anderen stellen. Dat zou geen probleem zijn, als we met onze (on)gezondheid niet direct of indirect verbonden zouden zijn aan 17 miljoen andere Nederlanders. Nederlanders die stuk voor stuk, bij grondwet, een recht hebben op lichamelijke integriteit. Als je onvoorzichtig bent en ik kan bewijzen dat ik enkel via jou besmet heb kunnen raken, dan zou ik je aansprakelijk kunnen stellen voor het verlies van mijn gezondheid. Dat is in juridisch opzicht natuurlijk schier onmogelijk, maar dat pleit ons in moreel opzicht niet vrij.

Wie neemt verantwoordelijkheid?

Dat we met een besmettelijke ziekte in ons midden direct verantwoordelijk zijn voor de mensen om ons heen en dat onze besmetting bij roekeloos gedrag op een dag onvermijdelijk terechtkomt bij iemand die het niet zal overleven, of er onherstelbare gezondheidsschade van oploopt, is een boodschap die onze overheid blijkbaar niet onomwonden durft te brengen. De grote meerderheid van de bevolking lijkt er niet van doordrongen. Helaas geldt datzelfde voor onze politici en wetenschappers betrokken bij het outbreak management.

Toen Nederland aan het hamsteren sloeg, wist onze Minister-President precies op welke knoppen hij moest drukken om dat gedrag linea recta te stoppen. Rutte was hard en onomwonden. Het was asociaal gedrag. Die boodschap kwam zo luid en duidelijk aan dat zelfs de niet-hamsteraars onder ons nauwelijks nog toiletpapier durfden te kopen. Als het om verantwoordelijk gedrag omtrent de volksgezondheid, zijn de boodschappen en maatregelen vele malen minder duidelijk. Het is allemaal ‘mondjesmaat’. Eigen verantwoordelijkheid. Dus hanteren we onze eigen maatstaven. Pijn verbijten we. We zijn flink. We durven anderen niet aan te spreken op hun gedrag. We komen niet op voor onze eigen gezondheid. We willen vooral niet ongezellig zijn. We slepen elkaar mee in onverantwoordelijk gedrag. Corona is en blijft een ‘griepje’. Voor de meesten.

Mijn dochter is nu elf jaar oud. Als verjaarscadeau geef ik haar een stukje ‘gezondheid’. Ik vertel haar mijn bevallingsverhaal. Omdat het mooi is om te delen, maar vooral om haar te leren dat ze haar eigen (pijn)grens nooit moet verleggen vanwege sociale druk. Het kan je zomaar je leven kosten. Of in het geval van een virus: het leven van een ander. Gezondheid is iets waar je in moet investeren. Zonder gezondheid geen leven. En hoe vrij voel je je eigenlijk, als je weet dat je een ander met een dodelijke ziekte opzadelt? Ziekte is niet ‘gezellig’. Nooit. En wie weet, misschien kunnen we de jongere generaties leren een gezonde kijk op gezondheid te ontwikkelen. Daar lijkt me een pandemie een mooi moment voor.

Uitgesteld gevoel

Uitgesteld gevoel

Nienke Ipenburg (37) is verpleegkundig specialist in Rotterdam. Tijdens de eerste coronagolf werd ze bij haar werk in de huisartsenpraktijk geconfronteerd met de onvoorspelhaarheid van de ziekte die volgt op besmetting met corona. Nu de besmettingen in Rotterdam weer oplopen, komen herinneringen naar boven en zet ze zich schrap voor een tweede golf aan coronapatiënten.

De doktersassistente roept. In een waas hoor ik haar zeggen dat ze er al aankomen. Het gaat niet meer, hij is zo vreselijk benauwd. Zijn vriendin belt vanuit de auto. Hij heeft corona. Twee dagen geleden positief getest, maar hij heeft al meer dan een week klachten. Ik tel de dagen na: dit moet dag 8 zijn. Alarmbellen gaan af in mijn hoofd. Ik voel iets misselijkmakends opkomen in mijn lijf. Niet weer! 

Februari, maart en zelfs nog april waren duizelingwekkend. Een onbekende ziekte raasde als een wervelwind door de huisartsenpraktijk. We zagen ècht zieke mensen op de praktijk. Sommigen moesten we doorsturen naar het ziekenhuis. Anderen konden thuis uitzieken. De telefoon ging non-stop. Vragen. Zorgen. Angsten. Onmacht. En onvermijdelijk veel tranen. Sommige patiënten zagen we nooit meer terug. Sommige collega’s werden zelf die patiënt. Gebrek aan kennis. Gebrek aan beschermingsmiddelen. Ik herinner me de dagen dat ik huilend van mijn werk kwam.
 

In mei, juni en juli keerde het tij. We raakten gewend aan de nieuwe situatie. De aanhoudende klachten na een coronabesmetting, maar ook de soms diepe, gitzwarte rouw van verlies in alle facetten. Raakten we eraan gewend? Niet echt. Het went eigenlijk nooit. 

Routinematig help ik de nog wachtende patiënt. Maart raast door mijn hoofd. Geen tijd voor, niet nu. De rest van het spreekuur wordt afgebeld. De praktijk gaat dicht. Snel maken we de corona spreekkamer op orde. Heb ik alles bij de hand? Ik pak de beschermende kleding. Ik zie de blik van de doktersassistente. Geruststellend, kalmerend. Ze staat klaar en knikt bemoedigend. Voor haar veiligheid blijft ze op de achtergrond. Ze staat altijd klaar om bij te springen. Ze is mijn veilige haven, ondanks haar eigen verlies. Of is het juist dankzij dat verlies? 

Weer dat gevoel. Ik haal diep adem en kleed me aan. Geklop op de deur. Ze zijn gearriveerd. ‘Gelukkig, hij loopt nog,’ schiet door mijn hoofd. Ik kijk beter en zie hoe hij ondersteund moet worden. Zijn ogen staan vermoeid, de twinkeling is weg. 

Ik sluit een metertje aan om zijn zuurstof te meten, terwijl ik naar zijn ademhaling luister. Niet eens zo snel, wel oppervlakkig en zwak. Het getalletje verschijnt in beeld. 80%. Ik hou nu mijn adem in, wacht nog even af en kijk gespannen naar het beeld. Voor mijn gevoel minutenlang. Langzaam loopt het getal op. 88%. Nog steeds niet goed, maar toch. Ik luister naar zijn longen. Corona doet zijn dans door de kleinste vaatjes. Maar wat ik hoor, heeft nauwelijks iets met muziek te maken. Het piept en het kraakt net zo hard als het overbelaste, niet zorgende zorgstelsel. Zonder fundament, met af en toe een ijzingwekkende stilte. 

Ik kijk op en zie de tranen in de ogen van zijn vriendin. “We zijn maar één keer wezen winkelen,” zegt ze zacht. De GGD denkt dat hij daar de besmetting heeft opgelopen. Weer dat vreemde gevoel. Weer druk ik het weg. Eerst zorgen, de rest komt later. Gelukkig komt de ambulance heel snel. Het ziekenhuis is op de hoogte. Hij is in goede handen. 

Het liefst wil ik mijn masker meteen afrukken. Ik kijk naar de chaos in de kamer. Ik voel de chaos in mijn hoofd. Eerst schoonmaken en volgens protocol uitkleden.Thuis kan ik eindelijk mijn dikste masker afzetten; een beschermlaag die dieper gaat dan FFP2. Zachtjes huil ik en vraag me af, is dit nu wat ze bedoelen als ze zeggen: de zorg is er nog niet klaar voor? 

Nienke Ipenburg
Volg Nienke op Twitter

Corona knaagt aan het geweten


De coronapandemie knaagt aan alle uithoeken van mijn brein. Het vreet zich een weg door mijn hart, waar gevoelens door rationele argumenten doorboord worden. Corona splijt mijn brein, vindt zich een weg naar buiten door mijn oogkassen waar het tegen het schild van de wetenschappelijke bril opknalt, om daar met de klinische blik onschadelijker gemaakt te worden dan het eigenlijk is.

Ik wik en weeg, theorie boven emotie. Ik laat me zorgvuldig uit. Niet alarmistisch zijn. Niet te pessimistisch zijn. Hou het wetenschappelijk. Hou afstand. De ironie. Niemand die in een crisis leeft, kan beweren dat het hem onbewogen laat. De mens overheerst de wetenschapper. Hoe we met een wetenschappelijke bril naar een crisis kijken, is ingegeven door onze menselijke normen en waarden. Geen mens kan zich losmaken van zijn eigen kaders. En dat is wat een goede wetenschapper kenschetst, als je het mij vraagt. Weten vanuit welke overtuiging je kennis vergaart. Waar zit je blinde vlek? Wat zijn je vaste overtuigingen? Hoe beïnvloedt dit je denken en de beslissingen die je neemt? Hoeveel moeite doe je om je hypothese te falsificeren? En wees daar open over. Verantwoord waar je ‘kennis’ vandaan komt. Vooruit.

Als antropoloog vind ik de complotdenkers, de ‘vrijheidspropagandisten’ en de viruswaarheid-fanaten mateloos interessant. Dit is niet mijn eerste crisis. En dit zijn niet de eerste ‘complotdenkers’ waar ik me over buig. Tijdens de ebola-epidemie in Sierra Leone heb ik velen van hen gesproken, met ze samengewerkt en ik ben ze ook na de epidemie blijven volgen. Ik zie geen verschil tussen de Nederlandse coronavariant en de Sierra Leoonse ebolavariant. Uit ervaring weet ik: zij zijn het probleem. Door roekeloosheid en onachtzaamheid blijft zo’n virus verspreiden, dat is een open deur. Maar naast een direct gevaar, vormt hun indirecte invloed op de samenleving en de politiek een veel groter gevaar. Hun roep om vrijheid, hun geforceerde handelen, het heeft allemaal zijn uitwerking op beleid en ons denken. Ze zijn onze ‘fearless peers’: ze feesten, ze gaan tekeer, trekken zich van afstandsregels niets aan, ze leven, ze komen niet in het ziekenhuis terecht. We observeren, beoordelen het risico als ‘laag’ en imiteren. De beleidsmakers zien reden om soepeler met de regels om te gaan. Wat onzichtbaar blijft: dat velen van hen wel in ziekenhuizen, op de IC’s en op een sterfbed komen te liggen. Dat is de kant die onbelicht blijft.

Hoe moeilijk het ook is om dit te zeggen: een goed deel van de mensen die wordt getroffen door corona, heeft dat aan de eigen roekeloosheid te danken. En daarom horen we die verhalen niet. Het blijft verborgen. Hoe mensen dan toch met corona besmet zijn geraakt blijft in veel gevallen een mysterie. Als de GGD belt, worden die contactmomenten die uit roekeloosheid zijn ontstaan vaak verzwegen. Soms moet je lang en hard graven voordat je de waarheid op tafel krijgt. En soms lukt dat helemaal niet. Sommigen van hen hebben de dood van een dierbare op hun roekeloze conto moeten schrijven. Ze worstelen met die waarheid. Sommigen blijven dat ontkennen. Ik heb vele trauma’s zien ontstaan bij de ebola-ontkenners. Ik heb ze de afgelopen jaren gevolgd. Het blijft hun gewetens plagen. En zo heb ik mijn eerste Nederlandse coronaverhalen ook aan mogen horen. Er is geen verschil.

We zien in de coronapatiënt graag de volmaakte onschuld, overvallen door een ongrijpbaar en onzichtbaar virus. Maar dat beeld klopt niet met de werkelijkheid. Een coronapatiënt is óf slachtoffer van het eigen gedrag, óf van dat van een ander. Zolang we dat niet begrijpen, zullen we corona niet kunnen bestrijden. We blijven weifelen. Is dat virus nou zo gevaarlijk? Hoe kunnen we het tarten? Hoe kunnen we het te slim af zijn? Hoeveel risico kunnen we eigenlijk nemen? We verleggen de grenzen steeds een stapje verder richting de roekeloosheid. We willen terug naar normaal. We zijn niet bereid te accepteren dat we als samenleving uitdagingen en bedreigingen het hoofd moeten bieden. Samen. En dat we er als geheel weer uit moeten komen.

Als mens denk ik: De stomvervelende eindeloze discussies over ‘natuurgeweld’, ‘virussen zijn een manier van de natuur om met overbevolking af te rekenen’, het komt me mijn neus harder uit, dan een virusdeeltje dat ooit zou kunnen doen. Welk natuurgeweld? Corona is een stukje genetisch materiaal met een eiwitmantel eromheen. Op zichzelf weinig indrukwekkend en onschadelijk. Totdat het zich een weg vindt naar een gevoelige drager, waar het onherstelbare schade kan aanrichten tot de dood erop volgt. Van een dierlijk reservoir overgebracht op een mens, en daarna van mens – op mens – op mens – op mens, over de hele wereld verspreid. Omdat het virus onzichtbaar is, lijkt het ongrijpbaar. We lijken er weerloos tegen. Alsof het ons zomaar kan grijpen. Maar zo werkt het niet. Corona moet over kunnen ‘springen’, van mens op mens. Als geen potentiële drager dicht bij dat stukje virus in de buurt komt, of niet in een afgesloten ruimte met het virus samen rondwaart, kan het zich niet meer reproduceren en dan is het … einde aan dat stukje genetisch materiaal met een eiwitmantel eromheen. Zo eenvoudig is het.

Waarom lijkt het dan toch zo onmogelijk om dit schijnbaar ontzaglijke ‘natuurgeweld’ te bestrijden? Dat komt niet door het virus zelf. Het is geen natuurgeweld. Mensen brengen dit virus op elkaar over. De natuurlijke natuur komt daar verder niet meer aan te pas. Het is de menselijke natuur, of menselijk ‘geweld’, dat de bestrijding van dit virus moeilijk maakt. Hoe pijnlijk die boodschap ook is om te aanvaarden.

Dat zit me dwars. Dat dat maar niet tot ons door lijkt te willen dringen. We willen dat rotvirus niet. Het belemmert ons in onze bewegingsvrijheid. We willen kunnen gaan en staan waar we willen. We willen de risico’s zo nauwkeurig mogelijk inschatten. Tot welk uiterste van welk uiterste kunnen we gaan? Bij gebrek aan echte wetenschap vullen we de risico’s zelf maar in. Volkomen begrijpelijk, want dat doen de echte wetenschappers immers ook. Weten we het niet zeker? Dan levert het geen risico op. Althans. In Nederland. Er zijn ook landen die andersom redeneren. Hier tarten we liever het lot. Zolang Diederik Gommers niet met waterige ogen bij Op1 is komen vertellen dat de IC’s het niet meer redden, is het ‘alle seinen veilig’. Gommers, een hart van goud en een onwaarschijnlijk fijn vaderlijk figuur, is ons baken geworden waarop we koers uitzetten. Niet vreemd, want we zoeken toch ergens een houvast.

Niets ten nadele van Gommers. Hij is misschien wel hèt toonbeeld van empathie in deze crisis. Want bij andere prominente persoonlijkheden die aan de frontlinie staan, is het menselijk gevoel ver te zoeken. Onze eeuwig studentikoze Minister-President snakt naar de kroeg en houdt zich bezig met de voorraad toiletpapier die we er in onze huishoudens op nahouden, niet met de stervenden in de verpleeghuizen. Hugo de Jonge praat zo ontzettend veel dat je na twee zinnen al niet meer weet waar het over gaat en dat hoeft ook niet. Bij De Jonge moet je vooral tussen de regels door kunnen lezen; als De Jonge op televisie zijn zorgen uitspreekt, weet je dat er buiten beeld een versoepeling wordt doorgedrukt die even onethisch als onverantwoord is. En onze journalisten hebben maar een harde kluif aan de kritische noot. Geen paniek veroorzaken. Overheidsbeleid niet ondermijnen. De verantwoordelijkheid lijkt voor velen te zwaar om te dragen. En wij burgers? De ene helft is verlamd en de andere helft staat als een stel halfgare, stampvoetende peuters op het Malieveld om ‘vrijheid’ te dreinen. Willem Engel voorop, die het coronabeest met zijn opgeheven vuist en wilde manen als een soort moderne Samson in één woord onschadelijk maakt: “Onzin!”

Het bekt ook lekker: ‘Vrijheid’. Het is in onze samenleving het hoogste goed. We willen niets aan elkaar opofferen. We zijn individuen die zich door niemand laten belemmeren. We moeten leven. Nu. Volop. Het onderste uit de kan halen. Pluk de dag. Iedere godganse dag weer. Vrijheid. Ten koste van alles, en iedereen. Het is onderdeel van de holle tsjakka cultuur waar we ons door hebben laten inpakken. Gladde praat van zelfhulpgoeroes die ons wijsmaken dat we met positieve gedachten de meest ernstige rampspoed kunnen afwenden. Als we de negativiteit niet in ons brein toelaten, bestaat het niet. Het geheim van onze gedachtenkracht. We kunnen de wereld naar onze handen zetten. Corona mag geen spelbreker zijn. We gedachtenkrachten dat virus gewoon weg, of degraderen het tot een ‘griepje’. Hocus pocus pilates pas.

Natuurlijk, iedereen heeft zo zijn eigen manier om met dreiging om te gaan. Vechten of vluchten. We denken dat we het in die context over het virus hebben, maar eigenlijk hebben we het over elkaar. Mensen die zich onschendbaar wanen voor corona, brengen met hun roekeloosheid anderen in gevaar, bijna met ongekende agressie. Ze eisen dat de samenleving voor hen doordraait. De caissière met COPD moet door haar werkgever gedwongen worden de boodschappen te scannen. De pakketbezorger met nierschade moet tot aan de voordeur blijven komen. De juf met suikerziekte moet hun kind fysiek onderwijs blijven geven. De verpleegkundige met verminderde weerstand moet hen zorg blijven bieden. De zero positieve buschauffeuse moet hen blijven vervoeren. Iedereen moet ‘normaal’ doen. Want het leven is kort en ze moeten nú leven. Nú, nú, nú. Het risico voor een ander kunnen zij, poef, met één woord weg relativeren: ‘Angsthaas’. De behoefte of noodzaak van de ander om zichzelf tegen een potentieel dodelijke ziekte te beschermen gaat deze mensen ver boven de pet. Ze achten het leven van een ander net zo weinig waard als dat van henzelf. Ze hekelen massaal het ‘nieuwe normaal’ en willen zo snel mogelijk weer terug naar het oude. Alsof een samenleving niet altijd al voortdurend verandert. We stagneren in oude denkbeelden die niet bij een crisis passen en zijn daardoor blind voor onconventionele oplossingen. Waar wij out of the box zouden moeten komen en corona erin, doen wij dat andersom.

Bijna zeven maanden corona. Mijn wereldbeeld, mijn ideeën over de natuur, gezondheid, wetenschap, medemenselijkheid, integriteit, ethiek respect voor leven en waardig sterven, het staat allemaal compleet op z’n kop. Ik stel mezelf de existentiële levensvragen, het knaagt. We zwijnen als land door de grote drama’s heen: enerzijds door ze te verzwijgen, anderzijds door onze risicogroepen indirect te dwingen zich te isoleren van de samenleving. Hoe moeilijk we het hen maken, zodat de ‘vitalen’ onder ons in ‘vrijheid’ kunnen leven. De kinderen gaan naar school, natuurlijk, want onderwijs is belangrijk. Als ze een paar weken fysiek onderwijs moeten missen, raken kinderen onherstelbaar beschadigd. Dat ze opa en oma niet kunnen knuffelen, of zelfs niet zien, och, dat doet een kind niets. Dat durven we met droge ogen te beweren. Alsof onze kinderen kleine cognitieve robotjes zijn. En de opa’s en oma’s, die denken we voor het gemak gewoon even weg. Er zal vast een of andere BN’er die in een talkshow wil komen vertellen dat zijn of haar ouders dat helemaal niet erg vinden, dus dan geldt dat voor iedereen. Gewoon doorlopen. We walsen al stampvoetend over miljoenen gevoelens heen. Gevoelens die nog lang na corona blijven kwetsen. Longcovid. Collateral damage. Aanvaardbaar. Dan moeten ze maar naar een psycholoog. Tenminste, als de premie van het basispakket maar niet omhooggaat.

Dat mensen compleet in de verdrukking komen, dat we hen door werk, school, schoolgaande kinderen, zorg, persoonlijke verzorging of sociale druk bewust blootstellen aan risico, willen we niet horen. Twee tot vier miljoen mensen. Alsof we ze uit de samenleving weg kunnen denken. Op social media is het lekker ze nog verder een hoek in te drijven: ‘Aansteller, angsthaas’. Meestal IN HOOFDLETTERS en gevolgd door !!!!1!1!! Hoeveel stress levert dat op bij mensen in de risicogroepen? Hoeveel zelftwijfel? Hoeveel zorgelijkheid? En is het gerechtvaardigd hen 7 maanden uit te sluiten? Hun belangen totaal niet te zien? En hoe zit het met de rest van de samenleving? Zij die deze mensen willen beschermen? Hun gezinnen? Henzelf? Hun geliefden? Zij zijn van ondergeschikt belang aan de vrijheid van een minderheid van schreeuwlelijken. Ze worden niet hard op hun plaats gezet. In plaats daarvan krijgen ze een mooi podium in de om kijkcijfers strijdende talkshows. Beleid wordt op hun zucht naar vrijheid afgestemd. Wie het hardst schreeuwt, krijgt zijn zin.

Als zo’n virus nieuw is in de samenleving, is de verspreiding voor iedereen een mysterie. Natuurlijk moet je dan naar alle invalshoeken luisteren. In gesprek gaan. Uitleggen. Geduld hebben. Maar als je merkt dat mensen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, of de samenleving als geheel, is het tijd rationeel te handelen. Als antropoloog heb ik die kennis al eens eerder opgedaan. Als je niet ingrijpt, nemen roekeloosheid en nalatigheid de overhand. Het virus laat zich verspreiden. Er sterven mensen. Anderen worden chronisch ziek en de economie krijgt zulke harde klappen, dat we daar over tien jaar nog de sterretjes van zullen zien.

Je kunt naar deze mensen blijven luisteren en hun zin blijven doen. Het heeft echter grote consequenties. In dit proces raakt een meerderheid in de samenleving de zelfbeschikking, de autonomie en de lichamelijke integriteit kwijt. We kunnen en mogen onszelf niet beschermen tegen een nog onbekend en schadelijk virus. De overheid kan ons dwingen het virus onze huizen binnen te laten door verplichtingen op werk en school. De overheid bepaalt welk risico voor ons aanvaardbaar is. En dat is waanzin. Als antropoloog moet ik rationeel blijven, zeker als ik met de politiek wil praten. Oog hebben voor de ‘andere kant’. Welke andere kant, vraag ik me af. De volksgezondheid zou op nummer 1 moeten staan. Iedereen heeft daar recht op. Mensen die de volksgezondheid in gevaar brengen, zijn niet ‘de andere kant’. Ze leggen een bom onder de samenleving. De grote meerderheid draait op voor hun roekeloosheid. Het zet veel mensen in de verdrukking. De samenleving in haar geheel loopt grote schade op. Dat zie ik, ik hoor de persoonlijke verhalen, ik heb het al eens meegemaakt. Die wetenschap uitdragen, het wordt niet gewaardeerd.

Intussen knaagt het zich een weg door mijn geweten. De diplomatie breekt me op. Hier is een breekijzer voor nodig. Ik hou me in. Ik zeg niet wat ik zou willen zeggen. Maar het frustreert me wel. Temeer omdat ik weet dat juist door roekeloze mensen deze crisis nog heel erg lang gaat duren. En door politici die de ruggengraat niet hebben om dit veelkoppig beest te lijf te gaan. Ik wik en weeg, theorie boven emotie. Ik laat me zorgvuldig uit. Niet alarmistisch zijn. Niet te pessimistisch zijn. Hou het wetenschappelijk. Hou afstand. Geen tirades over de verpleeghuisdoden. Geen emoties over de doden die niet eens in onze statistieken opgenomen mogen worden. Geen emoties, punt. Maar het vreet aan mijn geweten. Want net als de meesten van ons, zie ik hoe volkomen onethisch we met deze crisis omgaan. Hoe weinig het menselijk leven hier eigenlijk waard is. Hoe koud en kil we over het leven van een ander denken. Al helemaal als dat leven niet volmaakt ‘vitaal’ is. Dat we niet voor elkaar willen zorgen. Dat we eigenlijk helemaal niet eens een heel klein beetje solidair zijn met elkaar. Dat we mensen willens en wetens in gevaar brengen. Door binnen coronabereik te komen. Door ze te dwingen zonder mondkapje te werken. Door ze te dwingen zorg te ontvangen die niet veilig is. Door ze naar scholen te sturen waar corona ‘rondwaart’. Dat we dat allemaal onder het tapijt blijven vegen en dat het niet eens bespreekbaar is. Je mag het niet benoemen, dat veroorzaakt paniek. Het is te alarmistisch. We moeten nuchter en kalm blijven. Alsof corona zich weg laat relativeren. Nou. Dat raakt me. Het raakt me. Het raakt me, punt.